Contrôle de TVA, facture · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 2023/AR/895 28 janvier 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Contrôle de TVA, facture

https://juriel.be/fr/jurisprudence/controle-tva-facture-cour-appel-anvers-2025-01-28-ac25

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Numéro de rôle
2023/AR/895
Date
28 janvier 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
mixte

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

120 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 28.01.2025 (2023/AR/895)

TVA – contrôle de TVA – créance - facture

Texte intégral

Corps de la décision

cie1, ON ..., met zetel te ...,

Eiseres in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. CAKMAK Emre, advocaat te 1831 DIEGEM, Culliganlaan 1b (ref.:

2017.474)

tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 21 december 2022, gekend onder rolnummer 20/845/A

tegen

BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL- DIRECTEUR KMO CENTRUM MECHELEN, ON 0308.357.159, met diensten te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 20,

Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is mevrouw PICAVET Nancy, fiscaal ambtenaar (kenmerk: 713-1548/037933)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 21 december 2022, betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 21 mei 2024, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 1 juni 2023 en ingeschreven op 2 juni 2023, waarbij tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

1. Feitelijke en procedurele retroacta.

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op de B.T.W.-vordering met schuldnummer 500.189644.874, opgenomen in het innings- en invorderingsregister 201910NL021 op 24 oktober 2019 en uitvoerbaar verklaard op 25 oktober 2019.

Na controle werd op 20 oktober 2017 een correctieopgave opgesteld. Bij gebrek aan akkoord werd op 6 december 2017 een proces-verbaal opgesteld ingevolge waarvan een bedrag van 46.589,32 EUR als B.T.W. verschuldigd zou zijn, meer een geldboete ten bedrage van 42.350 EUR en intresten ten bedrage van 504 EUR. De B.T.W. zou verschuldigd zijn naar aanleiding van een niet aangetoonde omzetvermindering van 30.000 EUR, de niet verantwoorde boeking van twee negatieve facturen en een niet verantwoorde voorraadstijging ten bedrage van 187.722,89 EUR. Wegens deze inbreuken zou een B.T.W.-boete van 20% verschuldigd zijn. Voorts zou een bedrag van 504 EUR verschuldigd zijn als intresten wegens laattijdige aangifte en betaling van de B.T.W. van een verkoopfactuur. Wegens de uitreiking van 216 facturen met globale vermeldingen werd een geldboete opgelegd van 100%.

Het bezwaar tegen het proces-verbaal werd deels ingewilligd en de B.T.W.-vordering werd verminderd met een bedrag van 1.501,34 EUR bij beslissing d.d. 25 januari 2019. Voor het meerdere werd het bezwaar afgewezen. De verschuldigde bedragen weden ingeschreven in het innings- en invorderingsregister.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 13 februari 2020 vorderde eiseres in hoger beroep de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, het innings- en betalingsbericht met schuldnummer 500.189644.874, opgenomen in het innings- en invorderingsregister 201910NL021 nietig, minstens ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat de erin opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn, derhalve de uitvoering van het innings- en betalingsbericht met schuldnummer 500.189644.874, opgenomen in het innings- en invorderingsregister 201910NL021 te horen verbieden en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de terugbetaling van de ingehouden of betaalde bedragen, meer moratoriumintresten en tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, niet begroot en vereffend op 0 EUR.

Ten aanzien van de tijdspanne tussen de controle ter plaatse en de opmaak van het proces­verbaal oordeelde de eerste rechter dat er geen onredelijke termijn is verlopen na de vaststelling van de inbreuken. Het proces-verbaal werd niet laattijdig opgesteld.

De eerste rechter oordeelde dat de administratie terecht heeft gesteld dat de boekhouding van eiseres in hoger beroep niet bewijskrachtig is. De bevindingen van de bedrijfsrevisor doen geen afbreuk aan de diverse vastgestelde gebreken van de boekhouding. De eerste rechter achtte het niet dienstig noch noodzakelijk om over te gaan tot de aanstelling van een deskundige om de bewijskracht van de boekhouding na te gaan of om de bedrijfsrevisor te laten getuigen.

De eerste rechter kon geen schending van het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel vaststellen. Uit de akkoordverklaring met betrekking tot aanslagjaar 2009 en uit de correctieopgaven inzake B.T.W. d.d. 3 mei 2010 kon niet worden afgeleid dat de administratie zich in het verleden akkoord verklaarde met de wijze van boekhouden.

De eerste rechter oordeelde ten aanzien van de voorraadwijziging ten bedrage van 187.722,89 EUR dat eiseres in hoger beroep niet aantoont dat deze niet correspondeert met de goederen die verkocht werden. Bij gebrek aan bewijs dat deze goederen nog aanwezig waren in de voorraad op 31 december 2014 werden deze goederen op grond van artikel 64, §1 W.B.T.W. terecht geacht te zijn geleverd onder voorwaarden waaronder de B.T.W. opeisbaar wordt.

De eerste rechter oordeelde dat de administratie terecht stelde dat er geen verantwoording was voor de omzetvermindering die in 2014 werd doorgevoerd en dat voor januari, februari en maart 2014 te weinig omzet werd aangegeven met betrekking tot toonbankverkopen.

De administratie legde naar aanleiding van 216 uitgereikte globale facturen een B.T.W.-boete op omdat deze niet voldeden aan de voorwaarden van artikel 5, §1, 6° K.B. nr. 1. De eerste rechter oordeelde dat deze boete terecht werd opgelegd. Een schending van het vertrouwensbeginsel kon niet worden vastgesteld. De B.T.W.-boete van 100% beantwoordt, aldus de eerste rechter aan een juiste toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen en is evenredig met de aard en de ernst van de gepleegde inbreuken.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 1 juni 2023 en ingeschreven op 2 juni 2023, hoger beroep ingesteld.

2. De vorderingen en standpunten in hoger beroep.

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en opnieuw rechtdoende het bestreden vonnis te hervormen, minstens, alvorens recht te doen, over te gaan tot de aanstelling van een gerechtsdeskundige met als opdracht:

 in aanwezigheid van partijen, minstens na behoorlijke oproeping ervan, en na

kennisname van de stukken, de boekhouding van eiseres in hoger beroep te

onderzoeken en te adviseren over de bewijskracht ervan.

 de bewijskracht van de boekhouding tegensprekelijk vast te stellen;

 op alle nuttige en ter zake dienende vragen van partijen te antwoorden;

 partijen te horen en hen trachten te verzoenen;

 zijn bevindingen neer te schrijven in een beredeneerd en onder eed te bevestigen

deskundigenverslag neer te leggen binnen de termijn door de rechtbank te bepalen.

Minstens en in ieder geval verzoekt eiseres in hoger beroep dat de heer F.B. als getuige gehoord wordt over het verslag van zijn hand waarin hij zich uitspreekt tegen de these van verweerder in hoger beroep wat de bewijskracht van de boekhouding van eiseres in hoger beroep (althans het ontbreken ervan) betreft, en dienvolgens het innings- en betalingsbericht met schuldnummer 500.189644.874, opgenomen in het innings- en invorderingsregister 201910NL021 nietig, minstens ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat de erin opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn, derhalve de uitvoering van het innings- en betalingsbericht met schuldnummer 500.189644.874, opgenomen in het innings- en invorderingsregister 201910NL021 te horen verbieden en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de terugbetaling van de ingehouden of betaalde bedragen, meer moratoriumintresten en tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, de vorderingen van eiseres in hoger beroep voor het overige af te wijzen en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten.

3. Bespreking.

3.1. Toepassing van artikel 771 Ger.W.

In toepassing van artikel 771 Ger.W. mogen geen stukken, nota's of conclusies worden neergelegd na het sluiten van de debatten. In voorkomend geval worden zij buiten het beraad gehouden.

Op 17 december 2024 werden de stukken 1 tot 56 van eiseres in hoger beroep door haar raadsman neergelegd ter zitting. Het zittingsblad vermeldt per vergissing dat ook stuk 57 werd neergelegd ter zitting. Dit stuk werd evenwel na het sluiten der debatten neergelegd door de raadsman van eiseres in hoger beroep ter griffie. Het hof houdt stuk 57 van eiseres in hoger beroep buiten het beraad in toepassing van artikel 771 Ger.W..

3.2. Aangaande de toepassing van artikel 748bis Ger.W.

Op het proces-verbaal van de zitting d.d. 19 november 2024 werden bijkomende conclusietermijnen bepaald om partijen standpunt te laten innemen over de stukken die door de administratie werden neergelegd bij de laatste conclusie. Hierbij werd bepaald dat partijen zich zullen gedragen overeenkomstig artikel 748bis Ger.W..

Artikel 748bis Ger.W. bepaalt dat de laatste conclusies van een partij de vorm aannemen van syntheseconclusies, behoudens in de gevallen waarin conclusie mag worden genomen buiten de in artikel 747 Ger.W. bedoelde termijnen. Artikel 748bis Ger.W. strekt ertoe het goede verloop van het proces te verbeteren en de rechtsgang te bespoedigen door het werk van de rechter te verlichten en veiliger te maken. De bepaling is bijgevolg van openbare orde en partijen kunnen er niet van afwijken. Wanneer de laatste conclusie de vorm moet aannemen van een syntheseconclusie, dient de rechter niet te antwoorden op een middel, noch uitspraak te doen over een punt van de vordering dat in een eerdere conclusie voorkwam maar niet in de laatste conclusie vermeld staat (Cass. 24 januari 2013, JLMB, 2013, 1320).

Uit artikel 748bis Ger.W. volgt dat de rechter, na het verstrijken van de in artikel 747 Ger.W. bedoelde termijnen, de partijen niet kan verplichten om opnieuw syntheseconclusies neer te leggen over het volledige geschil (vgl. Cass. 13 juni 2024, C.19.0368.N). De enkele vaststelling dat de administratie na de zitting van 19 november 2024 geen syntheseconclusie heeft neergelegd, kan dan ook niet tot gevolg hebben dat geen rekening meer kan worden gehouden met de voorgaande syntheseconclusie van de administratie.

Hoe dan ook mag het hof bij de beoordeling van de vorderingen van partijen, zoals geformuleerd in hun syntheseconclusies, rekening houden met de mondelinge pleidooien van partijen en met de door hen neergelegde stukken. Het enkele feit dat de administratie in haar conclusie d.d. 29 november 2024 verwijst naar haar syntheseconclusie d.d. 17 oktober 2024 zonder de erin opgenomen argumentatie te hernemen, kan hieraan geen afbreuk doen.

3.3. Wat de bewiiskracht van de boekhouding betreft, het verzoek tot aanstelling van een deskundige en het verzoek tot het horen van de heer F.B..

Eiseres in hoger beroep stelt dat de administratie ten onrechte meent dat haar boekhouding niet bewijskrachtig zou zijn en verwijst ter zake naar het auditverslag van de heer F.B., het feit dat de bewijskracht van de boekhouding niet werd verworpen naar aanleiding van de controle over de aanslagjaren 2015 en 2016 en het feit dat de administratie zou hebben erkend dat er van fouten in de boekhouding geen sprake was. Eiseres in hoger beroep verzoekt om een deskundige aan te stellen met als opdracht zich uit te spreken over de bewijskracht van de boekhouding, minstens de heer F.B. ter zake als getuige te horen.

Het hof stelt vast dat de nagevorderde B.T.W.-schuld niet gesteund is op de verwerping van de boekhouding van eiseres in hoger beroep voor het betrokken boekjaar. De inbreuken die inzake B.T.W. werden weerhouden, zoals opgenomen in het proces-verbaal d.d. 6 december 2017 (A.D. 1), betreffen niet de verantwoorde vermindering van de omzet, de niet verantwoorde boeking van twee negatieve facturen en de niet verantwoorde voorraadwijziging. Tevens zijn nalatigheidsintresten verschuldigd wegens laattijdige betaling van de B.T.W. en een geldboete wegens globale vermeldingen op uitgaande facturen. Deze concrete inbreuken vereisen geen voorafgaande verwerping van de boekhouding, zoals bijvoorbeeld wel vereist is voor de toepassing van de forfaitaire grondslagen van aanslag in toepassing van artikel 56 W.B.T.W.. Dat in het proces-verbaal werd gesteld dat de boekhouding niet bewijskrachtig zou zijn, kan hieraan geen afbreuk doen nu hieraan geen fiscale gevolgen worden gekoppeld.

De beoordeling van de vraag of de boekhouding van eiseres in hoger beroep al dan niet bewijskrachtig is, is dan ook niet relevant ter beoordeling van de inbreuken die door de administratie werden opgenomen in het proces-verbaal. Het hof gaat dan ook niet nader in op de argumentatie van partijen in zoverre deze betrekking heeft op de bewijskracht van de boekhouding (syntheseconclusie eiseres in hoger beroep, sub 4.2.1 aangaande de fiscale controle in 2010 en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, sub 4.4.1 en 4.4.2 aangaande de bewijskracht van de boekhouding en het verslag van bedrijfsrevisor F.B.). In die context dient ook niet over te worden gegaan tot de aanstelling van een deskundige, noch tot het horen van de heer F.B. (syntheseconclusie eiseres in hoger beroep sub 4.1).

Het hof zal de bewijswaarde van de voorliggende boekhoudkundige stukken beoordelen op hun merites bij de beoordeling ten gronde van de verschillende concrete wijzigingen die werden aangebracht aan de ingediende aangifte.

3.4. Onrechtmatig verkregen stukken naar aanleiding van de visitatie op 22 maart 2018 en de bewijswaarde van het proces-verbaal d.d. 27 maart 2018 en het proces-verbaal d.d. 1 iuni 2018.

Eiseres in hoger beroep stelt dat een onrechtmatige visitatie zou zijn uitgevoerd op haar maatschappelijke zetel op 22 maart 2018 waarvan een proces-verbaal werd opgesteld op 27 maart 2018 (A.D. 15). Eiseres in hoger beroep betwist de bewijswaarde van dit proces­verbaal en van het proces-verbaal d.d. 1 juni 2018 inzake B.T.W. (A.D. 16).

Het hof stelt vast aan de hand van het proces-verbaal d.d. 6 december 2017 dat de administratie zich wat de inbreuken voor het jaar 2014 betreft, niet beroept op de vaststellingen of stukken verkregen naar aanleiding van de controle ter plaatse op 22 maart 2018, evenmin als op de processen-verbaal d.d. 27 maart 2018 en 1 juni 2018. Eventuele onregelmatigheden bij de controle of tegenstrijdigheden tussen de verschillende processen-verbaal kunnen dan ook geen gevolgen ressorteren voor de in deze bestreden B.T.W.-navordering. Het hof gaat dan ook niet nader in op de grieven van eiseres in hoger beroep opgeworpen in syntheseconclusie onder de punten 4.2.2.

3.5. Wat betreft het tijdsverloop tussen de controle ter plaatse en de redactie van het proces-verbaal.

Eiseres in hoger beroep betwist de bewijswaarde van het proces-verbaal d.d. 6 december 2017 omdat het werd opgesteld 6 maanden na de vaststellingen tijdens de controle die plaatsvond op 22 juni 2017. Zulks zou een onredelijk lange termijn betreffen en een schending inhouden van de rechten van verdediging van eiseres in hoger beroep.

In toepassing van artikel 59, §1 W.B.T.W. kan iedere overtreding van het W.B.T.W. door de administratie worden bewezen door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed en daarenboven door processen-verbaal die bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen. De bewijskracht van een proces­verbaal blijft beperkt tot de vaststellingen die erin werden opgenomen en strekt zich niet uit tot de gevolgtrekkingen die de verbalisant uit de vaststellingen afleidt.

Het tijdsverloop tussen de vaststellingen van de verbalisanten en de redactie van het proces­verbaal kan "onder omstandigheden" het recht van verdediging van de belastingplichtige aantasten. Enkel uit de vaststelling van "een lang en onverantwoord" tijdsverloop tussen de vaststellingen en de kennisgeving ervan kan echter niet zonder meer een schending van het recht van verdediging worden afgeleid (cfr. Cass. 10 juni 2010, Fiscoloog, 2010, afl. 1222, 11).

Het hof is van oordeel dat het tijdsverloop tussen de vaststelling van de inbreuken en de redactie van het proces-verbaal in casu geen afbreuk doet aan de bewijswaarde van de vaststellingen van de verbalisant, aangezien het tijdsverloop nog geen zes maanden bedraagt. Zulks kan geenszins als onredelijk lang worden aangemerkt, zodat het tijdsverloop de bewijswaarde van de vaststellingen niet aantast.

Eiseres in hoger beroep toont bovendien niet aan op welke wijze haar recht van verdediging in casu zou zijn miskend door het tijdsverloop tussen de controle in juni 2017 en de redactie van het proces-verbaal op 6 december 2017. Dat de bewijsplicht van eiseres in hoger beroep zou worden bemoeilijkt, wordt niet aangetoond. Dat zij bepaalde bewijzen of tegenbewijzen niet meer of slechts met veel meer moeite kon aanleveren, betreft een loutere bewering die niet wordt ondersteund door objectieve en controleerbare stukken. Het enkele zeer beperkte tijdsverloop heeft in casu dan ook niet de nietigheid van het proces-verbaal noch een schending van de rechten van verdediging tot gevolg.

Het hof zal de bewijswaarde van de vaststellingen van de verbalisanten, geacteerd in het proces-verbaal d.d. 6 december 2017 ten gronde beoordelen bij de beoordeling van de aan eiseres in hoger beroep verweten inbreuken.

3.6. Ondoelmatig gebruik van controlebevoegdheden, machtsafwending en schending van het loyauteitsbeginsel?

Eiseres in hoger beroep stelt dat de controle op de maatschappelijke zetel in een vijandige sfeer zou hebben plaatsgevonden die gecreëerd zou zijn door de administratie die aan zou hebben gegeven eiseres in hoger beroep dood te zullen taxeren. De administratie zou over het privéhek van de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep zijn gaan gluren. Aldus zou sprake zijn van ondoelmatig gebruik van controlebevoegdheden, machtsafwending en van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het loyauteitsbeginsel.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep zich ter zake beperkt tot loutere beweringen die op geen enkele wijze zijn gestaafd door objectieve en controleerbare stukken. Enige schending van de controlebevoegdheden, van machtafwending of van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan niet worden vastgesteld.

3.7. Ten gronde: wat de voorraadwiiziging betreft.

In het proces-verbaal d.d. 6 december 2017 werd het verschil tussen de beginvoorraad en de eindvoorraad van 2014 ten bedrage van 187.722,89 EUR in toepassing van artikel 64, §1 W.B.T.W. geacht te zijn geleverd onder de voorwaarden waaronder de B.T.W. opeisbaar wordt. De administratie had vastgesteld aan de hand van de neergelegde jaarrekeningen dat de beginvoorraad 715.712,69 EUR bedroeg en de eindvoorraad 903.475,67 EUR. Tevens werd vastgesteld aan de hand van de interne jaarrekening dat geen waardeverminderingen op de voorraad werden geboekt. De administratie stelde dat de voorraadstijging op geen enkele wijze kon worden onderbouwd met bewijskrachtige stukken. Omdat eiseres in hoger beroep niet aantoonde dat deze goederen nog aanwezig waren in haar voorraad op 31 december 2014 werden deze in toepassing van artikel 64, §1 W.B.T.W. geacht te zijn geleverd onder de voorwaarden waaronder de B.T.W. opeisbaar wordt.

Zulks wordt door eiseres in hoger beroep betwist stellende dat een bewijskrachtige voorraadlijst werd voorgelegd en dat de administratie niet bewijst dat de boekhouding niet bewijskrachtig is, minstens dat dit standpunt willekeurig is. Eiseres in hoger beroep stelt dat het saldo van de rekening voorraadwijzigingen niet enkel het resultaat is van de aankoop van handelsgoederen tijdens het bewuste boekjaar maar van diverse elementen, zoals de inkomende en uitgaande voorraden, toevoeging van kosten aan voorraden, inventarisoverschotten en -tekorten, schommelingen van de marktprijs, veroudering, ....

In zoverre de argumentatie van eiseres in hoger beroep betrekking heeft op de bewijskracht van de boekhouding, gaat het hof er niet nader op in nu zulks niet dienstig is voor de beoordeling van de vraag of in deze B.T.W. verschuldigd is naar aanleiding van de voorraadstijging (cfr. supra sub 3.3). Het hof zal zulks onderzoeken aan de hand van de voorgelegde stukken.

Ingevolge artikel 64, §1 W.B.T.W. wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen behoudens tegenbewijs geacht deze goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Artikel 64, § 1 W.B.T.W. houdt een weerlegbaar wettelijk vermoeden in dat de bewijslast omkeert in het voordeel van de belastingadministratie. Indien de belastingadministratie bewijst dat de belastingplichtige goederen, verkregen of geproduceerd om ze te verkopen, heeft geleverd of diensten heeft verricht, moet deze laatste om aan de heffing van B.T.W. over de omzet te ontsnappen, aantonen dat de goederen niet werden verkocht of dat de levering of de dienstverstrekking geheel of ten dele vrijgesteld is van B.T.W. (Cass. 11 maart 2010, A.R. F.09.0032.N). De toepassing van het wettelijk vermoeden vereist dat de administratie voorafgaandelijk bewijst dat de belastingplichtige goederen, verkregen of geproduceerd om te verkopen, heeft geleverd (Cass. 25 januari 2024, A.R. F.22.0027.N).

In casu blijkt de voorraadstijging ten bedrage van 187.722,89 EUR uit de neergelegde jaarrekeningen. De administratie heeft aldus rekening gehouden met vaststaande gegevens.

Voorraden worden gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde of tegen de marktwaarde op balansdatum als die lager is dan de aanschaffingswaarde (CHEVALIER, C., Vademecum Vennootschapsbelasting, 2013, Larcier, Gent, 2013, 123; Com.IB., nr. 24/86). Een stijging van de marktwaarde heeft aldus geen invloed op de voorraadwaardering die in beginsel aan aanschaffingsprijs dient te gebeuren. Aangezien in deze sprake is van een voorraadstijging, kan deze niet het gevolg zijn van een stijging van de marktwaarde. De administratie mocht in deze dan ook aannemen dat de voorraadstijging voortvloeit uit de verkrijging, de aankoop van handelsgoederen.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep in deze niet bewijst dat de betrokken goederen ten belope van de voorraadstijging niet werden verkocht of dat de levering geheel of ten dele vrijgesteld is van B.T.W.. Van een onrechtmatige omkering van de bewijslast is aldus geen sprake. Deze volgt immers uit de toepassing van artikel 64, §1 W.B.T.W.

Het bewijs wordt niet geleverd aan de hand van de voorgelegde inventarislijsten.

Er circuleren twee inventarislijsten per 31 december 2014, deze die in juni 2017 aan de administratie werd bezorgd, de zogenaamde 'juni-versie' en deze die in oktober 2017 aan de administratie werd bezorgd, de zogenaamde 'oktober-versie'.

Voor zoveel als nodig stelt het hof vast dat eiseres in hoger beroep in de mogelijkheid werd gesteld om te antwoorden op stuk 22 dat door de administratie bij haar syntheseconclusie werd neergelegd. Het stuk 22 betreft de volledige 'oktober-versie' van de stocklijst. Aldus heeft eiseres in hoger beroep haar rechten van verdediging kunnen uitputten desbetreffend.

Bovendien stelt het hof vast, behoudens de vaststelling dat het een stuk van eiseres in hoger beroep zelf betreft, dat de volledige 'juni-versie' van de stocklijst (A.D. 21) en de schermafdrukken van de eerste en laatste bladzijde van beide versies (A.D. 1) reeds in het administratief dossier werden opgenomen. Van enige deloyale houding van de administratie is dan ook geen sprake.

Louter aan de hand van de voorgelegde inventarislijsten is niet aangetoond dat de betrokken goederen zich nog in de voorraad zouden bevinden en zulks bij gebrek aan voorlegging van de achterliggende bewijsstukken (aankoop- en verkoopfacturen, betalingsbewijzen, ...). Zulks geldt voor beide versies van de inventaris. De reden waarom door de administratie in oktober 2017 opnieuw om de voorlegging van de inventaris werd gevraagd (nalatigheid, onachtzaamheid, ...?) en de vraag of de 'oktober-versie' wel degelijk de inventaris van 2014 betreft, is derhalve niet relevant. Ook een vergelijking tussen de beide 'versies' van de lijst is niet dienstig voor de oplossing van het geschil. Hieruit kan hoe dan ook geen willekeur worden afgeleid door eiseres in hoger beroep. Het hof gaat hier dan ook niet nader op in.

Behoudens de vaststelling dat de beide versies van de eindvoorraad niet ondersteund worden door achterliggende controleerbare bewijsstukken, stelt het hof vast dat in de 'juni­versie' aanpassingen in min gebeurden voor de ronde bedragen van 35.000 EUR en 125.000 EUR die niet verantwoord worden door stukken en in de 'oktober-versie' een aanpassing in meer ten bedrage van 99.193,61 EUR die evenmin op enigerlei wijze wordt verantwoord. De beginvoorraad werd bovendien aangepast in min eveneens voor niet verantwoorde bedragen van 35.000 EUR en 124.879,52 EUR. De voorgelegde inventarislijsten tonen dan ook geenszins aan dat de betrokken goederen zich nog in de voorraad zouden bevinden of dat de levering ervan was vrijgesteld van B.T.W.. Het hof is dan ook van oordeel dat in casu ten genoege van recht is bewezen dat goederen voor een bedrag van 187.722,89 EUR werden geleverd onder de voorwaarden waaronder de B.T.W. opeisbaar wordt. Aldus werd terecht een bedrag van 39.421,81 EUR nagevorderd als B.T.W. In casu blijkt niet dat de administratie zich aldus op onjuiste feiten heeft gebaseerd of uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid. De administratie steunde zich immers op de jaarrekeningen van eiseres in hoger beroep. Van willekeur is geen sprake.

3.8. Ten gronde: wat betreft de omzetvermindering in januari, februari en maart 2014.

In het proces-verbaal d.d. 6 december 2017 werd vastgesteld dat de aangegeven omzet in januari 2014 voor 15.000 EUR, in februari 2014 voor 10.000 EUR en in maart 2014 voor 5.000 EUR, zonder verantwoording werd verminderd, waardoor aldus te weinig toonbankverkopen werden aangegeven in de respectievelijke periodieke aangiften. Eiseres in hoger beroep verwijst ter zake naar het verslag van bedrijfsrevisor F.B. en stelt dienaangaande dat het een terugname van de omzet zou betreffen die ten onrechte in het voorgaande boekjaar, in december 2013, zou zijn geboekt. Het zou gaan om bestellingen die nog niet werden afgehaald en ook nog niet werden betaald of gefactureerd en die in 2014 zou worden afgehaald.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep het bewijs hiervan niet levert. Het verkoopdagboek vermeldt in december 2013 een bedrag van 40.023,09 EUR en een handgeschreven berekeningsblad voor december 2013 vermeldt een bedrag van 30.000 EUR als openstaande particulieren (A.D. 1, bijlage 10). Er blijkt niet dat in het bedrag van 40.023,09 EUR bestellingen zijn opgenomen voor een bedrag van 30.000 EUR. Enig detail wordt niet voorgelegd, noch van het bedrag, noch van de bestelde goederen. Evenmin worden corresponderende verkoopfacturen en betalingen in januari, februari en maart 2014 voorgelegd. De toelichting door bedrijfsrevisor F.B. wordt niet ondersteund door objectieve en controleerbare stukken. Bij gebrek aan verantwoording van de omzetvermindering werd terecht de B.T.W. op het bedrag van 30.000 EUR nagevorderd voor een bedrag van 5.206,62 EUR (2.603,31 + 1.735,54 EUR + 867,77).

3.9. Ten gronde: negatieve verkoopfacturen.

In januari en in juli 2014 werd zonder verantwoording een negatieve factuur geboekt ingevolge waarvan respectievelijk een bedrag van 1.501,34 EUR en 459,52 EUR als B.T.W. wordt nagevorderd.

Het hof stelt vast dat zulks niet betwist wordt door eiseres in hoger beroep voor wat betreft de factuur van juli 2014. Het hof gaat er dan ook niet nader op in.

Wat de factuur van januari 2014 betreft, stelt het hof vast dat het bedrag van de verschuldigde B.T.W. werd verminderd met 1.501,34 EUR in de beslissing d.d. 25 januari 2019 over het bezwaar tegen het proces-verbaal d.d. 6 december 2017 (A.D. 4 p. 9). Deze grief is dan ook zonder voorwerp.

3.10. Ten gronde: laattiidige boeking verkoopfactuur 201400360.

Naar aanleiding van de laattijdige aangifte van de betrokken factuur wordt een bedrag van 504 EUR als nalatigheidsintresten nagevorderd.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep de laattijdige aangifte als zodanig niet betwist, doch stelt dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de boekhouding niet bewijskrachtig zou zijn. In acht genomen dat de beoordeling van de bewijskracht van de boekhouding in deze niet dienstig is voor de oplossing van het geschil en nu de laattijdige aangifte niet wordt betwist, gaat het hof hier niet nader op in.

3.11. Ten gronde: wat betreft de inbreuken inzake de vermeldingen op de facturen.

Naar aanleiding van globale vermeldingen op 216 facturen wordt eiseres in hoger beroep een B.T.W.-boete opgelegd van 100%, ofwel 33.038,22 EUR. De betrokken facturen werden bijna alle uitgereikt met als vermelding 'relatiegeschenken van minder dan 50 EUR individueel verpakt'.

Eiseres in hoger beroep stelt dat zij er op mocht vertrouwen dat zij ter zake in regel was, gelet op de fiscale controle in mei 2010 en beroept zich ter zake op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Zij stelt dat de boete onterecht werd opgelegd omdat aan het overgrote deel van de facturen een detail werd gehecht, dan wel dat de factuur zelf een gedetailleerde omschrijving bevat. Minstens is de opgelegde sanctie disproportioneel en dient deze te worden verminderd in overeenstemming met de aard en de ernst van de overtreding.

Wat de fiscale controle in mei 2010 betreft, stelt het hof vast dat niet blijkt wat destijds werd gecontroleerd. Althans blijkt nergens uit dat bij deze controle de vermelding 'relatiegeschenken van minder dan 50 EUR individueel verpakt' als afdoende zou zijn erkend door de administratie. Van enige schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel is geen sprake.

Het hof treedt voorts het standpunt van de eerste rechter bij dat er in deze voor de 216 betrokken facturen niet voldaan is aan de voorwaarden van de artikelen 53, §2 en 54 W.B.T.W. en artikel 5, §1, 6' K.B. nr. 1, gelet op de globale omschrijving van de geleverde goederen. De betrokken facturen zijn niet gedetailleerd. Aan verschillende facturen werd wel een briefje gehecht dan wel later tijdens de controle aan de administratie bezorgd, doch deze zijn niet genummerd, niet gedateerd en bevatten slechts summiere verwijzingen naar de betrokken facturen wat betreft de gefactureerde goederen en de klant. De briefjes zijn in sommige gevallen tegenstrijdig met de vermeldingen op de factuur omdat ze verkopen van meer dan 50 EUR vermelden of omdat er geen verpakking wordt aangerekend.

Terecht werd eiseres in hoger beroep dan ook een geldboete opgelegd in toepassing van artikel 70, §2 W.B.T.W..

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.B.T.W. te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

In casu werd de geldboete opgelegd omdat 216 facturen met globale vermeldingen werden uitgereikt. De opgelegde boete bedraagt 33.038,22 EUR en is aldus gelijk aan de B.T.W. die in de betrokken facturen werd aangerekend.

Het hof is van oordeel dat het opleggen van geldboete van 100% van de aangerekende B.T.W., in casu onevenredig is met de ernst van de inbreuk, zijnde het uitreiken van facturen met globale, niet gedetailleerde vermeldingen. Het hof neemt hierbij in hoofdzaak in aanmerking dat er niet betwist wordt dat de door eiseres in hoger beroep aangerekende B.T.W. correct werd aangegeven en aan de Belgische Schatkist werd betaald. Ook neemt het hof in aanmerking dat niet blijkt dat eiseres in hoger beroep bij de uitreiking van de facturen handelde met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Het opleggen van een geldboete van 100% is in die context niet evenredig met de gepleegde inbreuk.

Het hof is van oordeel dat de het opleggen van een geldboete van 20%, of 6.600 EUR, afgerond tot het lagere tiental, in casu evenredig is met de gepleegde inbreuken. Aldus wordt tegemoet gekomen aan het feit dat eiseres in hoger beroep door de globale vermeldingen op de facturen mogelijke fraude door haar klanten faciliteerde. De nagevorderde B.T.W.-boete van 42.350 EUR wordt aldus verminderd met een bedrag van 26.400 EUR.


Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ontvankelijk en deels gegrond. Het vonnis van de eerste rechter wordt deels hervormd.

Partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding op 4.500 EUR per aanleg. Eiseres in hoger beroep vordert tevens de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 20 EUR in eerste aanleg en 24 EUR in hoger beroep. Aangezien beide partijen elk deels in het ongelijk worden gesteld, worden de kosten omgeslagen tussen partijen zoals hierna bepaald. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verweerder in hoger beroep niet werd vertegenwoordigd door een raadsman.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg..

Dispositif

4. Beslissing.

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof houdt stuk 57 van eiseres in hoger beroep buiten het beraad.

Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond als volgt. Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond als volgt en vernietigt B.T.W.-vordering met schuldnummer 500.189644.874, opgenomen in het innings- en invorderingsregister 201910NL021 in de mate een geldboete wordt nagevorderd die meer bedraagt dan 15.950 EUR.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis voor het overige.

Het hof beveelt de terugbetaling van de ten onrechte ingehouden dan wel betaalde bedragen, meer moratoriumintresten in toepassing van artikel 91 W.B.T.W..

Het hof vereffent de kosten van het geding op 4.500 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 4.500 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en op de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 20 EUR in eerste aanleg en 24 EUR in hoger beroep en slaat deze kosten om als volgt. Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot 0 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 0 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Het hof veroordeelt verweerder in hoger beroep tot 1.125 EUR (1/4de van 4.500 EUR) rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en tot 1.125 EUR (1/4de van 4.500 EUR) rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en tot 5 EUR (1/4de van 20 EUR) bijzondere bijdrage begrotingsfonds in eerste aanleg en tot 6 EUR (1/4de van 24 EUR) bijzondere bijdrage begrotingsfonds in hoger beroep.

Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 28 januari 2025 door

C. PRINCEN

E. DE BRAUWER

K. LEYSEN

E. CLEYMANS

Raadsheer dd. voorzitter

Raadsheer

Raadsheer

Griffier

Textes cités

1
AR no 1 art. 51 occurrence

Décisions similaires

8