Champ d'application, service, opération imposable · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 14 janvier 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, service, opération imposableTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-oudenaarde-2002-01-14-be18

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
14 janvier 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

72 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Oudenaerde du 14.01.2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer, zetelend in burgerlijke zaken, heeft volgend vonnis geveld :

Vonnis d.d. 14 januari 2002

Algemene rol nr .: 97/28355/A

Ten verzoeke van :

BVBA H. O. E., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Oudenaarde onder het nummer …;

eiseres,

bij exploot van gerechtsdeurwaarder A. C. te … d.d. 1 augustus 1997;

hebbende als raadsman Mr. J. D. K., advocaat te …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting over de toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Hoofdcontroleur van de Eerste Controle van de BTW te Zottegem, wiens kantoren gevestigd zijn te 9620 Zottegem, H. Hartplein nr. 34;

verweerster,

hebbende als raadsman Mr. G. D. L., advocaat te …;

De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd.

De rechtbank hoorde partijen bij monde van hun raadsman in hun middelen en conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien.

Het inleidend exploot strekt tot veroordeling van gedaagde tot betaling van 99.024 F in hoofdsom.

Eiseres stelt dat ze ten onrechte BTW betaalde op enerzijds de leasing van een personenwagen ten bedrage van 85.371 F, anderzijds op onthaal-drank en geschenken ten bedrage van 13 653 F.

Wat betreft de BTW op de leasingwagen stelt ze dat er ingevolge de Europese richtlijn geen dubbele heffing mag gebeuren en de heffing uitsluitend ten laste zou vallen van de eindgebruiker.

Wat betreft de BTW op onthaal-drank en geschenken wordt ter zitting uiteindelijk niet meer aangedrongen, daar waar het zou gaan om een principieel standpunt en een pure interpretatie van de controleur ter zake de wijze van verkoopstimulering.

Verweerster steunt zich op artikel 45, § 2 W.BTW en stelt dat bij controle gebleken was dat eiseres over de periode van 1 oktober 1992 tot en met 1 december 1994 een wagen had gehuurd, eerst bij de I. bank, NV L. A. en de daarop betaalde BTW volledig had afgetrokken, daar waar dit maar 50 % mocht zijn.

De redenering van eiseres dat ze dit voertuig verder verhuurde aan de NV … , waar de aftrekbeperking van artikel 45, § 2 wel toegepast werd, waardoor het opleggen van een beperking aan haar zou neerkomen op een dubbele belasting, wordt door verweerster afgewezen.

De wettekst zou zeer duidelijk zijn en beperkend geïnterpreteerd moeten worden waarbij eiseres, als verkoopster van kantoormachines en niet als verhuurbedrijf van wagens, niet onder de uitzonderingen zou vallen.

Verweerster verwijst in dit verband naar uitgebreide rechtspraak.

In eerste besluiten stelt eiseres dat haar vroegere zaakvoerder en aandeelhouder een firmawagen zou gebruiken, dewelke dan ook besteld werd.

Naderhand zou deze zaakvoerder gemuteerd zijn en zou er afgesproken zijn dat de aangegane leasing zou overgeplaatst worden.

Het bestaande contract liep verder, doch werd zonder enige winst doorgefactureerd naar zeggen van eiseres, na consultatie van de BTW-administratie te Oudenaarde.

In rechte stelt ze het voertuig niet verhuurd te hebben, doch enkel louter administratief de kosten doorgerekend te hebben.

Aldus zou verweerster de termen van het contract miskend hebben.

In elk geval zou de reel “non bis in idem” dienen toegepast te worden.

Subsidiair biedt ze het bewijs aan, door alle middelen van recht, dat de BTW-administratie te Oudenaarde het niet verschuldigd zijn bevestigde, waar het om een “neutrale” operatie ging.

In aanvullende besluiten stelt verweerster dat eiseres diende toepassing te maken van art. 45, § 2 W.BTW en de aftrek te beperken tot 50 %.

Het feit dat de leasingoperatie gewoon werd doorgefactureerd zonder winst, zou geen rol spelen, daar waar het winstcriterium in BTW niet speelt.

In tweede besluiten stelt eiseres dat de redenering van verweerster naast de kwestie is.

De door haar aangehaalde rechtspraak zou immers betrekking hebben op de vraag of iemand al dan niet als beroepsverhuurder van auto’s wordt beschouwd.

Eiseres zou integendeel steeds gesteld hebben niet verhuurd te hebben, enkel een factuur doorgestuurd hebben.

In volgende besluiten argumenteert verweerster dat deze doorsturing precies bewijst dat eiseres dient beschouwd te worden als een commissionair inzake diensten, bij toepassing van art. 13 en 20 BTW-Wetboek.

Aldus zouden er wel degelijk twee afzonderlijke diensten zijn en geenszins een dubbele belasting.

Eiseres stelt dan dat verweerster moet bewijzen dat ze tussenpersoon was, wat niet het geval was, nu het oorspronkelijk contract afgesloten werd tussen haar en de leasingmaatschappij en er geen sprake was van de andere vennootschap.

Ze werd pas later een administratief doorgeefluik om administratieve rompslomp te vermijden.

In laatste besluiten stelt verweerster dat eiseres ofwel loutere doorfacturatie deed van kosten, ofwel dat de doorgerekende kosten bijdroegen tot het verlenen van bepaalde prestaties, quod non.

Aldus zou noodzakelijkerwijze toepassing moeten gemaakt worden van de commissionair structuur, met de wettelijke fictie waarbij de tussenpersoon gelijkgesteld wordt met de commissionair.

Tenslotte stelt eiseres nogmaals geen tussenpersoon te zijn, dat dit niet bewezen is, dat ze geen kosten gefactureerd kreeg en derhalve ook niet door factureerde en ze neemt akte van het feit, dat er geen verzet is tegen het getuigenverhoor.

Bespreking

Vooreerst is het zo dat, volledigheidshalve, uit de opgave van de vaststellingen d.d. 18 november 1996 blijkt dat eiseres zich volledig akkoord verklaarde met de minnelijke inregelstelling met uitzondering van dea aftrekregeling voor de leasing van de auto.

Dit betekent meteen dat er geen discussie meer kan zijn omtrent de ook in deze inregelstelling verworpen kosten voor onthaal en drank en er werd dus terecht niet meer aangedrongen op dit laatste punt.

Wat betreft de aftrek voor de leasing is er vooreerst de duidelijke tekst van artikel 45, § 2 W.BTW.

Er is het principe van de aftrekbaarheid voor 50 % en er zijn de zeer beperkte uitzonderingen.

Het is duidelijk dat eiseres onder geen dezer uitzonderingen figureert en de aftrek dient derhalve beperkt te worden tot 50 %.

Waar ze voorhoudt dat ze enkel een soort van doorgeefluik was van een factuur is het al even apert dat verweerster terecht verwijst naar artikel 13 en 20 W.BTW.

Artikel 13, § 2 heeft het over de tussenpersoon die in enigerlei hoedanigheid een op zijn naam gestelde factuur ontvangt of uitreikt.

Hier moet eiseres uiteraard zelf toegeven dat ze “een doorgeefluik” was en dus een op haar naam ontvangen factuur verder uitreikte.

Of de vennootschap aan wie de factuur uiteindelijk uitgereikt werd reeds bestond bij het ontstaan van het oorspronkelijk contract is hier verder van geen belang.

Er kan dan ook geen sprake zijn van een onrechtmatige dubbele betaling en de verplichting is gebaseerd op precieze wetsartikelen.

Eisers biedt tenslotte het verdere bewijs aan van de beweerde verkeerd voorlichting.

Ze baseert zich hier op een totaal andere rechtsgrond, met name het foutief optreden van de administratie.

Vooreerst is het zo dat dit bewijsaanbod nergens in het dispositief van een besluit vermeld wordt.

Verder verwijst eiseres naar briefwisseling, dewelke echter niet voorgelegd wordt, doch het kan blijken dat heet hier hoe dan ook om brieven uitgaande van eiseres gaat.

Eiseres stelt verder dat de verkeerde inlichtingen verstrekt werden aan haar toenmalige zaakvoerder, dewelke bezwaarlijk als onmiddellijk betrokken partij.

In deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiseres zich hoe dan ook diende te houden aan de wettelijke bepalingen en het aangeboden bewijs komt niet dienend voor.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

rechtdoende op tegenspraak

Verklaart de eis ontvankelijk, doch wijst de vordering van eiseres af als ongegrond,

Veroordeelt haar tot de kosten in hoofde van verweerster begroot op 327,22 euro.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Oudenaarde op veertien januari tweeduizend en twee.

Aanwezig :

De heer A. S., Voorzitter, voorzitter der kamer;

Mevrouw M. M. T., griffier;

M. M. T. A. S.

Textes cités

2
CTVA art. 131 occurrence
CTVA art. 201 occurrence

Décisions similaires

8