Champ d'application, service, opération imposable, établissement de la taxe · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 8 mai 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, service, opération imposable, établissement de la taxeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-tribunal-gand-2003-05-08-e8e3

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
8 mai 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

81 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 08.05.2003

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

ZESDE KAMER – OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 mei 2002

Algemene rol nummer : 01/2400/A

In de zaak van :

VZW I. V. B., met zetel te …, …, vertegenwoordigd overeenkomstig artikel 27 van de statuten door L. H. V., voorzitter en L. V. D. B., bestuurder-directeur

eiseres,

voor wie optreedt mr. N. V. en B. d. D., advocaat te …, …

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door Rekenplichtige van het Eerste BTW-ontvangkantoor te Gent, gevestigd aan de Martelaarslaan 23 te 9000 Gent,

verweerder,

voor wie optreedt mr. E. V. A., advocaat te …, …,

1. PROCEDURE

De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 3.4.2003, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding, de onderscheiden conclusies van partij en evenals de onderscheiden dossiers van partijen.

2. DE VORDERING

De vordering van eiseres strekt ertoe in een vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen zeggen voor recht dat het bedrag van € 181.407,50 BTW, € 43;478,54 intresten en € 18 740,75 boeten, hetzij een totaal van € 249.626,79 dient teruggestort te worden;

verweerder te veroordelen tot de gerechtskosten met inbegrip van de rechtplegingsvergoeding alsmede de gelopen intresten.

3. FEITEN

Eiseres is wegens haar economische activiteit bestaande in het realiseren van onderzoeksprojecten rond de ''corporate governance" van·ondernemingen alsook rond de wijze van uitoefenen van de functie van bestuurder in een onderneming als BTW­belastingplichtige geregistreerd onder het nummer .. en onderworpen aan de BTW-wetgeving. De onderzoeksresultaten worden in een voor elke onderneming geïndividualiseerde vorm aan de leden ter beschikking gesteld.

Op 30.9.1996 richtte eiseres aan de centrale Administratie BTW een schrijven waarin zij stelt :

"De financiering die het mogelijk moet maken om deze onderzoeksprojecten op te starten komen uit twee bronnen :

- enerzijds zal elk lid een bijdrage betalen die overeenstemt met de individuele diensten die jaarlijks door de VZW zullen worden gepresteerd.

…

- anderzijds zullen de leden in de mogelijkheid worden gesteld om een zetel te krijgen in de raad van beheer, mits daartegenover een financiële bijdrage staat ....

De leden verliezen vanzelfsprekend hun zetel in de raad van beheer, indien zij deze jaarlijkse vergoeding niet of niet langer wensen te betalen.

…

Haar economische activiteit, die zij geregeld en zelfstandig uitoefent, bestaat inderdaad in de levering van geïndividualiseerde diensten aan de leden.

Op de vergoeding die daarvoor wordt aangerekend, zal dan ook de BTW worden aangerekend.

Daarentegen is o.i. de vergoeding die de leden betalen om te kunnen zetelen in de raad van beheer van de VZW, niet aan de BTW­heffing onderworpen.

Deze brief strekt ertoe om van u de bevestiging te krijgen dat de sommen die door de leden van de VZW worden betaald teneinde zitting te verkrijgen in de raad van beheer van de VZW buiten de werkingssfeer vallen van de BTW en derhalve niet moeten worden opgenomen in het pro rata."

Op 17.11.1998 deelde de administratie haar antwoord mee.

''Rekening houdend met hetgeen voorafgaat zijn alle door de VZW Instituut der Bestuurders ontvangen lidgelden die aangewend worden om de onderzoeksprojecten te financieren volgens de normale regels aan de BTW onderworpen."

In een schrijven van 18.12.1998 vroeg eiseres dit antwoord te verduidelijken, wat door de administratie op 18.1.1999 gebeurde.

"Alle door de VZW Instituut der Bestuurders ontvangen lidgelden, met inbegrip van de vergoeding "voor het recht om een bestuurder voor te dragen'', dienen te worden aangemerkt als de vergoedingen voor een geheel van diensten als bedoeld in art. 18, § 1, tweede lid, 1° van het BTW-Wetboek''.

Inmiddels vond op 6.1.1999 een BTW-controle plaats bij eiseres over de periode 1.1.1996 tot 30.9.1998 wat resulteerde in een correctieopgave waarin op de door de leden betaalde bijdragen om te zetelen in de raad van beheer BTW werd gevorderd.

Ondanks het bezwaar van eiseres bleef verweerder bij zijn standpunt.

Eiseres betaalde onder voorbehoud.

Eiseres kan zich hiermee niet verzoenen en voert aan :

de bijdrage betaald voor een zetel in de raad van bestuur vormt niet de tegenprestatie van een door de VZW verstrekte dienst zodat hierop geen BTW verschuldigd is;

de administratie heeft de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, enerzijds het beginsel van de redelijke termijn door op een vraag om inlichtingen van eiseres pas na verloop van ruim twee jaar te antwoorden, anderzijds het zorgvuldigheidsbeginsel omdat de administratie in haar schrijven van 18.1.1999 een interpretatie gaf die in strijd was met de bewoordingen van de beslissing van 17.11.1998.

4. BESPREKING

M.b.t. de bijdragen om in de raad van bestuur te zetelen

1. Aan de BTW zijn onderworpen, wanneer ze in België plaatsvinden, de levering van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige, onder bezwarende titel worden verricht (art. 2 W.BTW).

2. De betwisting betreft de vraag of de toekenning van het recht deel te nemen aan de Raad van Bestuur een dienst is als bedoeld in het BTW-wetboek en of deze dienst belastbaar is met BTW.

3. Art. 6, lid 1 van de zesde richtlijn, zoals omgezet in art. 18, § 1, eerste lid W.BTW stelt dat elke handeling die geen levering van een goed is als een dienst wordt beschouwd.

Bovendien stelt art. 2 van de eerste richtlijn dat de BTW een verbruiksbelasting is. M.a.w. er is slechts sprake van een dienst als de verkrijger de dienst verkrijgt voor eigen gebruik (cfr. H.v.J., C-215/94, van 29 februari 1996, inzake Mohr, F.J.F., 96/168).

Uit art. 26 van de statuten blijkt dat de leden van de raad van bestuur gekozen worden door de algemene vergadering, zodat de verkiezing van die leden van de raad van bestuur op zich geen dienst is als bedoeld in het W.BTW.

Uit de voorliggende stukken blijkt evenwel dat om lid van de raad van bestuur te worden de VZW voor bepaalde kandidaten deze kandidatuur afhankelijk stelt van het betalen van een bepaalde bijdrage zonder welke men het recht niet heeft deel te nemen aan de raad van bestuur.

Het doel van de bijdrage persoon is dan ook dat de persoon die ervoor betaalt het voordeel - het recht- krijgt waardoor hij dienst wordt aangemerkt.

De toekenning van het recht om te zetelen in de raad van bestuur is dan ook een dienst.

4. Ten onrechte meent eiseres het arrest van het H.v.J., C-102/86 van 8 maart 1988, inzake Apple & Pear Developement Council, R.W., 1990-1991, 535, in haar voordeel te kunnen inroepen nu de feiten die aan de basis liggen niet vergelijkbaar zijn met onderhavig geval.

In onderhavig geval bestaat een aanwijsbaar en rechtstreeks verband tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde.

Het feit dat de VZW deze tegenwaarde (bijkomende financiële middelen) gebruikt voor de werkzaamheden van de VZW doet hieraan geen afbreuk.

Bovendien wordt in casu de bijdrage niet als een wettelijke verplichting opgelegd.

5. Een dienst is pas belastbaar wanneer hij onder bezwarende titel gebeurt.

In casu blijkt uit de overgelegde stukken en de briefwisseling tussen partijen dat tussen de VZW en de genieter van de dienst een overeenkomst bestaat waarbij over en weer de prestaties worden uitgewisseld (de VZW verschaft het recht deel te nemen aan de raad van bestuur, terwijl de ontvanger van de dienst daarvoor een bijdrage betaalt); dat de door de VZW ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde is van de aan de ontvanger verleende dienst (de hoogte van de bijdrage werd ingevolge negotiatie bepaald en vormt duo de werkelijke en subjectieve tegenwaarde van de verstrekte dienst).

6. Verweerder stelt dan ook terecht dat de bijdragen die de leden betalen waardoor ze in de mogelijkheid worden, gesteld om een zetel te krijgen in de raad van beheer als een vergoeding voor een dienst als bedoeld in art. 18, § 1, eerste lid, 1 ° W.BTW dient aangemerkt, zodat hierop BTW verschuldigd is.

M.b.t. de beginselen van behoorlijk bestuur

1. De rechtbank is van oordeel dat de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de verplichting voor de overheid om binnen een redelijke termijn te handelen in casu te antwoorden niets anders zijn dan de jurisprudentiële concretiseringen van de vage zorgvuldigheidsnorm van art. 1382 B.W. naar het bestuur toe. (zie Opdebeek, I, Rechtsbescherming tegen het stilzitten van het bestuur, Die Keure, 1992, nr. 60, p. 31-32).

Zelfs indien verweerder in casu niet binnen een redelijke termijn antwoordde, dan·betekent dit niet dat hij akkoord was met het standpunt van eiseres. Van bij de ontvangst van de vraag blijkt dat er een discussie ontstond tussen partijen waarbij de administratie meermaals bijkomende inlichtingen vroeg aan eiseres die hem moesten toelaten een standpunt in te nemen, zodat eiseres er redelijkerwijs kon van uitgaan dat verweerder alsnog zou antwoorden. Bovendien kan de administratie op grond van het karakter van openbare orde van de fiscale wetgeving niet door middel van een individuele toezegging afwijken van de wet.

Eiseres stelt dan ook ten onrechte dat doordat verweerder niet binnen een redelijke termijn antwoordde zij een schade heeft geleden aan de BTW-schuld.

2. De rechtbank stelt vast na vergelijking van de vraag d.d. 30.9.1996 en het antwoord d.d. 17.11.1998 dat de administratie in haar antwoord wel degelijk de twee soorten ontvangsten heeft bedoeld nu bovendien niets meer wordt gezegd over de pro rata. Bovendien wordt ·door verweerder binnen de maand geantwoord op de vraag om verduidelijking zodat verweerder geen inbreuk op het zorgvuldigheidsbeginsel kan verweten worden.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd;

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond;

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt :

aan de zijde van eiseres :

dagvaardingskosten : € 240,88 (9.717 frank)

rechtsplegingsvergoeding : € 334,66;

aan de zijde van verweerder :

rechtplegingsvergoeding : € 334,66;

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op acht mei tweeduizend en drie, waar aanwezig waren :

J. D. B., alleenzetelend rechter,

J. D. T., griffier.

J. D. T. J. D. B.

Textes cités

5
CTVA art. 181 occurrence
1re directive 67/227 art. 21 occurrence

Décisions similaires

8