Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 23.03.2001
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANEG TE BRUSSEL, 24ste KAMER
Eindvonnis na tegenspraak
Vordering tot nietigverklaring dwangbevel
Inzake :
’s H. NV, met maatschappelijke zetel …, …
eiseres op verzet,
vertegenwoordigd door mr. I. v. D., advocaat met kantoor te …, … en mr. A. D. loco mr. A. V., advocaat met kantoor te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTWOntvangkantoor te Vilvoorde, wiens burelen gevestigd zijn te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51-57,
verweerder op verzet,
vertegenwoordigd door mr. L. V. B. loco mr. M. V. A., advocaat met kantoor te …, ….
In deze zaak, in beraad genomen op 15 december 2000, spreekt de rechtbank het volgend vonnis uit :
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde procedurestukken, inzonderheid :
- de geding inleidende dagvaarding, betekend hij deurwaardersexploot van 17 maart 1998;
- de conclusie van eiseres op verzet twee maal neergelegd ter griffie op 11.9.2000 en 27.9.2000;
- de besluiten van verweerder op verzet neergelegd ter griffie op 7.5.1999;
Gehoord de raadsleden van partijen In hun pleidooien ter zitting van 15 december 2000, datum waarop de stavingsstukken neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
1. Relevante feiten en voorgaanden
Eiseres werd opgericht op 10 mei 1991 met als maatschappelijk doel voornamelijk het oprichten en uitbaten van accommodaties en instellingen voor bejaarden.
Inzake BTW werd op 14 juni 1991 een aangifte van de aanvang van werkzaamheid ingediend, waarin de voornaamste werkzaamheid als volgt werd omschreven :
"oprichting privé-bejaardentehuis met exploitatie van de hotelfunctie (logies en voeding)"
In uitvoering van dit maatschappelijk doel bouwde eiseres een pand voorzien van de noodzakelijke accommodatie opgelegd door de normering aangaande rust-·en verzorgingstehuizen, gelegen te …, ….
Het tehuis wordt uitgebaat door CV S. T. M., eveneens opgericht op 10 mei 1991, die een erkenning aanvroeg en verkreeg onder nummer PE nr. … als exploitant van een rust- en verzorgingstehuis en als dusdanig vrijgesteld van BTW (artikel 44, § 2, 2° W.BTW).
De erkende uitbaatster (de CV S. T. M.) verstrekt zelf de medische verzorging en verpleging, de organisatie van ergotherapeutische begeleiding enz., doch doet voor de hotelfunctie, nl. het verstrekken van logies (tegen 611 BEF/dag/persoon excl. BTW) en het verstrekken van de maaltijden (210 BEF/dag /persoon excl. BTW), beroep op eiseres.
Deze diensten worden verstrekt in uitvoering van een overeenkomst van 13 april 1993 tussen eiseres en de CV S. T. M..
De CV T. M. factureert op haar beurt de totaliteit van de verleende diensten (verblijfs- en andere kosten) aan de haar toevertrouwde bejaarden. De CV heeft geen enkel recht op BTWaftrek, gezien de vrijstelling.
Van bij de oprichting liet eiseres zich registreren als BTWbelastingplichtige, en bekwam zij vanwege de bevoegde BTWcontrole Asse de schriftelijke bevestiging dat zij in haar hoedanigheid van BTW-belastingplichtige, het recht op aftrek kan uitoefenen.
Aangezien eiseres voor haar volledige activiteit, het verschaffen van logies en maaltijden, ressorteerde onder BTW, heeft zij derhalve alle BTW op de jaar geleverde goederen en diensten in aftrek genomen.
Pas op 10 oktober 1996 ging er een eerste BTW-controle door over de periode 01.01.1992-30.09.1995.
De instruerende ambtenaar besloot dat de aftrek van de BTW op de oprichting van het gebouw ten onrechte werd verricht en wel op volgende motivering in eerste instantie geformuleerd in een correctieopgave :
"Uit het onderzoek is gebleken dat het bejaardentehuis door en op grond van de NV ’s H. werd opgericht en dat de overeenkomst tussen de bewoner en het rusthuis, voor wat de bejaarden betreft wordt gesloten door de CV “T. M.''.
Alleen de door de bevoegde overheid erkende vennootschap, in casu de CV "T. M." kan diensten en leveringen verstrekken aan de in het rusthuis verblijvende bejaarden, die als dusdanig op grond van artikel 44, § 2 - 2° W.BTW zijn vrijgesteld.
De NV ’s H. kan dus geen diensten verstrekken aan bejaarden, doch wel verhuur van roerende goederen, leveringen van bereide maaltijden enz. en derhalve in die mate de hoedanigheid van belastingplichtige krijgen.
Hieruit volgt dat de terbeschikkingstelling van de kamers moet worden aangemerkt als onroerende verhuur en dat de BTW voor de oprichting van het gebouw niet voor aftrek in aanmerking komt."
Aangezien eiseres met deze zienswijze niet kon instemmen, ging de controleur over tot het opstellen van een proces-verbaal, gedateerd 13 maart 1997, waarin de motivering werd aangevuld op basis van artikel 15, § 2 van het Besluit van de Vlaamse Executieve tot coördinatie van de diensten inzake de voorzieningen voor bejaarden van 18 december 1991 :
"Uit het onderzoek is gebleken dat het bejaardentehuis enerzijds door de NV ’s H. werd opgericht op een perceel grond dat eigendom is van deze vennootschap, en dat anderzijds de overeenkomst tussen de bewoner en het rustoord voor bejaarden (het gebouw eigendom van de NV ’s H.) wordt gesloten door de CV "S. T. M." te …, ….
Aangezien de overeenkomst tussen de CV S. T. M. en de bejaarden voorziet in de terbeschikkingstelling van kamers in het gebouw dat eigendom is van de NV ’s H., maakt onder de gegeven omstandigheden het gebouw in de relatie tussen de NV ‘s H. en de CV S. T. M. het voorwerp uit van een terbeschikkingstelling zodat ten aanzien van de NV ’s H. die handeling als een onroerende verhuur moet worden aangemerkt die op grond van artikel 44, § 3, 2° van het BTW-Wetboek is vrijgesteld van de belasting.
De BTW geheven van de oprichting van het bedoelde gebouw kan derhalve niet in aftrek worden gebracht.
Overigens bepaalt artikel 15, § 2 van het Besluit van de Vlaamse Executieve tot coördinatie van de diensten inzake de voorzieningen voor bejaarden van 18 december 1991 dat de exploitatie dient te gebeuren door één enkele natuurlijke persoon of rechtspersoon en dat deze zowel verantwoordelijk is voor de individuele opnames of verhuring als voor de organisatie van de zorg- en dienstverlening hetgeen dus noodzakelijkerwijze insluit dat alleen de door de bevoegde overheid erkende vennootschap (in casu de CV S. T. M.) diensten en leveringen kan verstrekken aan de in het rusthuis verblijvende bejaarden, welke als dusdanig op grond van artikel 44, lid 2, 2° van het BTW-Wetboek zijn vrijgesteld van de belasting.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat met betrekking tot de periode voorafgaand aan 1 januari 1993 de verhuur van onroerende goederen buiten de werkingssfeer van de BTW viel en dat vanaf 1 januari 1993 die handeling krachtens artikel 44, § 3, 2° van het BTWWetboek is vrijgesteld van de belasting.
In beide gevallen gaat het om handelingen die niet bedoeld zijn in artikel 45, § 1, 1° tot 5°, van het BTW-Wetboek en derhalve geen recht op aftrek geven.
Uit het bovenstaande volgt dat de BTW geheven van navermelde handelingen, niet voor aftrek in aanmerking komt (volgt de lijst van verworpen facturen en handelingen, de berekening van de verschuldigde BTW ten bedrage van 10.032.384 BEF, de geldboete van 1.003.000 BEF of 1.416.500 BEF in geval van een dwangbevel en de intrest aan 0,8 % per maand te berekenen over 10.032.000 BEF vanaf 21 oktober 1995)"
Het proces-verbaal werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14 maart 1997 en in bijlage van het dwangbevel d.d. 17 maart 1997 aan eiseres betekend bij aangetekend schrijven, nadien op 10 juni 1997 bij gerechtsdeurwaardersexploot, met bevel tot betalen.
Aanlegster heeft betalingen overgemaakt voor een bedrag van 499.368 BEF (12.379,01 EURO) en deze betalingen werden voor 302.836 BEF (7.507,11 EURO) toegerekend op de interesten, voor 181.785 BEF (4.506,33 EURO) toegerekend op de moratoire interesten en voor 14.747 BEF (365,57 EURO) toegerekend op de kosten.
Ten verzoeke van verweerder werd gerechtsdeurwaarder L. K. op 11 juli 1997 belast met een uitvoerend roerend beslag op de goederen van aanlegster. Noch op haar maatschappelijke zetel te …, …, noch op een andere plaats in het gerechtelijk arrondissement … bezit aanlegster roerende goederen. Dientengevolge werd de poging tot beslag omgezet in een proces-verbaal van niet-bevinding.
Bij exploot van 17 maart 1998 tekende eiseres verzet aan tegen dit dwangbevel.
2. Vorderingen van de partijen
Eiseres vraagt :
- het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren
- IN HOOFDORDE het genoemde dwangbevel te vernietigen en de vordering van de Belgische Staat ongegrond te verklaren.
- IN SUBSIDIAIRE ORDE de opgelegde geldboete integraal kwijt te schelden, minstens te verminderen tot een passend bedrag.
- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd, verhoogd met de intresten sedert de datum van de betaling of inhouding, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan eiseres aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten.
- De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten.
De Belgische Staat vraagt het verzet ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, aanlegster in haar eis af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding.
3. In rechte
Volgens Artikel 44 van het BTW-Wetboek geldt :
''§ 1. Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten door de nagenoemde personen verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid (...)
§ 2. Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld :
(...)
2° de diensten en de leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk verstrekt door instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben en als zodanig zijn erkend door de bevoegde overheid en die, indien het gaat om privaatrechtelijke instellingen, handelen onder sociale voorwaarden welke vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor de publiekrechtelijke instellingen; de diensten en de daarmee nauw samenhangende leveringen van goederen in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid verstrekt door kinderbewaarplaatsen en zuigelingentehuizen en door instellingen erkend door de bevoegde overheid die, ingevolge hun statuten, in hoofdzaak tot doel hebben het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding;
(...)
§ 3. Van de belasting zijn nog vrijgesteld :
(…)
2° de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1, (…)"
De NV ’s H. werd op 10 mei 1991 opgericht met als statutair doel : het oprichten en uitbaten van accommodaties en instellingen voor bejaarden. Op een perceel grond gelegen te …, …, dat haar eigendom is, heeft zij een gebouw opgericht en de BTW geheven van de oprichting van dit gebouw in aftrek gebracht.
Na controle bleek dat in betreffend gebouw een bejaardentehuis is ondergebracht waarvan de exploitatie berust bij een andere vennootschap, met name de CV S. T. M.. In de relatie tussen de bewoner en het rusthuis voor bejaarden is aanlegster geen contractspartij. De coöperatieve vennootschap S. T. M. heeft haar maatschappelijke zetel te …, … en is door de Vlaamse Gemeenschap erkend als uitbaatster van een rusthuis voor bejaarden.
Laatstgenoemde vennootschap huurt van aanlegster gemeubelde kamers en flats, zoals blijkt uit de overeenkomst tussen beide vennootschappen. Daarnaast voorziet eiseres in het onderhoud van de verhuurde lokalen en het verschaffen van maaltijden voor het erkend rusthuis. Op haar beurt verhuurt het erkende rusthuis de bemeubelde kamers/flats verder aan haar bejaard cliënteel.
De betwisting handelt inzonderheid over de verwerping van door eiseres afgetrokken BTW geheven van de oprichting van betreffend gebouw en dat door een andere vennootschap als een rusthuis voor bejaarden wordt uitgebaat.
Eiseres stelt dat de door haar aan de CV S. T. M. verstrekte diensten drievoudig zijn :
a. het verschaffen van gemeubelde logies (artikel 18, § 1, 10. W.BTW) die niet limitatief volgende diensten omvat (met 6 % BTW gefactureerd) :
- gebruik van kamer met individueel sanitair en meubilair
- verwarming, water- en elektriciteitsverbruik
- kabel-TV en telefoon
- onderhoud kamers
- linnenverversing en toiletproducten
- boodschappendienst
- ontbijtservice op de kamer of in de restaurantzaal
- animatie
b. het verschaffen van maaltijden in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse (artikel 18, § 1, 11. W.BTW) : middag- en avondmaaltijden (met 20,5 % - 21 % BTW gefactureerd naargelang de periode).
c. terbeschikkingstelling van een volledig ingerichte kantoorruimte aan CV S. T. M., met faciliteiten voor administratie en verpleegdienst (60.000 BEF/jaar excl. BTW)
Art. 15, § 2 van de Decreten van 18 december 1991 inzake voorzieningen voor bejaarden gecoördineerd op 18 december 1991 stelt "De exploitatie dient te gebeuren door één enkele natuurlijke of rechtspersoon. Deze is zowel verantwoordelijk voor de individuele opnames of verhuring als voor de organisatie van de zorg- en dienstverlening." Dit sluit niet uit dat de exploitant van het tehuis, de CV "S. T. M.", beroep kan doen op de NV ’s H. voor bepaalde diensten, die dan verstrekt worden aan de exploitant van het tehuis, de CV "S. T. M.".
Nochtans kan enkel de door de bevoegde overheid erkende vennootschap, de CV "S. T. M.", diensten en leveringen, verstrekken aan de in het rusthuis verblijvende bejaarden. De NV ’s H. kan dus in geen geval geacht worden in artikel 18, 2de lid, 10° en 11° van het W.BTW bedoelde diensten te verstrekken aan bejaarden.
Dit blijkt ook uit het model van de overeenkomst tussen de kostgangers en het tehuis : als erkend rusthuis treedt hier enkel de CV "S. T. M." op, en nergens in deze type-overeenkomst wordt eiseres vernoemd.
In de gegeven omstandigheden maakt het gebouw in de relatie tussen de NV ’s H. en de CV "S. T. M." het voorwerp uit van een terbeschikkingstelling zodat die handeling in hoofde van de NV ’s H. als een onroerende verhuur dient te worden aangemerkt, die op grond van artikel 44, § 3, 2° van het W.BTW van de BTW is vrijgesteld.
De overeenkomst van 13 april 1993 tussen beide vennootschappen is een verhuurovereenkomst, betreffende de verhuring van gemeubelde flats en een ingerichte kantoorruimte met faciliteiten voor administratie en verpleegdienst.
Artikel 1709 B. W. definieert immers de huurovereenkomst als volgt :
"Huur van goederen is een contract waarbij de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een zaak te doen hebben gedurende een zekere tijd, en tegen een bepaalde prijs, die de laatstgenoemde zich verbindt te betalen." Wegens de onroerende aard van het verhuurde goed, is in casu sprake van onroerende verhuur. Deze onroerende verhuur gaat gepaard met andere diensten, zijnde het onderhoud der lokalen en het verschaffen van maaltijden.
De huurovereenkomst is een door het Burgerlijk Wetboek benoemd contract, waarop de gemeenrechtelijke regels van toepassing zijn. Voorts wordt het contract beheerst door de algemene principes van het verbintenissenrecht en door de inhoud van door partijen gemaakte afspraken.
Dit belet bijgevolg niet dat eiseres, als eigenares van het gebouw, daarvan ook delen zou kunnen gebruiken voor haar eigen administratie en voor de overige diensten die zij levert aan de huurster.
Het blijkt immers dat eiseres in haar eigen niet verhuurde lokalen maaltijden bereidt en onderhoudsactiviteiten verricht voor de CV S. T. M..
De huurovereenkomst van 13 april 1993 is voldoende duidelijk : slechts de lokalen, voorzien voor het verstrekken van logies aan het cliënteel van het erkend bejaardenrusthuis en een ingerichte· kantoorruimte met faciliteiten voor administratie en verpleegdienst, worden ter beschikking gesteld van de huurder. Zodoende kan eiseres niet tegen zichzelf het argument gebruiken dat zij artikel 1719, 3° BW zou schenden.
De onroerende verhuur gaat gepaard met het verstrekken van maaltijden en logies aan het erkend rusthuis CV S. T. M..
Wanneer de verhuurder van een uit zijn aard onroerend goed zich tegenover de huurder verbindt hem zogenoemde bijkomende diensten te verlenen, valt de handeling in de regel volledig buiten de werkingssfeer van de belasting. De prijs van die diensten is bijgevolg niet aan de belasting onderworpen in de betrekkingen tussen de verhuurder en de huurder.
Die zogenoemde bijkomende diensten mogen echter aan de belasting onderworpen worden wanneer ze door de verhuurder zelf aan de huurder worden verleend en er een afzonderlijke prijs voor werd bedongen, wat volgens de overeenkomst van 13 april 1993 het geval is.
Het blijkt dat de overeenkomst van 13 april 1993 tussen aanlegster en de CV S. T. M. een onroerende verhuur met bijkomende diensten betreft. Aanlegster verhuurt aan het erkende rusthuis bemeubelde flats en een ingerichte kantoorruimte met faciliteiten voor administratie en verpleegdienst.
Aangezien de huidige betwisting echter slaat op het recht op aftrek van facturen die betrekking hebben op de oprichting van het gebouw, doet het feit dat eiseres ook nog andere diensten verstrekt aan de CV S. T. M. (maaltijden, boodschappendienst, animatie, ...) niet ter zake voor de problematiek van deze verzetsprocedure.
De vrijstelling in de zin van artikel 44 W.BTW heeft uitsluitend betrekking op de uitdrukkelijk in dat artikel opgesomde leveringen en diensten, namelijk de onroerende verhuur. Dit betekent dat voor de onroerende verhuur geen BTW verschuldigd is, en dit uitsluitend omdat een wettekst deze handeling van de belasting vrijstelt.
Overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW kan de belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is de belasting in aftrek brengen van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van in die paragraaf bedoelde handelingen.
Aangezien eiseres een door artikel 44 W.BTW vrijgestelde handeling verricht, mag zij de BTW geheven naar aanleiding van de oprichting van het bewuste gebouw, gelegen te …, …, niet in aftrek brengen doordat de verhuur van onroerende goederen een van voorbelasting vrijgestelde handeling is en ook niet voorkomt in artikel 45, § 1, 1° tot 5° W.BTW.
Aangaande de boete wordt opgemerkt dat artikel 6, 1ste lid, EVRM en artikel 14, 1ste lid I.V.B.P.R zich niet verzetten tegen een stelsel waarbij aan het bestuur de vervolging en de beteugeling van overtredingen van de fiscale reglementering worden toevertrouwd, mits de belastingplichtige de opgelegde sanctie kan laten controleren door een rechterlijke instantie die alle garanties biedt welke in die bepalingen worden omschreven. De rechter moet aldus kunnen nagaan of aan alle wettelijke vereisten van de straf is voldaan en moet hiervoor de elementen in feite en in rechte kunnen beoordelen. De rechter moet de mogelijkheid hebben de werkelijkheid van de sanctie na te gaan en eveneens te beoordelen of de sanctie met de wettelijke voorschriften overeenstemt, en inzonderheid of zij niet indruist tegen specifieke wettelijke bepalingen of tegen algemene rechtsbeginselen, en of zij niet in strijd is met de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur (zie Cass., 5 februari 1999, R.W., 1999-2000, 640).
In ondergeschikte orde vraagt eiseres de boetes ernstig te herleiden. Daartoe roept zij in dat zij niet de bedoeling had de bepalingen van het BTW-Wetboek te overtreden, temeer daar het volgens haar een zuiver principiële discussie betreft. Zij verwijst ter zake naar het arrest van het Arbitragehof van 24 februari 1999, dat heeft beslist dat de belastingplichtige de mogelijkheid moet hebben door een rechter te laten beoordelen of de administratieve sanctie, die de BTW-boete is, in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, zijn geëerbiedigd. Onder deze beginselen is ook het evenredigheidsbeginsel. Hoewel voormeld arrest van het Arbitragehof gewezen werd naar aanleiding van een prejudiciële vraag, en het bijgevolg in beginsel slechts gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de zaak die tot de prejudiciële vraag aanleiding heeft gegeven, hoeft een andere rechter, die nadien over dezelfde kwestie dient te oordelen, geen nieuwe vraag te stellen, voor zover hij zich naar het voordien op prejudiciële vraag gewezen arrest voegt (zie art. 26, § 2, 10 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof; zie ook : KRINGS, E., Beschouwingen over de gevolgen van de door het Arbitragehof gewezen arresten, R.W., 1985-86, 514)
Het staat buiten kijf dat deze rechtbank principieel bevoegd is om de opportuniteit van de opgelegde administratieve boeten te beoordelen, en deze in voorkomend geval kwijt te schelden of te verminderen, ofschoon verweerder in zijn besluiten daaraan nog schijnt te twijfelen.
De rechtbank stelt vast dat alle geldboeten in het proces-verbaal werden ingevorderd op grond van art. 70, §§ 1 en 1bis W.BTW, wegens overtreding van art. 17bis, § 2 (oud) en 20, § 2 (nieuw) van het KB nr. 1, en art. 45, § 1 W.BTW.
De Belgische Staat roept in dat de belastingplichtige had kunnen weten dat zij een BTW-inbreuk beging, en dat bijgevolg de door haar ingeroepen goede trouw en het vertrouwensbeginsel niet kunnen worden weerhouden. De stelling van de Belgische Staat dat de hoofdcontroleur, toen deze op 18 mei 1992 verklaarde dat eiseres "het recht op aftrek kon uitoefenen", geen weet had van het bestaan van de CV S. T. M., en er bovendien nog geen enkele belastbare activiteit bestond in hoofde van eiseres, is daarbij aanvaardbaar.
Het dwangbevel is voldoende gemotiveerd, daar het niet enkel verwijst naar de toepasselijke normatieve bepalingen; maar tevens naar het bijgevoegd PV van 4 maart 1997.
Eiseres had de boete kunnen vermijden door de gevorderde belasting, al was het maar onder voorbehoud, te betalen. Nu zij ervoor gekozen heeft dit niet te doen, kan de boete niet kwijtgescholden noch verminderd worden.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
beslissend op tegenspraak en in eerste aanleg, alle strijdige en meeromvattende conclusies verwerpend,
verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond en wijst deze af.
veroordeelt eiseres tot de gerechtelijke intresten en tot de kosten, begroot op 9.305 BEF (dagvaarding/rolrecht) + 12.900 BEF voor eiseres op verzet en op 12.900 BEF voor verweerder op verzet.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 24ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 23 maart 2001, waar aanwezig waren en zitting hadden :
de heer W. T., alleenzetelend rechter,
mevrouw M. R., afg. adjunct-griffier,
M. R. W. T.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.