Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemption · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 26 janvier 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, service, opération imposable, exonération, autre exemptionTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-service-operation-imposable-cour-appel-gand-2010-01-26-ce45

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
26 janvier 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

56 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 26.01.2010

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent – 5e kamer – terechtzitting van 26/01/2010

Nr. 2008/AR/2827

in de zaak van :

A. NV, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

appellante,

hebbende als raadsman mr. V. H. J., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman, …, advocaat te …, ….

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 21 november 2008 werd tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 6 mei 2008, door de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge waarbij het verzet tegen een dwangbevel uitgaande van de Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, Invordering - Sector BTW, vertegenwoordigd door de ondertekenende e.a. Inspecteur a. i . L. R. van het BTW-ontvangkantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, uitgevaardigd op 15 december 2006, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19 december 2006 door e.a. Inspecteur a.i. C. M.-R., en betekend op 21 december 2006, en met R.C.I.V. nr. …, geheel werd afgewezen.

Het hoger beroep strekt er toe dit ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer nietig te verklaren en opnieuw rechtdoend, de oorspronkelijke vordering van de appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens de aanslag gevestigd bij het dwangbevel uitgaande van de Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, Invordering - Sector BTW, vertegenwoordigd door de ondertekenende e.a. Inspecteur a. i. L. R. van het BTW-ontvangkantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, uitgevaardigd op 15 december 2006, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19 december 2006 door e.a. Inspecteur a.i. C. M.-R., en betekend op 21 december 2006, en met R.C.I.V. nr. … volledig te ontheffen.

Dienvolgens de toegepaste interesten en vervolgingskosten te ontheffen alsook de teruggave te bevelen van alle sommen die op grond van de aldus ontheven aanslag werden geïnd, verhoogd met de moratoire rente zoals voorzien in artikel 418 WIB 92.

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten en tot de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van de rol rechten in eerste aanleg en de rolrechten voor de beroepsprocedure alsook tot de aangepaste rechtsplegingvergoedingen voor de procedure eerste aanleg en de beroepsprocedure.

De geïntimeerde vordert te zeggen voor recht dat het hoger beroep ongegrond is.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

Feitelijke gegevens

De appellante is gekend en ingeschreven als BTW-plichtige ingevolge de door haar aangevatte activiteit van beheer van roerende goederen alsmede van onroerende goederen en het verlenen van advies en service op administratief vlak, juridisch, financieel en bedrijfseconomisch. Naar aanleiding van een controle werd een minnelijke correctieopgave opgemaakt waaruit in hoofdzaak moest blijken dat de appellante een gemengde belastingplichtige is, waarop voor wat de aftrek van de BTW betreft het algemeen verhoudingsgetal werd toegepast. Bij gebrek aan betaling werd door de geïntimeerde een dwangbevel uitgevaardigd voor volgende bedragen :

- hetzij … in hoofdsom;

- en verminderde boete van … EUR.

Een onderzoek van de rechtshandelingen op 19 oktober 2006 heeft uitgewezen dat de BTW op de rechtshandelingen voor deze periode grotendeels niet aan aftrek van BTW onderhevig waren. Het proces-verbaal heeft vooral oog voor de onregelmatige factuur en het al dan niet onderworpen zijn aan de BTW als gemengde belastingplichtige waarbij vragen rezen m.b.t. het algemeen verhoudingsgetal dan wel naar het principe van het werkelijk gebruik.

Ten gronde

1. Geen regelmatige factuur. K.B. nr. 1 artikel 20

Van de verschillende handelingen bedoeld in § 2 van artikel 20 van het K.B. nr. 1 werd de aldus verschuldigde BTW niet opgenomen in vak 56 van de BTW-aangifte. Het gaat in het totaal om … EUR waaromtrent thans geen betwisting meer bestaat.

2. Niet inschrijven van verkoopfacturen

Naar aanleiding van de controleverrichtingen werden uitzonderlijke opbrengsten geboekt t.b.v. … EUR. Deze winst is afkomstig van een verkoop van rollend materieel en kon niet in de boekhouding worden teruggevonden. De Belgische Staat heeft steeds volgehouden dat de appellante als een gemengde BTW-belastingplichtige moet worden beschouwd. De economische activiteit bestaande uit het verlenen van advies en service op administratief, juridisch, financieel en bedrijfseconomisch vlak valt volgens de appellante niet binnen het begrip "gemengde belastingplichtigen. Tijdelijke stopzetting van die werkzaamheid doet de hoedanigheid van belastingplichtige niet verloren gaan. De verschuldigde sommen in post 2 van het proces-verbaal hebben alles te maken met het recht van aftrek van een gemengde belastingplichtige.

3. Gemengde belastingplichtige

Er is sprake van een "gemengde belastingplichtige” wanneer één en dezelfde persoon in de uitoefening van zijn economische activiteit tegelijk handelingen verricht die hem elke aanspraak op aftrek geven en handelingen die hem elke aanspraak op aftrek ontnemen. Te dezen is de appellante een gemengde belastingplichtige die enerzijds advies verleent (belastbare handelingen zoals bedoeld in artikel 18 BTW-Wet) en anderzijds onroerende goederen verhuurt, handelingen die vrijgesteld zijn door artikel 44, § 3, 2° BTW. Ook boekhoudkundig is gebleken dat gedurende de gecontroleerde jaren de appellante inkomsten van ontvangen huur en van de financiële opbrengsten heeft genoten. Daaraan doet geen afbreuk het feit dat de activiteit niet vernoemd werd in de niet-limitatieve opsomming van gemengde belastingplichtigen.

4. Het verhoudingsgetal

In een laatste fundamentele grief wordt aangevoerd dat het door de geïntimeerde gehanteerde verhoudingsgetal leidt tot ongelijkheden tussen verschillende belastingplichtigen en dat de aftrek diende te gebeuren volgens de regel van het werkelijk gebruik.

Artikel 46 van het BTW-Wetboek bepaalt het volgende :

"§ 1. Wanneer de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 aanspraak op aftrek bestaat, wordt de belasting ter zake van de voor die activiteit gebruikte goederen en diensten in aftrek gebracht naar verhouding van de breuk gevormd door het bedrag van de laatstbedoelde handelingen en het totale bedrag van de door de betrokkene verrichte handelingen.

§ 2. In afwijking van § 1 kan door of vanwege de Minister van Financiën aan de belastingplichtige, op zijn verzoek, vergunning worden verleend om het recht op aftrek uit te oefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan. De belastingplichtige kan door of vanwege de Minister van Financiën worden verplicht op die wijze te handelen, wanneer de aftrek naar verhouding van de in § 1 genoemde breuk leidt tot ongelijkheid in de heffing van de belasting."

5. Uit de voorhanden zijnde gegevens is gebleken dat de appellante niet heeft geopteerd om haar recht op aftrek uit te oefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten en dat de toepassing van deze wijze van aftrek, bedoeld in artikel 46, § 2, van het BTW-Wetboek, ook door de Administratie niet werd opgelegd (cf. stuk nr. 5, pagina 4, laatste lid). Op grond van artikel 59, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek leveren de vaststellingen, geacteerd in een proces-verbaal, bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen. In dit verband behoort het niet aan de rechter om in een geval waarin geen afwijking van de pro rata regel gevraagd is aan de Minister van Financiën of door deze laatste of van zijnentwege is opgelegd, de berekening toe te staan op grond van het werkelijk gebruik (Cass., 2 oktober 2003, FJF, 2004/57).

Het Hof stelt evenwel vast dat wat de cijfers betreft er geen betwisting is (zie PV. blz.5-7) en benadrukt daarbij dat de onroerende verhuur van gebouwen de hoofdactiviteit is van de appellante, hetgeen een van BTW vrijgestelde handeling is.

6. De appellante wijst er nog op dat het verhoudingsgetal kan leiden tot ongelijkheden tussen gelijkaardige belastingplichtigen. Zij zou als gemengd BTW-plichtige slechter behandeld worden dan een gewone belastingplichtige.

Het volstaat het standpunt van de eerste rechter erop na te lezen. De berekening op basis van het verhoudingsgetal leidt geenszins tot een ongelijkheid tussen verschillende belastingplichtigen daar het precies de bedoeling is van het verhoudingsgetal om de belastingplichtige de rechtmatige aftrek te laten genieten in functie van de grootte van de effectief belaste handelingen.

7. Het bestreden vonnis dient derhalve te worden bevestigd in al zijn beschikkingen, ook wat de rechtsplegingsvergoeding aangaat.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch wijst het af als ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Veroordeelt de appellante in de kosten van het hoger beroep begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van iedere partij.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ZESENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN TIEN.

Aanwezig de Heren :

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. D. V. G. T. A. D. M.

Textes cités

3
CTVA art. 462 occurrences
AR no 1 art. 201 occurrence
CTVA art. 591 occurrence

Décisions similaires

8