Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 21.01.2009
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 36ste Kamer
A.R 2007/14082/A
In zake van :
De heer V. S., wonende te …, …,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. J. P., advocaat te …, …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van de Financiën, in de persoon van de heer ea. inspecteur van het centraal BTW-ontvangkantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, met kantoren te 1000 Brussel, Kantersteen 47;
verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mr. P. P. loco Mr. A. D., advocaat te …, … (ref. : …).
In deze zaak, in beraad genomen op 24/12/2008, spreekt de rechtbank het
navolgend vonnis uit :
Gelet op :
• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het gerechtelijk wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 14/11/2007;
• de beschikking tot bepaling van de rechtsdag overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 18/01/2008;
• de conclusie en syntheseconclusie van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 16/05/2008 en 17/11/2008;
• de conclusie van eiser, neergelegd ter griffie op 19/08/2008;
• de stukken voor eiser, neergelegd ter griffie op 08/12/2008, en de stukken voor verweerder, neergelegd ter griffie op 16/12/2008.
De raadslieden van partijen werden gehoord in openbare zitting, waarna de zaak werd in beraad genomen.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
1.
1.1. Eiser is eigenaar en uitbater van een aantal schepen, dewelke op binnenwateren worden ingezet. Zo is eiser onder meer eigenaar van "P. E.". Hiermee worden rondvaarten georganiseerd, tijdens dewelke ook spijzen en dranken worden geserveerd.
Volgens verweerder vaart dit schip uitsluitend in Belgische wateren, terwijl dit volgens eiser zowel in Nederlandse als Belgische wateren vaart. Partijen verduidelijken hieromtrent verder niets.
In de periode waarop de betwisting betrekking heeft was eiser gedomicilieerd in Nederland en was ook het betreffende schip gevestigd in Nederland. Eiser stelt dan ook volledig BTW-plichtigte zijn geweest in Nederland en stelt hier ook aangiften te hebben gedaan.
1.2. Bij brief van 05/06/2002 werd eiser aangeschreven door verweerder. Verweerder stelde hierbij dat (naar aanleiding van een controle bij een Belgische klant van eiser werd vastgesteld·dat) eiser handelingen zou gesteld hebben dewelke in België belastbaar zouden zijn. Hij werd verzocht de nodige stukken mede te delen.
Op 03/12/2002 gingen de diensten van verweerder over tot het opstellen van een proces-verbaal. Een aantal facturen hadden volgens verweerder betrekking op vervoer van personen en het verschaffen van spijzen en dranken met verbruik ter plaatse. Vervoer van personen is volgens verweerder in België belastbaar op grond van artikel 21, § 3, 3° W.BTW en het verschaffen van spijzen en dranken
op grond van artikel 21, § 3, 4° W.BTW, beiden in zoverre deze geschieden op het Belgisch grondgebied.
De totaal verschuldigde BTW werd begroot op … euro, meer intresten.
Hierop is een proportionele boete van … euro van toepassing en wegens een inbreuk op artikel 62, § 1 W.BTW is een boete van … euro van toepassing.
Op 16/12/2002 werd hieromtrent een dwangbevel met nummer … uitgevaardigd, hetgeen aan eiser werd betekend bij exploot van 25/10/2007.
Eiser tekende hiertegen verzet aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 14/11/2007.
2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN
2. De vordering van eiser strekt er in hoofdorde toe het bestreden dwangbevel met nummer …, alsmede de betwiste taxatie, te vernietigen en verweerder te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde sommen. Ondergeschikt verzoekt eiser om kwijtschelding, minstens vermindering, van de opgelegde geldboeten en nalatigheidsintresten.
Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.
3. BEOORDELING
3. Eiser is van oordeel dat in België geen BTW kan verschuldigd zijn aangezien restaurantverrichtingen moeten beschouwd worden als een levering van diensten en deze diensten op grond van artikel 9, lid 1 van de Richtlijn 77/388 moeten geacht worden geleverd te zijn op de plaats waarde dienstverrichter zijn zetel heeft (vgl. HvJ 02/05/1996 nr. C-231/94, inzake Faaborg Gelting A/S t. Finanzamt Flensburg).
Verweerder is van oordeel dat eiser belastingplichtige is in België op grond van de artikelen 21, § 3, 3° W.BTW (vervoer), dan wel 21, § 3, 4° W.BTW (verschaffen van spijzen en dranken).
De betreffende facturen worden niet bijgebracht, noch wordt verduidelijkt in hoeverre er een uitsplitsing is tussen enerzijds vervoer en anderzijds verschaffen van spijzen en dranken.
4. Op basis van de stukken en besluiten die door partijen werden overgemaakt aan de rechtbank, kan de zaak niet in staat van wijzen zijn.
4.1. Ten eerste wordt in het proces-verbaal van 05/06/2002 een onderscheid gemaakt - op het vlak van de BTW-verplichtingen van eiser in België - tussen enerzijds het vervoer en anderzijds het verschaffen van spijzen en dranken. In huidige procedure verduidelijken partijen evenwel verder niets in verband met dit onderscheid.
Zo is niet duidelijk in welke mate deze facturen betrekking hebben op de ene dan wel de andere post (de facturen worden zelfs niet bijgebracht).
Eiser vordert van zijn kant dan wel de gehele nietigverklaring van het dwangbevel, doch haalt geen enkel middel aan in zoverre de BTW-verplichtingen van eiser gebaseerd zijn op het leveren van de dienst 'vervoer'. Zijn middelen zijn beperkt tot het aspect van het verstrekken van spijs en drank.
Het komt gepast voor dat partijen op dit punt hun stellingen en vorderingen verduidelijken. Indien immers de facturen deels betrekking hebben op vervoer, dan lijkt eiser minstens in deze mate in België BTW-plichtig (dit was overigens ook het standpunt van de Nederlandse BTW-administratie zoals deze blijkt uit de brief van 04/03/2003).
4.2. Het artikel 21, § 3, 3° W.BTW in verband met de lokalisatie van de dienst 'vervoer', lijkt in overeenstemming met het artikel 9.2.c van de Richtlijn 77/388, zoals van toepassing op huidig geschil. In deze laatste richtlijn is· inderdaad de afwijking voorzien van de principiële lokalisatie van dienstverlening (zetel van de dienstverrichter) voor vervoersdiensten.
De afwijking opgenomen in artikel 21, § 3, 4° W.BTW voor het verschaffen van spijs en drank, lijkt evenwel niet met zoveel woorden een basis te vinden in de voornoemde richtlijn zoals van toepassing op huidig geschil (deze uitzondering werd hierin niet letterlijk voorzien). De onderscheiden interpretatie van partijen vloeit voort uit dit verschil.
Geen der partijen neemt evenwel standpunt in over de gevolgen van deze afwijkende regeling in de Belgische wetgeving. Dient er desgevallend voorrang dient verleend te worden aan de Europese Richtlijn (en de interpretatie hieraan gegeven door het Hof van Justitie) of is de Belgische regeling verenigbaar met de voornoemde richtlijn op grond van artikel 249, 3de alinea van het EG-verdrag (een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat) ?
4.3. Ten derde. Verweerder is van oordeel dat eiser belastingplichtige is op grond van artikel 51, § 1, 3° W.BTW (door vermelding van de BTW op een factuur).
Eiser neemt hieromtrent geen standpunt in. Verweerder zelf verduidelijkt ook niet in hoeverre deze bepaling een zelfstandige basis kan zijn voor de voorafgaande vraag, met name "waar was eiser BTW-plichtig ?" (dat eiser BTW-plichtig was staat immers niet ter discussie).
De debatten dienen om aangehaalde redenen dan ook ambtshalve heropend te worden. Met het oog op een efficiënte rechtsgang worden thans reeds de hierna bepaalde conclusietermijnen voorzien.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alvorens uitspraak te doen over de ontvankelijkheid of gegrondheid van de vordering van eiser, heropent om hiervoor aangehaalde redenen ambtshalve de debatten en stelt hiertoe zitting op 18 juni 2009 om 14:00 uur met een pleitduur van 30 min., in de zaal 01.10, in het justitiepaleis te Brussel.
Zeggen dat partijen uiterlijk op de hiernavolgende data hun conclusies ter griffie dienen neer teleggen en dienen mede te delen aan de tegenpartijen:
• aanvullende conclusie (synthese)
voor eiser uiterlijk op 23 maart 2009
voor verweerder uiterlijk op 23 april 2009
Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 36ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 21 januari 2009.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer J. V. B., toegevoegd rechter
Mevrouw I. D., griffier.
I.D. J. V. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.