Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 30.06.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT – ZESDE KAMER – OPENBARE TERECHTZETTING VAN 30 JUI 2008
Algemene rol nummer : 06/553/A
In de zaak van :
NV D EN D R., met maatschappelijke zetel te …, … en met ondernemingsnummer …;
eiseres, voor wie optreedt als raadsman mr. A. D., advocaat te …, …, en mr. F. V. B., advocaat te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van mevrouw de eerstaanwezend inspecteur a.i. van het 1ste BTW-ontvangkantoor van Gent, met kantoren te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6/107;
verweerder, voor wie optreedt als raadsman mr. E. V. A., advocaat te …, …;
vonnist de rechtbank als volgt :
1. RECHTSPLEGING
1.1.
Partijen werden gehoord op de openbare terechtzittingen van 26 mei, 2008, waarna het .debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
1.2.
Het dossier van de rechtspleging werd ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding van 13 februari 2006 en de conclusies van de partijen.
2. DE VORDERING
2.1.
De eiseres tekent door middel van haar dagvaarding van 13 februari 2006, verzet aan tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 1O november 2005 door de Belgische Staat (BTW Gent 1), Administratie der belastingen over de toegevoegde waarden, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de ontvanger van het BTW ontvangkantoor te Gent, en uitvoerbaar verklaard op 10 november 2005 door J. S., e.a. inspecteur van de BTW controle Gent 4, aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent, en haar ter kennis gebracht per aangetekend schrijven d.d. 14 november 2005.
2.2.
De vordering van de eiseres luidt als volgt :
"Het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens :
In hoofdorde :
Het betwiste dwangbevel d.d. 10 november 2005 te vernietigen en de navordering van de Belgische Staat ongegrond te verklaren aangezien geen Belgische BTW verschuldigd is op de door [de eiseres] gepresteerde diensten,
In subsidiaire orde :
Het betwiste dwangbevel d.d. 10 november 2005 te vernietigen wegens een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het vertrouwensbeginsel"
3. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
3.1. De relevante feiten en grieven, zoals deze door de eiseres worden voorgesteld, kunnen als volgt worden samengevat.
3.1.1.
Eiseres, de NV D EN D R. is een reisbureau. Vakantiegangers bestellen geregeld bij het boeken van hun reis ook een huurwagen voor verplaatsingen ter plaatse. Volgens de eiseres regelt zij zelf niet deze verhuur, maar brengt ze de reiziger of diens reisagent met de verschillende (meestal buitenlandse) verhuurondernemingen verbinding.
Volgens de eiseres treedt zij hierbij op als tussenpersoon. Op basis van een "agency agreement" treedt de eiseres op als handelsvertegenwoordiger van de firma H. A. Ltd, onder de naam H. A. B.. H. A. Ltd een betreft een internationale onderneming met hoofdzetel in het Verenigd Koninkrijk, gespecialiseerd in de verhuur van wagens tijdens vakanties.
De eiseres stelt dat zij niet tussenkomt in de huurovereenkomst en ni feite enkel de bestelling doorgeeft. Zij vervult naar eigen zeggen de functie van boekingsagent.
De huurprijs van de wagens wordt bepaald op basis van prijslijsten afkomstig van H. A. Ltd. Op het ogenblik van de reservatie wordt dit bedrag volledig door de eiseres geïnd, hetgeen volgens de eiseres gebeurt om praktische redenen, zodat de klant geen overschrijving naar het buitenland zou moeten verrichten.
Op basis van interne afrekeningen stort de eiseres dan het ontvangen bedrag na afhouding van een makelaarsvergoeding door naar H. A. Ltd, die dan op haar beurt een deel van het bedrag zal doorstorten aan de verhuurfirma's.
Voor het bedrag dat de reiziger of de reisagent een betaling aan de eiseres verricht wordt een factuur uitgereikt. De eiseres is van oordeel dat ze optreedt als handelsagent-tussenpersoon voor H. A. Ltd. De eiseres argumenteert dat in toepassing van artikel 21, § 3, 8° W.BTW (plaats van de dienst is de plaats van de onderliggende dienst of van de Lidstaat die het BTW-nummer toekende aan de ontvanger van de dienst), geen BTW in rekening diende te worden gebracht op de factuur, aangezien de plaats van de dienst niet België is.
3.1.2.
De eiseres laat gelden dat op 5 januari 1995 een grondige BTW-controle wordt uitgevoerd over de boekjaren 1992-1993. Volgens de eiseres komt hierbij de problematiek van de tussenkomst in de autoverhuur uitvoerig ter sprake. De BTW-controle resulteert in een minnelijke inregelstelling d.d. 13 januari 1995 waarbij een akkoord wordt gesloten over een aantal zaken, zonder dat enig voorbehoud wordt gemaakt voor wat de tussenkomst betreft van de eiseres bij de verhuur van de personenwagens voor H. A. Ltd. De eiseres stelt dat zij om die reden de door haar gebruikelijke handelswijze gewoon verder zet.
Op 14 maart 2000 krijgt de eiseres opnieuw BTW-controle, ditmaal betreffende de periode 1 oktober 1995 tot 31 december 1999.
De eiseres argumenteert dat zij dan plots wordt aangemerkt als een commissionair in de verhuur van wagens, zodat zij wordt geacht zelfde wagens te hebben verhuurd. In toepassing van de artikelen 21, § 5 en 21, § 3, 6° W.BTW vindt deze dienst dan volgens de administratie plaats in België.
Derhalve rekent de Administratie BTW aan over het totaalbedrag van de prijs die aan de reiziger wordt aangerekend. Voor de betreffende periode komt dit neer op een bedrag van … BEF BTW (… EUR), meer een geldboete van 10 %.
De eiseres betwist dat ze optreedt als een commissionair (handelend in eigen naam) maar als een handelsagent van H. A. Ltd.
De eiseres merkt op dat in het proces-verbaal van 26 oktober 2005 de BTW-Administratie haar standpunt wijzigt ingevolge een beslissing va het hoofdbestuur te Brussel. Op basis van de aanschrijving nr. 33/78 wordt in het proces-verbaal van 26 oktober 2005 de winstmargeregeling voor reisbureaus toegepast, waardoor de initiële vordering van …1 BEF (… EUR) in hoofdsom wordt gereduceerd tot een bedrag van … BEF (… EUR), vermeerderd met een geldboete van 10 % en de interesten sedert 21 januari 2000.
Bij aangetekend schrijven d.d. 14 november 2005 wordt de eiseres in kennis gesteld van het dwangbevel. Het is tegen dit dwangbevel dat de eiseres verzet heeft aangetekend.
3.1.3.
De eiseres deelt in haar syntheseconclusie, die neergelegd is ter griffie op 12 september 2007, mee dat ze afstand doet van haar grief met betrekking tot de verjaring.
De eiseres argumenteert ten gronde dat ze bij de verhuur van de wagens enkel optreedt als reservatie-agent hetzij handelsagent tussenpersoon van H. A. Ltd. in België, hetgeen volgens de eiseres blijkt uit de factuur die op naam van H. A. Ltd. wordt opgemaakt. De eiseres licht toe dat het netto-bedrag, meer bepaald de huurprijs eventueel verminderd met de vergoeding voor de tussenkomst van de reisagent, wordt overgemaakt aan de eiseres, die dan op haar beurt het netto-bedrag verminderd met de vergoeding voor haar tussenkomst doorstort naar H. A. Ltd. Dit gebeurt via interne afrekeningen. De ontvangen bedragen komen aldus op een! rekening van de eiseres terecht (vandaar vermelding van haar rekeningnummer op de facturen) en worden vervolgens doorgestort naar H. A. Ltd. Het verschil tussen het ontvangen en doorgestorte bedrag vormt haar makelaarsvergoeding.
De eiseres betwist het standpunt van de administratie dat zij kan aangemerkt worden als een commissionair louter en alleen omdat het adres van de lastgever niet op de factuur vermeld staat en de benaming niet volledig is. Volgens de eiseres zijn deze vormelijke vereisten niet voorgeschreven in de wet op straffe van toepassing van de fictiebepaling. De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en artikel 6, al. 4 van de Zesde Richtlijn hebben het volgens de eiseres enkel over de vermelding van de naam. De eiseres argumenteert dat het feit dat de facturen haar adres en rekeningnummer vermeld zijn, louter dé praktische regeling betreft voor de inning van de door de reiziger verschuldigde sommen. Volgens de eiseres handelt zij niet in eigen naam.
Volgens de eiseres vindt de dienst overeenkomstig artikel 21, § 1 W.BTW plaats in België als de overeenkomstig de §§ 2 tot 4 aangemerkte plaat zich in België bevindt. Als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaat of zijn gebruikelijke verblijfplaats (artikel 21, § 2 WBTW).
Wat betreft de plaats van de dienst, stelt de eiseres dat voor zover de verhuur plaatsvindt buiten de Europese Unie, de plaats van de dienst zich in België situeert, maar overeenkomstig artikel 41, 2 W.BTW vrijgesteld is van B.T.W. Voor zover de verhuur plaatsvindt binnen de Europese Unie, moet volgens de eiseres artikel 21, § 3, 8° W.BTW toegepast worden en is de plaats van de dienst niet in België gelegen.
De eiseres verwijst vervolgens naar de wijziging van artikel 20 W.BTW ingevolge een advies van de Europese Commissie. De eiseres licht toe dat de nieuwe regeling tot gevolg heeft dat de tussenpersonen in reizen steeds moeten worden aangemerkt als "makelaars" of "lasthebbers", ongeacht of ze wel of niet facturen uitreiken in hun eigen naam. Aangezien de oude regeling werd aangepast na klacht van een Belgisch reisbureau moet volgens de eiseres ook de oude wetgeving, die in huidig geschil van toepassing is, in dezelfde zin geïnterpreteerd worden, teneinde in overeenstemming te zijn met de Europese wetgeving, en mede doordat er nog steeds geen nieuwe aanschrijving is.
De eiseres beroept zich tenslotte op het vertrouwensbeginsel. Uit briefwisseling tussen de bestuurder en de accountant van de eiseres en de administratie, zou blijken dat de administratie zich akkoord verklaarde met de handelswijze van de eiseres. Dit blijkt volgens de eiseres uit de vaststelling dat de controle die begin 1995 is uitgevoerd over de jaren 1992 en 1993 niet heeft geleid tot een regularisatie op het vlak van de tussenkomsten bij de verhuur van personenwagens.
3.2. De relevante feiten en grieven, zoals deze door de Belgische Staat worden voorgesteld, kunnen als volgt worden samengevat.
De Belgische Staat licht toe dat naar aanleiding van een grondig controle op 14 maart 2000 werd vastgesteld dat de eiseres optreedt inzake de autoverhuur als commissionair inzake diensten in de zin va artikel 20, § 1 W.BTW en bijgevolg geacht wordt de diensten zelf te hebben verstrekt. Aangezien deze diensten volgende de Belgische Staat in België plaatsvinden, dienen ze bij toepassing van artikel 51, § 1 W.BTW in hoofde van de eiseres aan de BTW te worden onderworpen. Dit resulteerde in de door de eiseres betwiste vordering ten bedrage van … BEF (… EUR).
Op 21 oktober 2005 beslisten de centrale diensten van de BTW dat de bijzondere regeling van de reisbureau's voor de prestaties van autoverhuur en derhalve de BTW op de winstmarge van toepassing is. De Belgische Staat licht toe dat tengevolge hiervan de vordering ten aanzien van de eiseres gereduceerd werd tot een na te vorderen bedrag van … BEF (… EUR), meer een geldboete van 10 % en de intresten vanaf 21 januari 2000.
De Belgische Staat merkt op dat de eiseres met de reiziger of diens reisagent een overeenkomst afsluit over het type van de wagen, de plaats en tijdstip van terbeschikkingstelling en terugbezorging. De klant krijgt een voucher van de eiseres en kan daarmee de wagen afhalen bij de lokale verhuurfirma. Naar aanleiding van de controle werd vastgesteld dat de eiseres de volledige huurprijs factureert aan de klant (reiziger of reisagent; in het laatste geval onder aftrek van een commissie voor het reisbureau) zonder BTW. De betaling gebeurt door de reiziger of reisbureau aan de eiseres. De buitenlandse verhuurfirma factureert de verhuurprijs onder aftrek van een commissie die toekomt aan H. A. Ltd. Vervolgens wordt door H. A. Ltd. aan de eiseres maandelijks een afrekeningstaat uitgereikt waarin de verhuurprijs is opgenomen onder aftrek van en commissie toekomend aan de eiseres. De afrekening wordt in de boekhouding van de eiseres opgenomen als inkomende factuur.
Naar aanleiding van de controle konden geen dubbels van de facturen, uitgereikt aan de reiziger of reisbureaus, worden voorgelegd. Deze waren niet op papier bewaard en daarom werden een aantal prints gemaakt van de op elektronische wijze bewaarde factuurgegevens. De Belgische Staat argumenteert dat deze prints het opschrift "factuur" bevatten, en verder het BTW-nummer, het handelsregisternummer, het bankrekeningnummer en het adres van de zetel of soms de filialen van de van de eiseres vermelden, alsook het factuurbedrag zonder BTW. Het stuk van het dossier van de Belgische Staat betreft een factuur van de eiseres die bij een klant (reisbureau) werd aangetroffen en waaruit blijkt dat de originele factuur de hoofding "H. A. B." vermeldt.
De Belgische Staat merkt op dat tijdens de gecontroleerde periode de bemiddeling van de eiseres niet steeds verliep via H. A. Ltd., doch de eiseres soms rechtstreeks met de buitenlands verhuurfirma handelde. In deze gevallen wordt op gelijkaardige wijze gefactureerd. Voor andere prestaties (verkoop vliegtuigtickets) wordt door de eiseres soms de benaming "H. T. A. F." gebruikt, hetgeen volgens de Belgische Staat uitwijst dat H. A. Ltd. door de eiseres gebruikt wordt als een handelsbenaming.
De Belgische Staat wijst op de bewijswaarde van de materiële vaststellingen die in het proces-verbaal werden opgenomen en in het bijzonder op de toepassing van de commissionairsfictie en de regeling inzake reisbureaus op grond van artikel 13, § 2 en artikel 20, § 2 W.BTW, alsook op het K.B. nr. 35 van 12 december 1977 tot invoering van een forfaitaire maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde op de winstmarge van reisbureaus. De Belgische Staat concludeert op basis van de facturen dat de bijzonder regeling van de reisbureaus op de eiseres van toepassing is. Samengevat is overeenkomstig deze regeling de plaats van de dienst in België te situeren, bedraagt de forfaitaire maatstaf van heffing 13 % van de prijs die aan de reiziger wordt aangerekend, en is het BTW-tarief van 21 % van toepassing.
Wat betreft de gewijzigde wetgeving vanaf 1 januari 2000, merkt de Belgische Staat op dat de vordering van de administratie betrekking heeft op de door de eiseres in de periode van 1995 tot 1999 gestelde handelingen. De Belgische Staat merkt op dat de eiseres nadien de winstmargeregeling voor reisbureaus is blijven toepassen.
Tenslotte, wat betreft de opgeworpen schending van het vertrouwensbeginsel, argumenteert de Belgische Staat dat de beweerde instemming met de handelswijze van de eiseres ingevolge een controle in 1995, niet wordt bewezen. De Belgische Staat verwijst naar de briefwisseling van de eiseres aan de vzw Vereniging Vlaamse Reisbureaus aan de centrale administratie, waaruit moet blijken dat d eiseres reeds sedert oktober 1991 op de hoogte was van het standpunt van de administratie, met name dat de eiseres BTW diende aan te rekenen over de door haar bij de autoverhuur gerealiseerde winstmarge.
4. BESPREKING
4.1.
4.1.1.
In de huidige betwisting stelt zich in eerste instantie de vraag op BTW technisch vlak of de eiseres als een commissionair dient te worden beschouwd in de zin van artikel 13 § 2 van het BTW Wetboek, hetzij als een makelaar en tussenpersoon waarbij de plaats van de dienst zich situeert in het buitenland overeenkomstig onder andere artikel 21, § 8° van het BTW Wetboek.
De artikelen 13 en 20, § 1 W.BTW bevatten een wettelijk vermoeden dat in het bijzonder van toepassing is voor de toepassing van het BTW Wetboek (W.BTW). Op burgerlijke vlak en inzake het handelsrecht is de commissionair juridisch niet de werkelijke ontvanger van de dienst of d dienstverrichter. Uit de samenlezing van de artikelen 13 en 20 § 1 W.BTW volgt dat deze begrippen "commissionair" en "tussenpersoon” inzake BTW een autonome betekenis hebben. In die zin wordt gebruik gemaakt van het begrip van de commissionairsfictie.
Het verhuur van een wagen betreft een dienst zodat bij de beoordeling van de vraag of eiseres al dan niet als een commissionair dient te worden aangemerkt, de toepassing van artikel 20, § 1 W.BTW dient te worden onderzocht. De personen beoogd door art. 20, § 1 W.BTW zij enerzijds de commissionairs inzake diensten en, anderzijds, de tussenpersonen die handelen onder de voorwaarden van art. 13, § 2 W.BTW.
Zelfs wanneer men geen commissionair in de zin van het burgerlijk recht, wordt een tussenpersoon, bijvoorbeeld een makelaar of een lasthebber, op grond van artikel 13, § 2 W.BTW gelijkgesteld met een commissionair indien de tussenpersoon in enigerlei hoedanigheid een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk respectievelijk van de dienstverrichter ontvangt of aan de ontvanger van de dienst uitreikt.
De tussenpersoon wordt niet gelijkgesteld met een commissionair voor de toepassing van de BTW indien deze een op zijn naam opgestelde factuur uitreikt aan de dienstverrichter dat enkel het bedrag van zijn commissie bevat. De tussenpersoon wordt evenmin aangemerkt-als een commissionair voor de toepassing van de BTW indien hij wordt belast met het uitreiken aan de ontvanger van de dienst van een op naam van de dienstverrichter gestelde factuur. Het uitreiken van deze factuur heeft niet de toepassing van art. 20, § 1 W.BTW tot gevolg, aangezien de factuur niet is opgesteld op naam van de tussenpersoon.
4.1.2.
Eiseres betwist niet dat zij de inkomende afrekeningen van H. A. Ltd. als inkomende facturen heeft aangemerkt, noch dat zij aan de reiziger, hetzij aan het reisbureau een factuur heeft uitgereikt met de volledige prijs van de dienst, desgevallend onder aftrok van de commissie voor het reisbureau. Het standpunt van de eiseres dat zij niet in eigen naam deze facturen heeft uitgereikt, kan niet worden bijgetreden. Op basis van de voorgelegde facturen is duidelijk dat de facturen door de eiseres werden uitgereikt, weliswaar onder de handelsbenaming "H. A. B.”. De facturen zijn niet opgesteld op naam en voor rekening van H. A. Ltd.. Deze vaststellingen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om tot de conclusie te komen dat de eiseres als commissionair optreedt op grond van artikel 20, § 1 W.BTW. De zelfde vaststelling en redenering geldt voor de diensten waarbij de eiseres (rechtstreeks) met de buitenlandse verhuurfirma handelde, zonder de tussenkomst van H. A. Ltd.
4.2.
4.2.1.
Overeenkomstig artikel 20, § 2, W.BTW, zoals van toepassing voor de periode waarop het geschil betrekking heeft, wordt een reisbureau dat tussenkomst verleent bij het verschaffen van vervoer, van logies, van ter plaatse verbruikte spijzen en dranken, van vermaak of van één of meer van deze diensten, geacht te handelen in opdracht van de reiziger, behalve in de mate waarin het deze diensten zelf rechtstreeks met eigen middelen verricht of wanneer het handelt in naam en voor rekening van de verrichter van deze diensten.
In de situatie waarbij de dienstverrichter zijn prestaties factureert aan he1 reisbureau en dit laatste ze in eigen naam doorfactureert aan de reiziger, desgevallend via een navolgend reisbureau, wordt het reisbureau op grond van artikel 20, § 2 W.BTW geacht als lasthebber van de reiziger te handelen. Terecht wordt door de Belgische Staat voorgehouden dat de bijzondere regeling voor de reisbureaus, heffing van BTW over een forfaitair bepaalde winstmarge, dan van toepassing is.
Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert ook het verlenen van tussenkomst door een reisbureau in de verhuur van een vervoermiddel en dit in een andere hoedanigheid dan die van makelaar of lasthebber van de eigenaar, als een dienst van een reisbureau bedoeld in artikel 20, § 2 W.BTW. Deze wetsbepaling is ruim geformuleerd, hetgeen in het bijzonder blijkt uit de bewoordingen "of van één of meer van deze diensten". De voorziene regeling waarbij het reisbureau wordt geacht te handelen in opdracht van de reiziger, is niet beperkt tot de in de wetsbepaling vermelde diensten, noch is vereist dat een combinatie van deze diensten en/of andere diensten worden aangeboden of verricht.
Overeenkomstig artikel 21, § 2, W.BTW wordt de door een reisbureau als makelaar of lasthebber verrichte dienst geacht in België plaats te vinden wanneer het reisbureau in België is gevestigd.
Overeenkomstig artikel 29, § 2, W.BTW bestaat de maatstaf van heffing van de dienst die een reisbureau ingevolge artikel 20, § 2, W.BTW geacht wordt aan de reiziger te verlenen, in de aan het reisbureau toekomende vergoeding. Dit is het verschil tussen, enerzijds, het totaal van de bedragen - met uitsluiting van de BTW over de vergoeding - die het reisbureau aanrekent aan degene van wie het de prijs van deze diensten vordert en, anderzijds, het totaal van de bedragen (BTW inbegrepen) die aan het reisbureau worden aangerekend door de verrichters van de diensten waarvoor het tussenkomst heeft verleend of: door een ander reisbureau dat voor het verrichten van dezelfde diensten zijn tussenkomst heeft verleend.
Artikel 35, laatste lid, W.BTW voorziet dat de Koning de maatstaf van heffing van de dienst - die een reisbureau ingevolge artikel 20, § 2, W. BTW geacht wordt te verstrekken - kan vaststellen op een percentage van het totaal van de bedragen die het reisbureau aanrekent aan degene van wie het de prijs van deze dienst vordert. Artikel 1 van het KB: nr. 35 van 12 december 1977 bepaalt het percentage waarvan sprake is in genoemd artikel 35 W. BTW vast op 6 %, 8 %, 13 % of 18 %. D maatstaf van heffing van 13 % geldt voor de prestaties van tussenkomst van reisbureaus, andere dan tussenkomst bij het verschaffen van logies.
4.2.2.
De eiseres verricht niet met eigen middelen de dienst van het verhuur van de personenwagens, evenmin kan zij, gelet op het voorgaande, worden aangemerkt als handelend in naam en voor rekening van de dienstverrichter, meer bepaald de buitenlandse verhuurfirma. De partijen zijn het erover eens dat de eiseres kwalificeert als een reisbureau, zoal bedoeld in artikel 20, § 2 W.BTW. In deze gegeven omstandigheid wordt de eiseres op grond van artikel 20, § 2 W.BTW geacht te handelen in de hoedanigheid van lasthebber van de reiziger en heeft de administratie terecht geoordeeld dat de bijzondere regeling voor de reisbureaus van toepassing is, met name heffing van de BTW over een forfaitaire winstmarge.
4.2.3.
De Belgische BTW-wetgeving inzake de prestaties in de reissector werd met ingang van 1 januari 2000 aangepast door twee koninklijke besluiten van 28 december 1999, die wijzingen aanbrachten aan diverse artikelen van het BTW-Wetboek en van het koninklijk besluit nr. 35 tot invoering van een forfaitaire maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde op de winstmarge van de reisbureaus.
De gewijzigde regeling met ingang van 1 januari 2000 is niet van toepassing op het huidige geschil, dat betrekking heeft op handelingen gesteld in de periode van 1995 tot 1999. Een door de eiseres voorgehouden advies en verzoek van de Europese Commissie tot wijziging van de regeling inzake reisbureaus wegens de strijdigheid ervan met de Zesde Richtlijn naar aanleiding van de beoordeling van een concreet geval, die vervolgens aanleiding heeft- gegeven tot een aanpassing van de Belgische BTW-wetgeving met ingang van 1 januari 2000, heeft niet tot gevolg dat aan de nieuwe regeling retroactieve werking moet worden verleend.
Ingevolge een administratief tolerantie zijn in de praktijk de oude en de nieuwe regeling parallel naast elkaar blijven bestaan. De partijen erkennen dat ook na 1 januari 2000 de reisbureaus de keuze hebben welke van de twee regelingen ze wensen toe te passen. Door de Belgische Staat wordt opgemerkt dat de eiseres na 1 januari 2000 gebruik is blijven maken van de oude regeling met betrekking tot de verkoop van reizen van Belgisch touroperators. Aldus moet worden vastgesteld dat de eiseres de retroactieve toepassing verzoekt van de nieuwe regeling wegens de strijdigheid van de oude regeling met de Europese richtlijn, terwijl de eiseres in het bestaande kader van de nieuwe regeling zelf toepassing blijft maken van de oude regeling. Voor zover de belastingplichtige wordt toegestaan een keuze te maken tussen twee regelingen, is het redelijk aannemelijk dat de aldus gemaakte keuze dient te worden toegepast voor alle handelingen.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de eiseres zich voor de ingeroepen schending van het vertrouwensbeginsel beroept op een brief van de administratie van 3 februari 1993. De eiseres stelt evenwel dat zij deze brief tot op heden niet heeft kunnen terugvinden. Uit de gegevens van het dossier komt de rechtbank tot de bevinding dat de eiseres de beweerde schending van het vertrouwensbeginsel niet bewijst. De eiseres toont niet aan dat de administratie zich naar aanleiding van de controle in 1995 akkoord zou hebben verklaard met de handelswijze van de eiseres. Daarentegen blijkt uit de syntheseconclusie neergelegd ter griffie d.d. 14 juni 2007, en het dossier van de Belgische Staat, dat de eiseres via de vzw Vereniging Vlaamse Reisbureaus de problematiek heeft laten voorleggen aan de administratie. De administratie heeft vervolgens bij brief van 29 oktober 1991 te kennen gegeven dat de bijzondere regeling inzake reisbureaus van toepassing is. De grief met betrekking tot de schending van het vertrouwensbeginsel is ongegrond.
4.4.
Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding, zijn de partijen het erover eens dat de basisvergoeding kan worden toegepast en de waarde van de vordering zich situeert in de schijf van … tot … EUR.
Dispositif
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Verklaart de vordering van de eiseres ontvankelijk, doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding.
Begroot deze kosten als volgt :
- aan de zijde van de eiseres: … EUR;
- aan de zijde van de verweerder :
Rechtsplegingsvergoeding : … EUR;
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op maandag dertig juni tweeduizend en acht, waar aanwezig waren :
de heer S. R., rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
G. L. S. R.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.