Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 12.03.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 03/2101/A Rep.nr. 2008/4001
de BVBA N. W. EN S., (BE …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres
voor wie optreedt Meester T. L., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het 2e BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31, doch woonstkiezende op het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder
voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,
EN
In de zaak 03/2121/A
de BVBA N. W. EN S., (BE …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres
voor wie optreedt Meester T. L., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het 2e BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31, doch woonstkiezende op het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4.
verweerder
voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,
I. Rechtspleging
1.1. in de zaak met A.R. 03/2101/A
Gelet op het verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 7 juli 2003.
1.2. in de zaak met A.R. 03/2121/A
Gelet op de inleidende dagvaarding de dato 8 juli 2003.
De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 13 februari 2008.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. Bijzonderste gegevens van de zaak
2.1.
In een correctieopgave werden ingevolge toepassing van artikel 21, § 3, 3° en 37 W.BTW, de ontvangsten belast tegen het BTW-tarief van 6 % voor het vervoer van personen à rato van het gedeelte binnen de territoriale wateren.
Op 28 augustus 2002 werd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 10 september 2002 werden de opgevorderde sommen onder voorbehoud betaald.
Op 25 oktober 2002 werd door de rekenplichtige van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk een verjaring stuitend dwangbevel uitgevaardigd dat geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard op 30 oktober 2002 door de waarnemende e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Harelbeke daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Brugge.
Bij toepassing van artikel 85, § 1 W.BTW werd voornoemd dwangbevel samen met het proces-verbaal op 5 november 2002 aangetekend ter kennis gebracht van eiseres.
2.2.
Eiseres heeft op 7 juli 2003 een verzoekschrift ter griffie neergelegd betreffende het deel van de vordering dat zijn oorsprong vindt in de activiteiten die plaatsvonden in de kalenderjaren 1999 tot en met 2001.
Op 1 september 2003 werd de gerechtelijke procedure ingeleid bij dagvaardingsexploot betekend op 8 juli 2003 aan verweerder voor het deel van de vordering dat zijn oorsprong vindt in activiteiten uit het kalenderjaar 1998.
Eiseres vraagt dat : de vorderingen worden samengevoegd en ontvankelijk en gegrond worden verklaard, verweerder wordt veroordeeld tot teruggave van de BTW ten belope van € … te verhogen met de wettelijke intrest, verweerder wordt veroordeeld tot teruggave van de boete ten belope van € … te verhogen met de wettelijke intrest : subsidiair, te vonnissen dat de BTW aangerekend over de ontvangen onderhoudsfacturen in aftrek genomen wordt en de boete dienaangaande kwijtgescholden wordt, meer subsidiair, dat beslist wordt dat de invordering van de BTW met betrekking tot de jaren 1998 en 1999 verjaard is en dat verweerder veroordeeld wordt tot teruggave van alle aangerekende intresten, te verhogen met de wettelijke intrest, dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard wordt en verweerder tot de kosten wordt veroordeeld.
2.3.
Verweerder vraagt dat de vorderingen worden samengevoegd en ontvankelijk en ongegrond worden verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
III. Beoordeling
3.1. nopens de samenvoeging
De zaken zijn samenhangend in de zin van artikel 30 Ger. W. en worden dan ook gevoegd.
3.2. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen gegronde redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vorderingen kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, zijn de vorderingen ontvankelijk.
3.3. nopens de grond van de vorderingen met AR nr. 03/2101/A en 03/2121/A
3.3.1. nopens het vertrouwensbeginsel
Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel van toepassing zijn in fiscale zaken. Het vertrouwensbeginsel kan gedefinieerd worden als een beginsel van behoorlijk bestuur krachtens hetwelk elke burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan. Dit impliceert dat de gerechtvaardigde verwachtingen welke door de overheid bij de rechtsonderhorigen zijn gewekt moeten worden gehonoreerd, op gevaar af het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden. Het rechtszekerheidsbeginsel is evenwel geen onbeperkt recht. In functie van de concrete omstandigheden dient een afweging plaats te vinden tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel.
De vroegere houding van bepaalde geledingen van het Ministerie van Financiën kan niet verhinderen dat de wet thans strikt wordt toegepast.
Bovendien is het duidelijk op grond van de voorliggende stukken dat de BTW-administratie in het verleden geen enkele verkeerde inlichting heeft gegeven, geen uitdrukkelijk andersluidend standpunt heeft ingenomen en geen interpretatie heeft gegeven die bij eiseres het vertrouwen zou kunnen gewekt hebben dat er een (impliciet) feitelijk akkoord nopens de niet-aanrekening der BTW over haar uitgaande handelingen was.
Verweerder heeft derhalve het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet geschonden.
3.3.2. nopens de BTW
De activiteiten van eiseres betreffen het organiseren van sportvisserij en het bezichtigen van wrakstukken in de Noordzee. De klanten worden per boot naar visrijke plaatsen of wrakstukken gevaren alwaar ze respectievelijk vissen of duiken. Deze duik- en visactiviteiten vinden steeds plaats buiten de Belgische territoriale wateren.
Eiseres is geregistreerd onder het BTW nummer voor volgende economische activiteiten :
"de organisatie van sportvisserij en duikactiviteiten, vervoer van en naar visplaatsen en duikplaatsen, organiseren en inrichten van opleidingscursussen in zeevisserij en het duiken, terbeschikkingstelling van materiaal en toebehoren, de aan- en verkoop, import en export, zowel groot- als kleinhandel in binnen- en buitenland van alcoholvrije dranken, wijnen en likeuren, confectie en geschenkartikelen".
Uit de feitelijke gegevens blijkt dat de hoofdactiviteit van eiseres betrekking heeft op het organiseren van visactiviteiten en duikactiviteiten.
Het vervoeren van klanten naar de plaatsen in de zee alwaar er gevist en gedoken wordt is het middel waardoor het doel (vissen en duiken) verwezenlijkt wordt.
Het vervoer kan niet beschouwd worden als een op zichzelf bestaande loutere dienst van personenvervoer, daar het kwestieuze vervoer een onderdeel uitmaakt van de geleverde dienstprestatie van het vissen en het duiken. Immers, het vervoer van en naar de vis- en duikplaatsen is een noodzakelijke voorwaarde ervan, zonder dewelke de activiteiten niet kunnen plaatsvinden. Het vervoer maakt derhalve een samenhangende dienst uit met de hoofdactiviteit van eiseres.
De dienstprestatie van eiseres dient te worden gekwalificeerd als de organisatie van een sportactiviteit namelijk zeevissen en diepzeeduiken waarop artikel 21, § 3, 4° a W.BTW van toepassing is. Artikel 9, lid 2, sub c, eerste streepje, zesde richtlijn bepaalt dat de plaats van deze diensten alsmede daarmee samenhangende diensten de plaats is waar die diensten materieel worden verricht.
In casu staat het vast dat de duik- en visactiviteiten plaats vinden buiten de territoriale wateren.
Aangezien de kwestieuze diensten aldus buiten België plaatsvinden is de Belgische BTW niet verschuldigd.
3.3.3. nopens de overige door eiseres aangevoerde middelen
De overige grieven van eiseres dienen niet te worden onderzocht nu het eventueel gegrond verklaren ervan niet tot een ruimer voordeel van eiseres kan leiden.
3.4. nopens de kosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Gerechtelijk Wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. Partijen verzoeken om toepassing van het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding zijnde € … gelet op het feit dat de waarde van de vordering begroot wordt tussen € 5.000,01 en € 10.000,00. Daar er sprake is van twee verwante maar afzonderlijke geschillen wordt twee maal de rechtsplegingsvergoeding toegekend.
3.5. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad
Ingevolge artikel 377 WIB 1992 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad. Dit werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in haar arrest van 2 maart 2004 nr. 2002/AR/2691 inzake NV D..
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Voegt de zaken met A.R. nrs. 03/21 01/A en 03/21/21/A samen.
Verklaart de fiscale vorderingen in de zaken met A.R. nrs. 03/2101/A en 03/2121/A ontvankelijk en gegrond.
Veroordeelt verweerder tot teruggave van de BTW ten belope van € … te verhogen met de wettelijke intresten op grond van artikel 418 WIB 1992 alsmede tot terugbetaling van de boete ten belope van € … te vermeerderen met de wettelijke intresten.
Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op € … dagvaardingskosten en twee maal € … rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag twaalf maart tweeduizend en acht.
Aanwezig zijn :
H. A., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N.L. A. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.