Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du tribunal de première instance de Gand dd. 04.04.2016 (14/2434/A)
WF 709-15-14/039420
Taxe sur la valeur ajoutée – Amendes – Principe non bis in idem – Caractère d’ordre public de la dette fiscale
Dispositions légales
Art. 61, § 1er et art. 70, 1er, du C.TVA
Art. 14.7 du PIDCP et art. 4.1 du Protocole additionnel n° 7 à la CEDH
Résumé
L’assujetti est identifié à la TVA comme cafetier. Lors d’un contrôle, il a été constaté, entre autres, que le livre des recettes ne pouvait être produit et qu’il y avait un défaut d’annotations du montant total des recettes journalières. Des procès-verbaux ont été établis et des contraintes ont été décernées concernant les infractions constatées.
Une action en justice a été introduite à l’encontre de ces procès-verbaux et contraintes. Il est apparu cependant qu’une erreur avait été commise par l’administration. L’amende avait en effet été infligée sur une base juridique incorrecte, à savoir la non-présentation du registre des véhicules à moteur, après quoi la requête en annulation de l’amende a été accueillie par le tribunal, de l’accord des deux parties.
Sur la base des mêmes faits constatés, de nouveaux procès-verbaux ont ensuite été correctement établis et de de nouvelles contraintes ont été délivrées, par lesquelles des amendes ont également été infligées. L’assujetti a demandé au juge de mettre ces amendes à néant ou à tout le moins de les réduire.
Le juge se réfère à l’arrêt rendu par la Cour de cassation le 17 février 2015, P.14.1509.N. Selon cet arrêt, il résulte des dispositions faisant l’objet de l’article 14.7 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques et de l’article 4.1 du Protocole additionnel n° 7 à la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales et du principe général de droit non bis in idem qu’une seconde poursuite est interdite du chef de faits identiques ou substantiellement les mêmes qui, après une première poursuite, ont déjà donné lieu à une décision irrévocable de condamnation ou d’acquittement et pour autant que ces poursuites concernent une même personne. Selon cet arrêt, il est entendu par faits identiques ou substantiellement les mêmes un ensemble de circonstances de fait concrètes indissociablement liées entre elles dans le temps et dans l’espace.
Selon le tribunal, lorsque l’administration fiscale a décidé, sans équivoque, de ne pas infliger de sanctions à caractère pénal, une telle décision peut être analysée comme un point de vue définitif. De ce fait, l’administration fiscale épuise son pouvoir (nonobstant le fait que la perception n’est pas définitive, compte tenu du caractère d’ordre public de la loi fiscale).
Le tribunal estime qu’il a épuisé sa juridiction, dès lors que l’administration a marqué son accord de ne pas poursuivre le paiement des amendes infligées en se fondant sur une base juridique erronée. Il importe peu que par après, pour les mêmes faits, d’autres procès-verbaux et contraintes ont été établis et notifiés en vue du paiement des amendes.
Point de vue de l’Etat belge
L’Etat belge a interjeté appel de la décision.
Observations
Le raisonnement du juge, tel que synthétisé ci-dessus, s’analyse comme une violation de la compétence liée et du caractère public d’une amende fiscale et outrepasse le principe non bis in idem.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent
dd. 04.04.2016
(14/2434/A)
In de zaak van:
W.H., zaakvoerder, KBO nr…., wonende te …, EISENDE PARTIJ, vertegenwoordigd door mr. E. K., advocaat te …
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën - Stafdienst Logistiek - Koning Albert " laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de adviseur -directeur te Antwerpen, met kantoren te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4, en in de persoon van de bevoegde adviseur verbonden aan de Algemene Administratie van de Inning en Invordering, Team Invordering Natuurlijke Personen Beveren, VERWERENDE PARTIJ, voor wie optreedt mevrouw J.V.B., adviseur - e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur.
Vonnist de rechtbank als volgt:
1. De procedure voor de rechtbank
Partijen zijn gehoord op de openbare terechtzitting van 7 december 2015, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden daarbij ingezien.
De rechtbank heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
2. De relevante voorgaanden
Eiseres is sedert het vierde kwartaal 2006 btw-belastingplichtige. Ten tijde van de feiten baatte zij de cafés O.S en M. uit.
Op 10 en 16 januari 2013 en 16 oktober 2013 is er een fiscale controle verricht in café O.S. en café M.
Met betrekking tot de controles in januari 2013 en de aldaar vastgestelde inbreuken werden processen-verbaal en de dwangbevelen met nummers …en … uitgevaardigd. Op het proces-verbaal van vaststelling was vermeld dat de eiseres het dagboek van ontvangsten niet kon voorleggen en dat er een gebrek was aan dagelijkse aantekening van het totale bedrag van dagontvangsten.
Bij verzoekschrift van 6 augustus 2013 neergelegd ter griffie van de rechtbank, richtte de eiseres zich tegen vermelde dwangbevelen met nummers … en … (zaak 13/2730/A).
De verweerder heeft in november 2013 contact opgenomen met eiseres en er werd overeen-gekomen om de doorhaling van het geding te vragen aan de rechtbank. Een geldboete was immers opgelegd wegens een verkeerde juridische grondslag, zijnde het "niet voorleggen van het register der motorrijtuigen". Ter zitting blijkt dat de verweerder inzag dat zij de zaak niet zou winnen. Aangezien zij aan de eiseres meldde dat zij niet aandrong op de betaling van de boetes, was de eiseres akkoord met de doorhaling van de zaak. De rechtbank heeft bij vonnis van 27 oktober 2014 het verzoek tot doorhaling ingewilligd.
Met betrekking tot dezelfde vastgestelde feiten van januari 2013 werden nieuwe processen-verbaal en dwangbevelen (met nrs. …en …) opgesteld. De nieuwe processen-verbaal maken niet langer melding van de overtreding, zijnde het houden van. een register der motorrijtuigen.
Met betrekking tot de controle van 16 oktober 2013 blijkt uit het proces-verbaal van vaststelling dat de inbreuken van de artikelen 14, § 2, 3° (het niet ter inzage voorleggen van het dagboek van ontvangsten), 15, § 4, 1ste lid (gebrek aan dagelijkse aantekening van het totale bedrag van dagontvangsten) van het koninklijk besluit nr. 1 opnieuw werden vastgesteld in de cafés O.S. en M.. Er werd een dwangbevel opgesteld met nr….. Gelet op het feit dat het tweede overtredingen betrof, werd een boete van 1.250,00 en van 3.000,00 euro opgelegd.
3. De vorderingen van de partijen
Eiseres vraagt de door verweerder opgelegde geldboeten bij dwangbevelen nr…., …en … teniet te doen, minstens de bedragen te herleiden. Zij vordert eveneens de verweerder te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 euro.
De Belgische Staat vraagt de vordering van eiseres ontvankelijk te verklaren doch af te wijzen als ongegrond en eiseres te veroordelen tot de kosten.
4. Beoordeling
1. De boetes op grond van de dwangbevelen met nrs. …en …
1.1
Uit de bepalingen van artikel 14.7 IVBPR en artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM alsmede uit het algemene rechtsbeginsel non bis in idem volgt dat een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak en voor zover die vervolgingen betrekking hebben op dezelfde persoon, waarbij onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn. (Cass. 17 februari 2015, P.14.1509. N, en de verwijzingen aldaar).
Indien de belastingadministratie in het kader van een fiscaal akkoord afziet van het opleggen van belastingverhogingen of btw-boetes, maakt een dergelijk akkoord een geldige afstand van recht uit voor wat betreft het opleggen van sancties. Wanneer de fiscus een duidelijk standpunt heeft ingenomen omtrent het niet opleggen van sancties met strafkarakter, kan een dergelijke uitspraak als een definitief standpunt worden aanzien. Daardoor put de fiscus zijn macht uit (niettegenstaande het feit dat er op het gebied van pure belastingheffing zelf het een en ander nog niet volledig definitief zou zijn gelet op het openbare orde-karakter van de fiscale wet). (zie S. Gnedasj en H. Vanhulle, "Not even God judges twice for the same act ... and tax offence -
Draagwijdte en grenzen van het ne bis in idem-beginsel", TFR 2014,666).
1.2
De rechtbank is van oordeel dat aangezien de administratie akkoord was om met betrekking tot de bij controles van januari 2013 vastgestelde feiten, in het kader van de procedure 13/2730/A, niet aan te dringen op de betaling van de opgelegde boetes, hij zijn macht met betrekking tot die feiten heeft uitgeput.
Dat hij naderhand op basis van dezelfde feiten/processen-verbaal van vaststelling andere processen-verbaal tot bepaling van de boete en dwangbevelen heeft opgesteld, doet daaraan niet af.
1.3
In zoverre de vordering van de eiseres betrekking heeft op de boetes opgelegd bij de dwangbevelen nrs. …en…, is ze gegrond.
2. De boetes op grond van dwangbevel met nummer … .
2.1
Eiseres heeft ervoor geopteerd om haar btw-aangiften per kwartaal in te dienen. Het is niet bewezen dat zij gevraagd heeft op forfaitaire basis te worden belast. Elk verweer dat daarop is gebaseerd, gaat uit van een verkeerde premisse en is derhalve ongegrond.
2.2
Met betrekking tot deze boetes voert de eiseres nog aan dat aangezien de verweerder niet aandrong met betrekking tot de vastgestelde feiten in januari 2013, de vastgestelde overtredingen naar aanleiding van de controle in oktober 2013, geen tweede, maar eerste, overtredingen zijn.
De rechtbank kan de eiseres hier niet volgen. Het is niet omdat de verweerder besloten heeft niet verder aan te dringen met betrekking tot de vastgestelde overtredingen in januari 2013 omdat de processen-verbaal die de boete vastlegden een foute juridische grondslag (zie supra) vermeldden, dat de feitelijke overtredingen van januari 2013, zoals vermeld in de verbeterende processen-verbaal van vaststelling, in wezen niet zijn begaan.
De verweerder vermocht derhalve bij dwangbevel met nummer … de boetes terzake opleggen wegens tweede overtreding.
De rechtbank is van oordeel dat de administratieve geldboetes terecht en conform de wettelijke bepalingen werden opgelegd. Er zijn geen redenen om de geldboetes kwijt te schelden of te verminderen.
In zoverre de vordering van de eiseres betrekking heeft op de boetes A.R. 14/2434/A 5 opgelegd bij dwangbevel nr…., is ze ongegrond.
3. Met betrekking tot de gerechtskosten.
De partijen dienen, als deels in het (on)gelijk gestelde partijen, elk te worden verwezen in de helft van de kosten.
Het heeft geen zin om daarbij een rechtsplegingsvergoeding in de zin van de artikelen 1018, sub 60 en 1022 Ger.W. te begroten, wat zou leiden tot een nuloperatie.
Dispositif
OM DEZE REDENEN.
DE RECHTBANK.
Recht doende op tegenspraak.
Verklaart de vordering ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.
Beveelt de vernietiging van de dwangbevelen met nummers …en…, uitgevaardigd op 7 mei 2014 lastens eiseres.
Beveelt de terugbetaling van alle eventueel op grond van deze dwangbevelen ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest.
Zegt voor recht dat er geen kosten te begroten zijn.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag vier april tweeduizend zestien, waar aanwezig waren:
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.