Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du tribunal de première instance de Bruges du 12 janvier 2016 (14/3924/A)
WF : 708-15-14/058707
Taxe sur la valeur ajoutée – Amendes fiscales proportionnelles – Réduction des amendes fiscales – Principe de proportionnalité – Délais de paiement
Dispositions légales
Article 70, § 1er, du Code de la TVA
Arrêté royal n° 41 du 21 octobre 1993 ( ?) (30 janvier 1987 ?) fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée
Article 1244 du Code civil
Résumé
L’assujetti a été sanctionné par une amende fiscale proportionnelle réduite pour paiement tardif de la TVA due. Un compte spécial avait été établi. L’assujetti demande la remise de l’amende infligée ou, à défaut, sa réduction. Subsidiairement des facilités de paiement sont également demandées.
Le juge considère en la circonstance que l’amende réduite a un caractère répressif. Un contrôle de pleine juridiction doit permettre au juge de vérifier si cette décision administrative à caractère pénal est justifiée en fait et en droit et si l’ensemble des dispositions législatives et des principes généraux que l’administration doit observer, parmi lesquels le principe de proportionnalité, ont été respectés lors de l’infliction de l’amende. En l’espèce, le tribunal juge que l’amende est justifiée. Néanmoins le juge constate qu’elle n’est pas proportionnée à la gravité de l’infraction commise et qu’elle doit être ramenée à des proportions raisonnables. L’amende doit, dès lors, être réduite.
Le tribunal constate qu’il n’y a pas d’obstacles pour appliquer en droit fiscal les principes du droit commun en matière de délais de paiement. Lorsqu’il applique l’article 1244 du code civil, le tribunal doit toutefois user de ce pouvoir avec une grande réserve en tenant compte de la situation des parties et des délais dont le débiteur a déjà usé. Il résulte de la création d’un compte spécial avant que les poursuites n’aient été engagées et de l’exercice de la procédure en cours que la demanderesse a déjà bénéficié de facto d’un certain délai de paiement. La demande doit être rejetée.
Remarques
Le juge considère qu’en l’espèce l’amende est justifiée. Mais il prend en compte le fait que l’assujetti a entre-temps entièrement acquitté sa dette en matière de TVA. Il décide que l’amende fiscale infligée n’est pas proportionnée à la gravité de l’infraction commise, qu’elle doit être ramenée à des proportions raisonnables et il la réduit de manière arbitraire à 5.000 EUR. Il en résulte que le principe de proportionnalité n’a pas été correctement appliqué.
Position de l’Etat belge
L’administration s’est portée en appel.
Texte du jugement
La décision est publiée uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge
dd. 12.01.2016
(14/3924/A)
Voornoemde Rechtbank heeft het hierna volgend vonnis verleend in de zaak:
de BVBA J.J.S. T., (Ondernemingsnr…), met zetel te…, eiseres voor wie is opgetreden Meester B. K. loco Meester S. T., advocaat met kantoor te …
TEGEN
de F.O.D. FINANCIËN. Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door mevrouw F.D., Adviseur-Generaal-Gewestelijk Directeur te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4, in de persoon van de Adviseur-de ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te 8400 OOSTENDE, verweerder voor wie is opgetreden mevrouw.S. M. , attaché, verbonden aan de Gewestelijke Directie BTW te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4.
I. RECHTSPLEGING.
Gelet op het fiscaal verzoekschrift tijdig ingediend ter griffie de dato 24.11.2014.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 15.12.2015.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.
2.1. Eiseres heeft een verminderde proportionele boete van 12.700,00 EUR gekregen (15 % van de
verschuldigde 84.728,52 EUR BTW) voor het niet tijdig betalen van de verschuldigde BTW ingevolge haar aangiften van maart, april en mei 2014.
2.2. Eiseres vraagt dat:
- Het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.
- De gevestigde boete wordt vernietigd of ontheven.
- De gevestigde boete wordt kwijtgescholden of verminderd.
- In ondergeschikte orde, gemak van betaling wordt toegestaan.
2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten.
III. BEOORDELING.
3.1. nopens de ontvankelijkheid.
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.
Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten
opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond.
3.2.1. De verminderde toegepaste boete voor een bedrag van 12.700,00 EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om dergelijke boete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat een boete gepast is. Eiseres heeft de verschuldigde BTW ingevolge haar aangiften van maart, april en mei 2014 laattijdig betaald. Desalniettemin moet worden vastgesteld dat de opgelegde boete onevenredig is met de begane inbreuk zodat deze dient te worden herleid tot redelijke proporties. Hierbij houdt de rechtbank ook rekening met het gegeven dat de achterstallige BTW inmiddels volledig werd vereffend en dat deze voor een deel veroorzaakt werd door het betalingsgedrag van haar klanten.
De boete dient dan ook te worden verminderd tot 5.000,00 EUR.
3.2.2. De rechtbank stelt vast dat er geen beletsels zijn om in het fiscaal recht de gemeenrechte-lijke principes met betrekking tot uitstel van betaling te hanteren.
Wanneer het, zoals in het fiscaal recht, gaat om een verbintenis die ontstaat uit de wet, is er in wezen geen enkele reden om artikel 1244 B.W. van die verbintenis uit te sluiten.
Vermits artikel 1244 B.W. uitdrukkelijk stelt dat er van zijn bepalingen door geen enkel beding kan van afgeweken worden heeft de wetgever te kennen gegeven dat artikel 1244, 2de lid B.W. van openbare orde is.
In de mate deze overwegingen leiden tot de confrontatie van twee principes van openbare orde, namelijk dat uit artikel 1244 B.W. en dat van de toepassing van het fiscaal recht, is er niet noodzakelijk een conflict: de openbare orde kan er immers belang bij hebben dat de fiscale verbintenissen van een belastingplichtige niet leiden tot zijn sociale uitsluiting.
De rechtbank moet bij toepassing van artikel1244 B.W. omzichtig te werk gaan. Tevens dient hij de toestand van de partijen en de reeds genoten respijttermijnen in acht te nemen.
Door het opmaken van een bijzondere rekening vooraleer vervolgingen werden opgestart en door het voeren van onderhavige procedure heeft eiseres de facto al van een zeker uitstel genoten.
Het verzoek tot afbetaling wordt dan ook afgewezen.
3.3. nopens de kosten.
Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moeten zij elk hun eigen kosten dragen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.
Zegt voor recht dat de bestreden boete wordt verminderd tot 5.000,00 EUR.
Wijst eiseres van het overige af.
Veroordeelt de partijen elk tot het betalen van hun eigen gerechtskosten van deze procedure, in welke omstandigheden die kosten niet moeten worden begroot.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag twaalf januari tweeduizend en zestien.
Aanwezig zijn:
H. N., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.