Assujetti mixte appliquant la faculté de l’affectation réelle · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2024.0723 10 décembre 2024

Rechercher
Texte en néerlandais

Assujetti mixte appliquant la faculté de l’affectation réelleTVA - Assujetti mixte appliquant la faculté de l’affectation réelle - Article 46, § 2 du C.TVA

https://juriel.be/fr/rulings/2024-0723-assujetti-mixte-appliquant-faculte-affectation-f922

Numéro
2024.0723
Date
10 décembre 2024

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

145 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2024.0723 du 10.12.2024

TVA · Assujetti mixte appliquant la faculté de l’affectation réelle · Article 46, § 2 du C.TVA

Résumé

Cette demande de décision anticipée est introduite au nom de l’association sans but lucratif X, établie en Belgique et identifiée aux fins de la TVA.

X a la qualité d’assujettie mixte à la TVA avec un droit à déduction limité de la TVA. Actuellement, X déduit la TVA en vertu de la règle de l'affectation réelle prévue à l'article 46, § 2, du CTVA, en appliquant un prorata spécial pour les coûts communs quotidiens basé sur la méthode fondée sur le chiffre d’affaires.

X souhaite moderniser et agrandir l’établissement « A ». X travaille sur les plans d'un ensemble immobilier entièrement nouveau qui remplacera les anciens établissements trop petits.

Le Collège du SDA est d'accord avec la qualification TVA proposée par le demandeur pour les opérations à effectuer par X.

X peut exercer sa déduction de la TVA en vertu de la règle de l’affectation réelle prévue à l’article 46, § 2, du CTVA, et plus précisément, elle peut déduire la TVA grevant les coûts de la modernisation et de l'agrandissement prévus de l’établissement « A » en vertu de cette règle.

En vertu de l'article 46, § 2, du CTVA, X peut utiliser les prorata spéciaux et les clés de répartition qu'elle détermine en fonction des critères qu'elle énonce et explique pour calculer l'étendue de son droit à déduction de la TVA en ce qui concerne le projet de modernisation et d'agrandissement prévus de l’établissement « A ».

Le Collège du SDA se prononce uniquement sur la méthodologie à utiliser sans commenter les pourcentages ou les calculs chiffrés.

Texte de la décision

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite

I. Voorwerp van de aanvraag

1. Deze aanvraag om een voorafgaande beslissing wordt ingediend in naam van de in België gevestigde vereniging zonder winstoogmerk X die is geïdentificeerd voor btw-doeleinden.

2. Enerzijds verricht X handelingen die vallen onder de sportvrijstelling overeenkomstig artikel 44, § 2, 3° W.BTW en anderzijds verricht zij diverse handelingen die met btw te belasten zijn. Tevens bevestigt X geen handelingen buiten de werkingssfeer van de btw te verrichten.

X bezit bijgevolg de hoedanigheid van een gemengde btw-plichtige met een beperkt recht op btw-aftrek.

3. X maakt momenteel gebruik van de regel van het werkelijk gebruik om haar btw-aftrekpositie te bepalen en heeft zich hiervoor aangemeld via de aangifte 604. Momenteel brengt X de btw in aftrek volgens de regel van het werkelijk gebruik van artikel 46, § 2 W.BTW met toepassing van een bijzonder verhoudingsgetal voor de dagelijkse gemeenschappelijke kosten, dat is gebaseerd op de omzetverhouding.

4. X wenst de accommodatie “A” (hierna ook “A” genoemd), de accommodatie van de stad S, te moderniseren en uit te breiden.

X werkt met de stad S aan de plannen voor een volledig nieuw gebouwencomplex dat de oude en te kleine bestaande accommodatie moet vervangen. Hiertoe verleent de stad S een recht van opstal.

II. Vraagstelling

5. X wenst haar recht op btw-aftrek met betrekking tot de voorgenomen modernisering en uitbreiding van “A” uit te oefenen op grond van de regel van het werkelijk gebruik overeenkomstig artikel 46, § 2 W.BTW.

6. Gelet op de argumentatie en motivering uiteengezet in de aanvraag om een voorafgaande beslissing, strekt deze aanvraag er toe van de DVB de bevestiging te verkrijgen dat:

• zij het eens is met de door de aanvrager voorgestelde btw-kwalificatie van de door X te stellen handelingen, zoals hierna weergegeven en toegelicht;

• X haar btw-aftrek kan uitoefenen volgens de regel van het werkelijk gebruik overeenkomstig artikel 46, § 2 W.BTW en meer bepaald de btw geheven van de kosten met betrekking tot het beoogd project volgens deze regel in aftrek kan brengen;

• X op grond van artikel 46, § 2 W.BTW de bijzondere verhoudingsgetallen, verdeel- en omslagsleutels zoals deze door haar worden vastgesteld volgens de hierna vermelde en toegelichte criteria (zie randnrs. 25 t.e.m. 34 infra) kan hanteren voor de berekening van de omvang van haar recht op btw-aftrek met betrekking tot dit project.

III. Beslissing

Uit het door de DVB verrichte onderzoek blijkt wat volgt.

7. De aanvraag voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 21 en 22 van de Wet van 24.12.2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.

III.A. Btw-kwalificatie van door X te stellen handelingen en haar btw-hoedanigheid

III.A.1. Btw-kwalificatie van door x te stellen handelingen

8. X geniet momenteel de volgende btw-regeling:

• uitbating van sportinrichting: lid- en inschrijvingsgelden vrijgesteld van btw (op grond van artikel 44, § 2, 3° W.BTW);

• organisatie van sportmanifestaties (competitiewedstrijden) en toekenning van het recht op toegang tot de inrichting aan anderen dan degenen die aan sport komen doen (toeschouwers): entreegelden en vergoedingen belast met btw (op grond van artikel 18, § 1, tweede lid, 12° W.BTW);

• het verschaffen van spijzen en dranken om ter plaatse te worden verbruikt: inkomsten uit de uitbating van de cafetaria en van de afhaalcatering (take-away) btw-belast (op grond van artikel 18, § 1, tweede lid, 11° W.BTW);

• voeren van reclame (werving van publiciteit, sponsoring) (zie randnr. 21 supra): btw-belast (op grond van artikel 18, § 1, tweede lid, 1° W.BTW);

• verkoop van sportkleding: btw-belast (artikel 10 W.BTW);

• verhuur van sportmateriaal: btw-belast (artikel 18, § 1, tweede lid, 4° W.BTW).

Uitbating van een sportinrichting

9. Artikel 44, § 2, 3° W.BTW verleent vrijstelling van btw voor de diensten verstrekt door uitbaters van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen, wanneer die uitbaters en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en zij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan.

Onder deze vrijstelling van btw vallen alle inrichtingen waar een werkzaamheid wordt uitgeoefend die van die aard is dat ze de lichamelijke ontplooiing bevordert zoals bijvoorbeeld sportterreinen.

De btw-administratie neemt aan dat de uitbater niet zelf over een onroerende infrastructuur moet beschikken (1). Het is noodzakelijk maar voldoende dat er een organisatie bestaat die sportbeoefening of lichaamsontplooiing mogelijk maakt door uitrusting ter beschikking te stellen of leiding te geven.


[(1) Parl. Vr. nr. 363 DE CLIPPELE van 18.01.2000, Vr. en Antw. Senaat, 1999-2000, nr. 2-12, 550.]


De vrijstelling is afhankelijk van de dubbele voorwaarde dat:

- de uitbater een instelling is die geen winstoogmerk heeft (2) ;


[(2) Beslissing nr. E.T. 104.780 van 27.11.2003, www.fisconetplus.be.]


- de ontvangsten uit die vrijgestelde activiteit uitsluitend worden gebruikt om de exploitatiekost te dekken (3).


[(3) Parl. Vr. nr. 421 CORDEEL van 04.11.1993, Vr. en Antw. Kamer, 1993-1994, nr. 88, 8540.]


10. De vrijstelling is beperkt tot de door de uitbaters verstrekte diensten die nauw verband houden met de beoefening en het aanleren van de sport of lichaamsontplooiing, daaronder begrepen het ter beschikking stellen van sporttoestellen of -artikelen nodig voor de beoefening of het aanleren ervan (4).


[(4) Beslissing nr. E.T. 24.946 van 09.03.1978, www.fisconetplus.be; Parl. Vr. Nr. 862 DEWORME van 04.10.1994, Vr.

en Antw. Senaat, 1994-1995, 133, 7013.]


Het zijn enkel de diensten die nauw samenhangen met de beoefening van de sport en lichamelijke opvoeding, die onder de bedoelde vrijstelling vallen. De vrijstelling geldt dus niet voor diensten die volledig losstaan van de actieve sportbeoefening.

11. Wat de andere diensten betreft die door de uitbaters van sportinrichtingen worden verleend, bijvoorbeeld het organiseren van sportmanifestaties waarvoor ze entreegelden vragen, de toekenning van het recht op toegang tot de inrichting tegen betaling van een vergoeding aan anderen dan degenen die aan sport komen doen (overeenkomstig artikel 18, § 1, tweede lid, 12° W.BTW) of het verschaffen van spijzen en dranken om ter plaatse te worden verbruikt (overeenkomstig artikel 18 § 1, tweede lid, 11° W.BTW), kan, behoudens de eventueel toepasselijke uitzonderingen, geen aanspraak worden gemaakt op de bedoelde btw-vrijstelling.

12. Voor de organisatie van sportmanifestaties (competitiewedstrijden) waarvoor X entreegelden vraagt of de toekenning van het recht op toegang tot de accommodatie “A” tegen betaling van een vergoeding aan anderen dan degenen die aan sport komen doen (toeschouwers), kan door X geen aanspraak worden gemaakt op de btw-vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 3° W.BTW.

De DVB deelt de mening van de aanvrager dat de bedoelde entreegelden en vergoedingen door X te belasten zijn met btw. Deze vzw maakt geen gebruik van de administratieve toegeving waarbij wordt aanvaard dat entreegelden of vergoedingen van btw worden vrijgesteld wanneer het om betrekkelijk geringe bedragen gaat.

Uitbating van een drankgelegenheid naast een sportinrichting

13. Het verschaffen van spijs en drank in restaurants en cafés en, meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse, is met btw te belasten op grond van artikel 18, § 1, tweede lid, 11° W.BTW. Of de uitbater van de eet- of drankgelegenheid een winstoogmerk nastreeft of niet, heeft geen belang.

14. Uitbaters van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding waarvan de activiteiten zijn vrijgesteld krachtens artikel 44, § 2, 3° W.BTW, mogen hun ontvangsten uit de uitbating van een drank- of eetgelegenheid vrijstellen voor zover een aantal voorwaarden samen zijn vervuld. Wanneer één of meerdere voorwaarden niet vervuld zijn, dan zijn de ontvangsten uit de uitbating van de drank- of eetgelegenheid voor het geheel met btw te belasten (5), tenzij de uitbater zich kan beroepen op de franchiseregeling voor kleine ondernemingen. Dit geldt ook indien de uitbating van de drank- of eetgelegenheid aan een derde in concessie wordt gegeven. De voorwaarden waaronder de ontvangsten uit de uitbating van de drank- of eetgelegenheid van btw kunnen worden vrijgesteld, zijn de volgende:


[(5) Beslissing nr. E.T. 130.298 van 12.09.2016, www.fisconetplus.be.]


• de uitbating van de drank- of eetgelegenheid gebeurt op de site van de inrichting waar de vrijgestelde handelingen worden verricht;

• de drank- of eetgelegenheid is slechts toegankelijk voor personeelsleden, sportbeoefenaars en toeschouwers. Aan deze voorwaarde is in elk geval voldaan wanneer de drank- of eetgelegenheid niet toegankelijk is buiten de openingsuren van de inrichting én niet rechtstreeks toegankelijk is van buiten af. Het voldoen aan deze voorwaarde kan ook worden aangetoond aan de hand van andere feitelijke elementen;

• de vrijgestelde handelingen van de instelling moeten een overwegend deel van haar activiteit uitmaken. Dit impliceert dat het totaalbedrag, per kalenderjaar, van de vrijgestelde handelingen groter is dan het totaalbedrag van de overige verrichte handelingen (belaste handelingen én overige vrijgestelde handelingen, met inbegrip van de drank- of eetgelegenheid);

• de ontvangsten uit de uitbating van de drank- of eetgelegenheid mogen niet meer bedragen dan 10% van de omzet van de vrijgestelde handelingen van de betrokken inrichting. Een eenmalige overschrijding (d.i. niet meer dan één keer per periode van 5 opeenvolgende kalenderjaren) van deze drempel met 10% (dus hoogstens 11%), wordt buiten beschouwing gelaten.

Deze voorwaarden moeten worden getoetst op basis van de handelingen verricht in het vorige kalenderjaar en op basis van de tijdens dat kalenderjaar gerealiseerde omzet. Wanneer aan één van de bedoelde voorwaarden niet langer is voldaan, vervalt deze administratieve toegeving vanaf het volgende kalenderjaar.

15. Voor het verschaffen van spijzen en dranken om ter plaatse te worden verbruikt, kan door X in haar hoedanigheid van uitbater van een sportinrichting geen aanspraak worden gemaakt op de btw-vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 3° WBTW.

De ontvangsten uit de uitbating van de cafetaria bedragen ook meer dan 10% van de omzet van de vrijgestelde handelingen van X zodat de administratieve toegeving in de beslissing nr. E.T. 130.298 van 12.09.2016, niet van toepassing kan zijn.

De DVB is van oordeel dat de ontvangsten uit de uitbating van de cafetaria door X dan ook met btw te belasten zijn

16. Voor afhaalcatering (take-away) kan door X evenmin aanspraak worden gemaakt op de btw-vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 3° WBTW.

De DVB is het ook eens met het standpunt van X dat ook de inkomsten van de afhaalcatering (take-away, door haar aangeduid als de ‘snelle hap’), met btw te belasten zijn.

Het voeren van reclame en het verlenen van het recht om reclame te voeren

17. Het voeren van reclame en het verlenen van het recht om reclame te voeren zijn geen handelingen die rechtstreeks in verband staan met de beoefening of het aanleren van sport of lichamelijke opvoeding.

Bijgevolg is in principe de btw (tegen het standaardtarief dat thans 21% bedraagt) verschuldigd over de vergoeding die de uitbater ontvangt voor het verrichten van die handelingen. Hierbij wordt er geen onderscheid gemaakt naargelang de ter beschikking gestelde ruimte voor het aanbrengen van reclame of van een reclamebord betrekking heeft op een lichamelijk roerend of onroerend goed dan wel de plaats voor het aanbrengen van die reclame bepaald of onbepaald is (6).


[(6) Beslissing nr. E.T. 77.024 van 10.05.1999, Btw-Revue, afl. 143, 550; Beslissing nr. E.T. 104.989 van 28.03.2006,

www.fisconetplus.be.]


18. Voor reclamediensten kan door X geen aanspraak worden gemaakt op de btw-vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 3° W.BTW.

De DVB is het eens met het standpunt van X dat zij de bedoelde inkomsten van reclame (publiciteit, sponsoring) met btw dient te belasten.

Verkoop van sportkleding

19. Voor de verkoop van sportkleding kan door X geen aanspraak worden gemaakt op de btw-vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 3° W.BTW.

De DVB deelt het standpunt van de aanvrager dat de inkomsten uit de verkoop van sportkleding door X met btw te belasten zijn.

Verhuur van sportmateriaal

20. Voor de verhuur van sportmateriaal kan door X geen aanspraak worden gemaakt op de btw-vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 3° WBTW.

De DVB deelt het standpunt van de aanvrager dat de inkomsten uit de verhuur van sportmateriaal door X met btw te belasten zijn.

III.A.2. Btw-hoedanigheid van X

21. Enerzijds verricht X handelingen die vallen onder de sportvrijstelling overeenkomstig artikel 44, § 2, 3° W.BTW en anderzijds verricht zij diverse handelingen die met btw te belasten zijn. Tevens bevestigt X geen handelingen buiten de werkingssfeer van de btw te verrichten.

X bezit bijgevolg de hoedanigheid van een gemengde btw-plichtige met een beperkt recht op btw-aftrek..

22. X maakt momenteel gebruik van de regel van het werkelijk gebruik om haar btw-aftrekpositie te bepalen en heeft zich hiervoor aangemeld via de aangifte 604. Momenteel brengt X de btw in aftrek volgens de regel van het werkelijk gebruik met toepassing van een bijzonder verhoudingsgetal voor de dagelijkse gemeenschappelijke kosten, gebaseerd op de omzetverhouding.

III.B. Methodiek van btw-aftrek en bepaling van btw- aftrekpositie

III.B.1. Methodiek van btw-aftrek: outline – link tussen aftrek (input) en afdracht (output)

23. De regel van het werkelijk gebruik is in wezen een systeem van toewijzing (affectatie) van kosten aan welbepaalde activiteiten of sectoren (met andere woorden, het bestemmingsbeginsel wordt (opnieuw) toegepast). Bij toepassing van deze methode valt de btw geheven van de gedane beroepsuitgaven op te splitsen in drie groepen:

- btw geheven van goederen en diensten die uitsluitend voor de belaste sector van de economische activiteit zijn bestemd: btw volledig aftrekbaar volgens de gangbare regels;

- btw geheven van goederen en diensten die uitsluitend voor de niet-belaste sector van de economische activiteit zijn bestemd: btw niet aftrekbaar;

- btw geheven van goederen en diensten die voor beide sectoren zijn bestemd:

• btw aftrekbaar volgens een algemeen verhoudingsgetal;

• btw aftrekbaar volgens een bijzonder verhoudingsgetal (indien specifieke criteria voorhanden zijn, kan een bijzondere verhouding worden vastgesteld).

De btw geheven van de gedane beroepsuitgaven valt vooreerst op te splitsen in een sector met volledig recht op aftrek van btw en een sector met gedeeltelijk of beperkt recht op aftrek van btw. Daarnaast is er nog een sector waarin de kosten niet kunnen worden toewezen (geaffecteerd) aan één van beide voornoemde sectoren omdat ze er gemeenschappelijk aan zijn.

24. Deze rulingaanvraag heeft betrekking op de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik evenals op de methodiek van de bijzondere verhoudingsgetallen, omslag- of verdeelsleutels die de aanvrager wenst toe te passen om zijn recht op aftrek van btw op zijn beroepsuitgaven, zowel de zuiver als de niet zuiver toewijsbare uitgaven (gemengde kosten), te kunnen uitoefenen.

Dergelijke bijzondere verhoudingsgetallen kunnen worden vastgesteld zoals een algemeen verhoudingsgetal of kunnen eventueel op grond van andere criteria worden bepaald.

Voor de bepaling van een bijzonder verhoudingsgetal dient een duidelijke, aanvaardbare, werkbare en na een verloop van tijd nog controleerbare omslag- of verdeelsleutel bepaald te worden.

Dit bijzonder verhoudingsgetal kan gebaseerd zijn op bijvoorbeeld de personeelssterkte, de oppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor de verschillende activiteiten, de verhouding van het aantal afgelegde kilometers voor de onderscheiden activiteiten, het aantal behandelde dossiers, de tijd aangewend voor de belaste respectievelijk de vrijgestelde activiteit of de CPU-tijd (i.e. de verwerkingstijd die een enkel programma nodig heeft).

III.B.2. Methodiek van btw-aftrek: toepassing in casu

25. Momenteel brengt X de btw in aftrek volgens de regel van het werkelijk gebruik met toepassing van een bijzonder verhoudingsgetal voor de dagelijkse gemeenschappelijke kosten, dat is gebaseerd op de omzetverhouding.

Voor jaar j bedroeg het bijzonder verhoudingsgetal p%.

26. Wanneer X de regel van het werkelijk gebruik effectief bewijst en toepast, sluit deze regel het beste aan bij het in artikel 45 W.BTW en artikel 173 van de btw-richtlijn 2006/112/EG van 28.11.2006 neergelegde basisbeginsel. Dit basisbeginsel houdt in dat er enkel btw-aftrek is in de mate waarin goederen of diensten worden gebruikt voor btw-belaste handelingen.

27. De boekhouding van X is erop georganiseerd dat de bestemming van de erin opgenomen kosten duidelijk blijkt.

28. De toepassing van de regel van het werkelijk gebruik houdt in dat de kosten moeten worden toegewezen aan de activiteit waarop zij betrekking hebben, anders verwoord, het bestemmingsbeginsel wordt volledig toegepast.

Er zullen kosten zijn die op beide activiteiten betrekking hebben en aldus een gemengd karakter vertonen. De btw op dergelijke kosten kan dan niet volledig worden afgetrokken. Er bestaan geen regels om de aftrek van de btw op dergelijke uitgaven te beperken. Hier moeten dus oplossingen worden gezocht die zo nauw mogelijk aansluiten bij het bestemmingsbeginsel en de realiteit, die werkbaar zijn en op termijn controleerbaar zijn door de btw-administratie.

Er kunnen bijzondere verhoudingsgetallen worden opgesteld of uitgewerkt, of aparte regels worden gehanteerd. Zo kan men eventueel naargelang de soort van kost, omslag- of verdeelsleutels uitwerken op grond van de oppervlakte van de lokalen, het tewerkgesteld personeel, e.a. (cf. supra).

29. De regel van het werkelijk gebruik houdt in dit geval concreet in dat kosten in principe rechtstreeks zullen worden toegewezen aan de betreffende accommodatie (“A”) volgens objectieve parameters.

Voor de accommodatie die gemengd wordt gebruikt, zal een toewijzing gebeuren op basis van het aantal bruikbare vierkante meters.

Oppervlaktes die een met btw belaste bestemming hebben gekregen, worden bij deze berekening als een positief element in aanmerking genomen. Oppervlaktes die geen met btw belaste bestemming hebben gekregen, beïnvloeden het recht op btw-aftrek negatief. Bij de berekening van de specifieke omslag- of verdeelsleutel, wordt een verhoudingsgetal berekend waarbij in de noemer de volledige bruikbare oppervlaktes van 'btw-belaste' en 'btw-vrijgestelde' oppervlaktes in aanmerking worden genomen. In de teller wordt enkel rekening gehouden met 'btw-belaste' oppervlaktes.

Oppervlaktes die geen specifieke btw-belaste of btw-vrijgestelde bestemming krijgen, zijn onderworpen aan een verhoudingsgetal dat is samengesteld uit de som van alle 'btw-belaste' oppervlaktes (teller) en de som van de 'btw-belaste' en 'btw-vrijgestelde' oppervlaktes op de projectsite.

30. De DVB benadrukt dat deze methode op basis van het oppervlaktecriterium een vereenvoudigde forfaitaire methode is, in die zin dat abstractie wordt gemaakt van mogelijke specifieke waardeverschillen tussen de diverse gedeelten van de accommodatie en voor alle gedeelten ervan dezelfde waardebepaling wordt gebruikt. In gevallen waarin geen voldoende betrouwbare en objectieve gegevens voorhanden zijn om die waardeverschillen met voldoende precisie te bepalen, biedt deze vereenvoudigde berekeningsmethode volgens de DVB een aanvaardbare oplossing voor de waardebepaling van de verschillende gedeelten van een gebouw.

31. De aanvrager aanvaardt het concreet voorstel van de DVB om de kosten voor de oprichting van de accommodatie A toe te wijzen aan btw-belaste c.q. btw-vrijgestelde activiteiten op basis van het aantal m² en om de kosten voor de inrichting (die kunnen variëren naargelang de ruimte) individueel toe te wijzen aan de betreffende activiteit uitgeoefend in de ruimte.

III.B.3. Bepaling van btw-aftrek

III.B.3.1. Gebruik van verschillende ruimtes van de accommodatie (“A”)

32. Op basis van de plannen voor de modernisering en uitbreiding van de accommodatie “A” kunnen in fase 1 een aantal ruimtes worden onderscheiden alsook het gebruik ervan.

33. Voor de bepaling van het recht op btw-aftrek met betrekking tot fase 1, wordt er aldus:

• alfa aantal m² aan ruimtes gebruikt voor met btw belaste activiteiten, hiervan is de btw volledig aftrekbaar;

• bèta aantal m² aan ruimtes gebruikt voor van btw vrijgestelde activiteiten, hiervan is de btw niet aftrekbaar;

• gamma aantal m² aan ruimtes die gemengd worden gebruikt, hiervan is de btw aftrekbaar volgens de volgende verdeelsleutel: de verhouding oppervlakte belast/totaal van belast en vrijgesteld bedraagt p%. Dit percentage kan dan door X worden toegepast op alle ‘fase 1’ facturen van de aannemer met betrekking tot de gemengd gebruikte ruimtes.

34. Voor de kosten die geen betrekking hebben op de gebouwen zal X uiteraard ook de regel van het werkelijk gebruik blijven toepassen:

• de btw met betrekking tot kosten die toe te wijzen zijn aan de sportactiviteit is niet aftrekbaar;

• de btw met betrekking tot kosten die toe te wijzen zijn aan een met btw belaste activiteit is aftrekbaar;

• de btw met betrekking tot kosten die een gemengd gebruik kennen, wordt in aftrek genomen volgens een bijzondere verhoudingsgetal gebaseerd op de omzet.

III.B.3.2. Btw-lot van de ontvangen investeringssubsidies

35. Ontvangen subsidies en gelden die niet rechtstreeks met de prijs van belaste uitgaande handelingen verband houden, hebben in principe geen impact op het recht op btw-aftrek van degene die de gelden ontvangt.

Deze subsidies worden niet opgenomen in het algemeen verhoudingsgetal (7). EU-lidstaten kunnen opleggen dat in de noemer van het algemeen verhoudingsgetal andere subsidies worden opgenomen dan die welke rechtstreeks met de prijs verband houden (artikel 174.1, tweede lid van de btw-richtlijn 2006/112/EG van 28.11.2006). België heeft de optie om subsidies in het algemeen verhoudingsgetal op te nemen, nooit gelicht (8).


[(7) Parl. Vr. nr. 314 NYSSENS van 22.12.1999, Vr. en Antw. Senaat 20.06.2020, nr. 2-18, 825 en 826.]

[(8) Parl. Vr. nr. 314 NYSSENS van 22.12.1999, Vr. en Antw. Senaat 20.06.2020, nr. 2-18, 825 en 826.]


36. Een gemengde belastingplichtige die zijn btw-aftrek berekent volgens de regel van het werkelijk gebruik, zoals X, past geen algemeen verhoudingsgetal toe, in het bijzonder voor de sector van zijn activiteit waarvoor hij een volledige btw-aftrek heeft.

Voor het bepalen van het recht op btw-aftrek van X in haar hoedanigheid van gemengde belastingplichtige die de regel van het werkelijk gebruik toepast, mag hierbij dan geen rekening worden gehouden met de bedoelde subsidies, zoals blijkt uit het arrest Varzim Sol van het Hof van Justitie van de Europese Unie (9).


[(9) H.v.J. 16.02.2002, C-25/11, Varzim Sol, www.curia.europa.eu.]


Wanneer een bijzonder verhoudingsgetal moet worden berekend voor de gemengde kosten die niet uitsluitend toewijsbaar zijn aan een bepaalde categorie van activiteiten, moet de vaststelling ook dan blijven dat bij de toepassing van de regel van het werkelijk gebruik de hiervoor bedoelde btw-richtlijn geen letterlijke basis bevat om de bedoelde subsidies mee te nemen. Op dit punt is het arrest Varzim Sol formeel.

37. De door X ontvangen subsidies zijn investeringssubsidies. Op grond van wat voorafgaat besluit de DVB dat deze door X ontvangen subsidies geen impact hebben op haar recht op btw-aftrek.

III.B.4. Tussenconclusie

38. De DVB kan inzake individuele gevallen een beslissing nemen over de wijze waarop de regel van het werkelijk gebruik overeenkomstig artikel 46, § 2 W.BTW kan worden toegepast, voor zover uiteraard de verrichting nog geen fiscale uitwerking heeft voor btw, quod certe non in casu, weliswaar zonder zich uit te spreken over de gehanteerde percentages of de cijfermatige berekeningen.

Rekening houdend met al wat voorafgaat kan de DVB zich er akkoord mee verklaren dat X haar recht op aftrek van btw bepaalt volgens de methodiek vooropgesteld en toegelicht door haar in randnummers 25 tot en met 34 van deze voorafgaande beslissing.

39. De DVB doet in dit individueel geval dus enkel uitspraak over de te hanteren methodiek zonder zich expliciet uit te spreken over de concrete percentages of de cijfermatige berekeningen. Het bevoegd lokaal btw-controlekantoor waarvan de aanvrager afhangt, kan aan de hand van de door de DVB omschreven methodiek de concrete cijfermatige toepassing alsnog onderzoeken en beoordelen.

40. De DVB benadrukt tenslotte volledigheidshalve dat in de gegeven omstandigheden het bedrag van de door X ontvangen investeringssubsidies zonder invloed is op het bepalen van het recht op btw-aftrek van X en dat deze investeringssubsidies ook buiten beschouwing moeten blijven wanneer een bijzonder verhoudingsgetal wordt berekend voor de gemengde kosten die niet uitsluitend toewijsbaar zijn aan een bepaalde categorie van activiteiten.

IV. Conclusie

41. Het College van de DVB is het eens met de door de aanvrager voorgestelde btw-kwalificatie van de door X te stellen handelingen.

42. X kan haar btw-aftrek uitoefenen volgens de regel van het werkelijk gebruik overeenkomstig artikel 46, § 2 W.BTW, en meer bepaald de btw geheven van de kosten van de voorgenomen modernisering en uitbreiding van de accommodatie “A” volgens deze regel in aftrek brengen.

43. X kan op grond van artikel 46, § 2 W.BTW de bijzondere verhoudingsgetallen, verdeel- en omslagsleutels zoals deze door haar worden vastgesteld volgens de hiervoor vermelde en toegelichte criteria (zie randnrs. 25 t.e.m. 34 supra) kan hanteren voor de berekening van de omvang van haar recht op btw-aftrek met betrekking tot de voorgenomen modernisering en uitbreiding van de accommodatie “A”.

44. Het College van de DVB doet hierbij enkel uitspraak over de te hanteren methodiek zonder zich uit te spreken over de percentages of de cijfermatige berekeningen.

Textes cités

4