Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Décision anticipée n° 2022.1099 du 17.01.2023
Impôts sur les revenus · Etablissement belge · Impôts de non - résidents
TVA · Etablissement stable
Résumé
1. La présence de stocks appartenant au demandeur dans les locaux professionnels belges de Z donnera lieu à un établissement belge conformément à l’article 229, §1er, CIR 92 dans le chef du demandeur, ce stock n’entraînant pas l’attribution d’un bénéfice à cet établissement belge vu les faits de la demande.
2. La présence de stocks sur le territoire belge, par laquelle le demandeur, un assujetti qui n’est pas établi en Belgique à des fins de TVA, opère des transactions imposables en Belgique, ne donne pas lieu dans le chef du demandeur à un établissement stable à des fins de TVA en Belgique. Ceci parce les décisions commerciales du demandeur et les processus opérationnels seront entièrement mis en œuvre et exécutés à partir d’un pays tiers où se trouve le siège de l’activité économique du demandeur.
La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat:
1.1. het gebruik door aanvrager van opslag-diensten op de A-locatie van (België) en de daarmee gepaard gaande aanwezigheid van X-voorraden in de installaties niet leidt tot een Belgische inrichting (‘BI’) overeenkomstig artikel 229, §1 van het Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 (‘WIB92’);
1.2. zelfs indien de aanvrager geacht zou worden een BI te hebben als bedoeld in artikel 229, §1 WIB92 (quod non volgens de aanvrager), mag aan de BI van de aanvrager geen winst worden toegerekend volgens de zogeheten Authorized OECD Approach methode (‘AOA’).
1.3. aanvrager niet beschikt over een vaste inrichting (‘VI') in België voor btw-doeleinden voor haar uitgaande handelingen overeenkomstig de artikelen 50, 51 en 55 W.Btw, noch over een vaste inrichting in België voor btw-doeleinden voor haar inkomende handelingen overeenkomstig artikel 21, §2 W.Btw.
II. Beslissing
2. De aanvragers hebben in de aanvraag de voorwaarden vervat in de artikelen 21 en 22 van de voormelde wet van 24 december 2002 nageleefd.
II.A. Vennootschapsbelasting
3. De aanvrager is blijkens de aanvraag een fiscaal inwoner van T. Tussen België en T is er op heden geen dubbelbelastingverdrag in werking.
4. Om ervoor te zorgen dat de aanvrager goederen kan leveren op de A-locatie en gebruik kan maken van de diensten op de operator Z, heeft de aanvrager een A-dienstenovereenkomst afgesloten met Z als operator van de A-locatie. In het kader van deze dienstenovereenkomst zal Z gebruik maken van haar eigen lokalen en faciliteiten en net als elke andere dienstverlener, een dienst verlenen aan de aanvrager. De aanvrager stelt dat hij geen enkele controle, toegang of (vrij) gebruik heeft over de A-faciliteiten.
5. Artikel 229, §1 WIB92 stelt dat:
“§ 1. Onder de uitdrukking 'Belgische inrichting' wordt verstaan elke vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de beroepswerkzaamheden van een buitenlandse onderneming geheel of gedeeltelijk in België worden uitgeoefend.
Een vaste bedrijfsinrichting vormt in het bijzonder:
1° een plaats waar leiding wordt gegeven;
2° een filiaal;
3° een kantoor;
4° een fabriek;
5° een werkplaats;
6° een agentuur;
7° een mijn, een steengroeve of enige andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen;
8° een bouw- of constructiewerk waarvan de duur een ononderbroken periode van 30 dagen overschrijdt;
9° een opslagplaats;
10° een goederenvoorraad.”
6. De opsomming in artikel 229, §1 WIB 92 vermeldt uitdrukkelijk de goederenvoorraad. Deze opsomming is bovendien exemplarisch van aard. De analyse over het al dan niet bestaan van een inrichting vergt een feitelijke beoordeling, waarbij de vormgeving van de inrichting niet doorslaggevend is, zoals bijvoorbeeld een bestendig gebruikte ruimte in een douanedepot (Com.IB 229/3), een pijpleiding,…
7. Het feit dat er sprake is van een al dan niet exclusieve huur van een faciliteit (eerder dan een eigendom) is op zich niet doorslaggevend.
8. Het feit dat de notie “Belgische inrichting” door de wetgever meermaals in lijn is gebracht met de standaard die de OESO hanteert voor het begrip “vaste inrichting” in haar model van dubbelbelastingverdragen, is ook niet determinerend vermits het inrichtingsbegrip onder artikel 229, §1 WIB 92 ruimer is geformuleerd dan onder het OESO-modelverdrag. De lijst met voorbeelden in artikel 229, §1 WIB 92 is ruimer dan haar tegenhanger in artikel 5(2) van het modelverdrag.
9. Daarnaast is in het WIB 92 geen lijst aanwezig van activiteiten die worden geacht géén aanleiding te geven tot het bestaan van een Belgische inrichting. Het WIB 92 voorziet geen specifieke vrijstellingen voor werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben. Bijgevolg kan internrechtelijk de loutere aanwezigheid in België van goederen die eigendom van de aanvrager zijn, een Belgische inrichting doen ontstaan.
10. Het feit dat de prijszetting voor het gebruik van de faciliteiten gereguleerd is en de prijszetting gekoppeld is aan # criteria is op zich ook niet onderscheidend : “Onder opslagplaats of depot, wordt een opslagplaats, pakhuis, loods, stortgelegenheid enz. bedoeld, welke een buitenlandse onderneming blijvend en uitsluitend, onder bezwarende titel of kosteloos, als eigenaar, huurder of anderszins in België tot haar beschikking heeft. Een dergelijke inrichting wordt in beginsel als een Belgische inrichting beschouwd indien zij in feite, zo niet in rechte, blijvend aan de buitenlandse onderneming toebehoort en aan zodanige beheers- of garantieregels is onderworpen dat daaruit volgt dat die onderneming er een deel van haar werkzaamheden uitoefent” (Com.IB 229/30). Het feit dat de beschikking over de capaciteit op de A-locatie niet exclusief is (of de toegangsrechten evolutief zouden zijn), verandert dit niet.
11. Het feit dat de aanvrager een goederenvoorraad in België zou opslaan, zal bijgevolg overeenkomstig artikel 229, §1 WIB92 aanleiding geven tot het bestaan van een Belgische inrichting in hoofde van de aanvrager. Op basis van de verstrekte informatie en de verstrekte feitelijkheden wordt minstens niet het tegendeel aangetoond.
12. Het louter bestaan van een Belgische inrichting is evenwel niet voldoende om te besluiten dat de winst die (mogelijks) haar oorsprong vindt in het land waar de inrichting is gevestigd, ook door deze inrichting is opgebracht.
13. Een vaste inrichting vormt een Belgische inrichting indien de onderneming daarin haar werkzaamheden geheel of gedeeltelijk uitoefent. Die werkzaamheden moeten niet van productieve aard zijn. Zij moeten evenmin voortdurend, in de zin van ononderbroken, zijn maar moeten wel geregeld plaatsvinden. Bij de beoordeling van dit criterium moet men voldoende aandacht besteden aan de specifieke aard van de onderneming (Com.IB 229/5).
14. Uit de website van aanvrager blijkt het volgende over haar activiteiten: [#]
15. Aanvrager kan gevolgd worden in zijn stelling dat voor de toerekening van winst aan de Belgische inrichting de methoden van de AOA (minstens deels) richtinggevend zijn, waarbij wordt gestart met een feitelijke en functionele analyse.
16. De activiteiten van aanvrager betreffen m.a.w. het nemen en beheren van posities op een globale # markt. Deze taken worden volgens aanvrager uitgeoefend door “decision makers” die (in hoofdzaak) in T actief zijn, maar alleszins buiten België. Het feit of een deal met/zonder opslag gebeurt, zou als dusdanig niet van belang zijn in de waarde-ketting, vermits andere (markt-)criteria doorslaggevend zijn. De aanvrager stelt bovendien dat de regulering van de A-locatie dermate is, dat een toegang of fysieke controle op de voorraad door aanvrager in de feiten niet mogelijk is.
17. Alle activiteiten met betrekking tot de Belgische opslagplaats worden verricht door A. De vergoeding die aanvrager zal betalen/ontvangen door een deal, zal een gevolg zijn van een onafhankelijke markttransactie en zal in principe marktconform zijn en niet beïnvloed zijn door de prijs van de dienstverlening door A als dusdanig.
18. De aanvrager zal eveneens geen wettelijk vertegenwoordiger/werknemer hebben die in België werkzaam is of fysiek aanwezig is. De opslagfuncties zullen vanuit het land T worden aangestuurd. De aanvrager zal in België dan ook geen (personele) inrichting in de vorm van een afhankelijk vertegenwoordiger hebben.
19. De aanvrager kan in concreto gevolgd worden in zijn stelling dat, gelet op de bijzondere aard van zijn activiteiten (financiële posities op een globale markt) volledig uitgeoefend buiten België en de bijzondere gereguleerde voorwaarden van de opslag in België, er geen winsten aan de Belgische (materiële) inrichting toegewezen dienen te worden.
20. Bijgevolg zal de aanvrager in België een nihil-aangifte in de belasting niet-inwoners kunnen indienen.
II.B. BTW luik
21. Het begrip vaste inrichting voor btw-doeleinden is niet identiek aan “de vaste inrichting” bij directe belastingen (1). Dit omdat ze elk binnen hun materie, hun eigen rechtsgrondslag en derhalve hun eigen toepassingsgebied hebben. Om voormelde redenen geldt het inzake directe belastingen door de DVB ingenomen standpunt niet inzake btw, maar dringt een afzonderlijke analyse zich op.
[(1) FCE Bank Plc, C-210/04, randnummer 39]
II.B.1. Vaste inrichting voor btw-doeleinden
II.B.1.1 Algemeen
22. Artikel 4, § 1, van het Btw-wetboek omschrijft de btw-plichtige als, eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.
23. Voormelde houdt in dat een niet in België gevestigd (rechts)persoon die buiten België een activiteit als belastingplichtige in de zin van het Wetboek uitoefent, voor de handelingen (leveringen van goederen en diensten) die hij hier te lande verricht, voor de toepassing van de Belgische btw-wetgeving beschouwd wordt als een belastingplichtige.
24. De regeling welke van toepassing is op de niet in België gevestigde belastingplichtigen die in België leveringen of diensten verrichten, verschilt evenwel naargelang ze in België al dan niet over een vaste inrichting beschikken.
25. Het begrip “vaste inrichting”, wordt niet gedefinieerd in het Belgische btw-wetboek, noch in de btw-richtlijn 2006/112/EG.
26. Hierbij dient men terug te grijpen naar de uitvoeringsverordening nr 282/2011, genomen ter uitvoering van de btw-richtlijn 2006/112/EG, in het bijzonder hoofdstuk V, artikel 10 en 11 hierna geciteerd. Alwaar in artikel 10, voormeld, de criteria aangereikt worden om de plaats van de zetel van bedrijfsuitoefening te kunnen bepalen, alvorens in artikel 11, voormeld, de criteria weer te geven opdat men zou kunnen oordelen of en wanneer er een vaste inrichting voor btw-doeleinden bestaat.
26.1. “Voor de toepassing van de artikelen 44 en 45 van Richtlijn 2006/112/EG wordt onder de plaats waar een belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, de plaats verstaan waar de centrale bestuurstaken van het bedrijf worden uitgeoefend.
26.2. Om te bepalen waar de in lid 1 bedoelde plaats gelegen is, wordt rekening gehouden met de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van het bedrijf worden genomen, de plaats van de statutaire zetel van het bedrijf en de plaats waar de bestuurders van het bedrijf bijeenkomen.
Wanneer op grond van deze criteria niet met zekerheid kan worden bepaald waar de zetel van de bedrijfsuitoefening van een bedrijf is gevestigd, is de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van het bedrijf worden genomen het doorslaggevende criterium.
26.3. Het enkele bestaan van een postadres is ontoereikend om dat adres aan te merken als de plaats van de zetel van de bedrijfsuitoefening van een belastingplichtige.”
II.B.1.2. “Artikel 11”
26.4. Voor de toepassing van artikel 44 van Richtlijn 2006/112/EG wordt onder „vaste inrichting” verstaan iedere andere inrichting dan de in artikel 10 van deze verordening bedoelde zetel van de bedrijfsuitoefening die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om de voor haar eigen behoeften verrichte diensten te kunnen afnemen en ter plaatse te gebruiken.
26.5. Voor de toepassing van de volgende artikelen wordt onder „vaste inrichting” verstaan iedere andere inrichting dan de in artikel 10 van deze verordening bedoelde zetel van de bedrijfsuitoefening die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een — wat personeel en technische middelen betreft — geschikte structuur om de door haar te verrichten diensten te kunnen verstrekken:
26.5.1. artikel 45 van Richtlijn 2006/112/EG;
26.5.2. vanaf 1 januari 2013, artikel 56, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 2006/112/EG;
26.5.3. tot en met 31 december 2014, artikel 58 van Richtlijn 2006/112/EG;
26.5.4. artikel 192 bis van Richtlijn 2006/112/EG.
26.6. Het hebben van een btw-identificatienummer volstaat niet om te besluiten dat een belastingplichtige een vaste inrichting heeft.”
27. Hoewel men in voormelde artikelen verwijst naar artikel 44 en 45 van de Richtlijn 2006/112/EG, die betrekking hebben op diensten, mag gesteld dat de definitie ook geldt voor de leveringen (2).
[(2) VAT Committee Working Paper nr. 857, Taxud. c.1 (2015)2177802, 6 mei 2015, p. 4;]
28. In het “VAT Committee Working Paper nr. 857 (3) wordt daarenboven benadrukt dat het louter overbrengen van goederen van de ene lid-staat naar een andere om deze vervolgens vanuit deze laatste te leveren, geen vaste inrichting mag veronderstellen in hoofde van degene die deze goederen overbrengt. Men benadrukt zelfs dat het loutere bestaan van een opslag/entrepot in een lidstaat op zich niet voldoende is om voor btw-doeleinden te concluderen dat de belastingplichtige aldaar over een vaste inrichting beschikt. Enkel de toetsing aan de elementen opgenomen in artikel 11, voormeld, laten dit toe. Het feit dat in casu de belastingplichtige buiten de E.U. gevestigd is doet geen afbreuk aan hetgeen hiervoor vermeld wat het al dan niet bestaan van een vaste inrichting dienaangaande betreft.
[(3) Opgesteld door het BTW comité (opgericht in toepassing van artikel 398 Richtlijn 2006/112/EG) als toelichting bij de artikelen 192a van voormelde Richtlijn en de artikel 11 en 53 van de uitvoeringsverordening genomen ter uitvoering van voormelde Richtlijn.]
29. Dien ten gevolge moet vooreerst bepaald worden waar aanvrager zijn zetel van bedrijfsuitoefening heeft, vooraleer te onderzoeken of de aanvrager over een vaste inrichting beschikt en mocht dit laatste het geval zijn in welke mate die vaste inrichting geacht wordt belastbare handelingen te stellen dan wel tussen te komen
II.B.1.3. In concreto - Zetel van bedrijfsuitoefening
30. Aanvrager en wordt beheerd door een raad van bestuur die verantwoordelijk is voor de richting en het toezicht op haar activiteiten. Voornoemde raad van bestuur is volgens de aanvrager gevestigd in T en biedt strategische begeleiding en houdt toezicht op het managementteam dat verantwoordelijk is voor de dagelijkse activiteiten. Gebruikmakend van het menselijk kapitaal en de faciliteiten van in T, beschikt zij -op datum van de aanvraag tot beslissing- over een team van # personen in T en is het de bedoeling dat dit aantal zal groeien tot ## tegen het einde van 2023.
31. Zij bevestigt dat haar primaire activiteit bestaat uit de handel in # op de wereldmarkt, waarbij zij actief bouwt aan een wereldwijd gediversifieerde portefeuille.
32. Aanvrager bevestigt dat de A-opslag in eigendom toebehoort aan en geëxploiteerd wordt door Z, die de nodige diensten zal verlenen.
33. Aanvrager zal geen werknemers hebben in België en zal evenmin de A-faciliteiten beheren.
34. In voormelde context verklaart aanvrager dat zij vanuit T:
34.1. alle managementbeslissingen neemt;
34.2. handelsactiviteiten uitvoert;
34.3. alle besluiten neemt met betrekking tot de plaats waar goederen wordt opgeslagen, verkocht, doorverkocht, ingevoerd of uitgevoerd; en
34.4. alle nodige ondersteuning biedt en documentatie voor alle beslissingen.
35. Aanvrager stelt dat haar activiteiten als volgt kunnen worden samengevat:
35.1. zij heeft het recht om haar goederen op te slaan in de A-faciliteiten die eigendom zijn van en beheerd worden door Z, d.w.z. niet beheerd door haar werknemers, aangezien zij geen werknemers (noch aannemers) in België heeft en het beheer van dergelijk # wordt uitgevoerd door het personeel van Z volgens de dienstenovereenkomst;
35.2. zij heeft een serviceovereenkomsten gesloten met onafhankelijke derden en al haar personeel is buiten België gevestigd (d.w.z. niet gevestigd in België);
35.3. alle beslissingen worden genomen, bestellingen en instructies gegeven, en koop- en verkoopcontracten onderhandeld en ondertekend, buiten België.
36. Aanvrager houdt een voorraad aan in de faciliteiten van de Dienstverlener/Z. Alle andere diensten worden geleverd door andere niet-gerelateerde dienstverleners.
II.B.1.4. Beoordeling van de zetel van bedrijfsuitoefening voor uitgaande handelingen in casu de levering van goederen in hoofde van aanvrager
37. De plaats waar aanvrager als leverancier van de goederen zijn zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, is het voornaamste aanknopingspunt om de tot voldoening van de btw gehouden aansprakelijke te kunnen bepalen bij de levering van goederen vanuit de voorraad die zich in België bevindt.
38. Deze zetel van de bedrijfsuitoefening wordt niet beïnvloed door het gegeven dat men de goederenvoorraad op een andere plaats, in een ander land, aanhoudt wanneer men het enkel bij die derde – logistiek- onderbrengt.
39. Hoewel de zetel van de bedrijfsuitoefening zonder twijfel hierboven is aangetoond en voldoende is voor het bepalen van de btw-plichtigheid voor de levering van goederen in België, is het hanteren van het begrip ‘vaste inrichting’ (voor btw-doeleinden) daarenboven alleen mogelijk in het geval dat de plaats waar de zetel van de bedrijfsuitoefening gevestigd is niet tot een rationele oplossing leidt of een conflict met een andere lidstaat doet ontstaan.
40. Daarom worden de navolgende elementen verder onderzocht :
40.1. Personeel
40.1.1. Een vaste inrichting moet beschikken over personeel die diensten of goederen kunnen leveren dan wel diensten kunnen afnemen en goederen in gebruik kunnen nemen die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van de economische activiteit;
40.1.2. In België zal aanvrager zelf niet over personeel beschikken. Het beheer van de opslag behoort uitsluitend Z toe, en Z zal handelen als een onafhankelijke dienstverlener ten aanzien van aanvrager.
40.1.3. Alle beslissingen die genomen zullen worden, bestellingen, koop- en verkoopcontracten die onderhandeld en ondertekend worden zullen buiten België plaatsvinden;
Hieruit volgt dat geconcludeerd mag worden dat aanvrager in België niet over personeel noch rechtstreeks noch onrechtstreeks zal beschikken.
40.2. Technische middelen
40.2.1. Evenmin zal aanvrager beschikken over noch controle, toegang of gebruik kunnen maken van de terminals, daar Z als terminalbeheerder de A-opslag zal exploiteren, onderhouden en herstellen, zodat aanvrager niet over technische middelen in België beschikt;
40.2.2. aanvrager en Z zijn aparte juridische entiteiten en maken geen deel uit van dezelfde groep. De door Z geëxploiteerde A-faciliteiten zijn haar eigendom en kunnen dus geen technische middelen vormen die rechtstreeks of onrechtstreeks aan aanvrager in België toebehoren, noch kunnen ze door aanvrager rechtstreeks of onrechtstreeks aangewend worden. Het feit dat aanvrager inspectierechten heeft om de installaties te inspecteren, is in deze niet relevant. Het louter aanhouden van voorraad in een EU-lidstaat kan bovendien niet worden gekwalificeerd als een vaste inrichting voor btw-doeleinden in dat land.
II.B.1.5. Beoordeling van de zetel van bedrijfsuitoefening voor inkomende handelingen in hoofde van aanvrager
41. De A-faciliteiten zijn eigendom van en worden geëxploiteerd door Z, die ook vergelijkbare diensten verleent aan andere klanten. Z zal als terminal operator en dienstverlener de kosten aanrekenen omvattende onder meer de #, de bijhorende opslagkosten alsook het gebruik van de #-installaties. De kosten in de A-installatie alsook de bijkomende kosten worden bepaald door een regulator.
42. Als aanvrager rechten overdraagt aan een derde, zal deze derde een rechtstreekse contractuele relatie aangaan met Z.
43. Er is geen personeel van aanvrager aanwezig in België. De kantoren van Z zijn niet toegankelijk voor en zullen niet worden gebruikt door aanvrager om haar activiteiten uit te voeren.
44. Aanvrager zal in België niet beschikken over eigen faciliteiten. Z zal evenmin de haar toebehorende activa ter beschikkingstellen van de aanvrager. Z zal haar activa aanwenden voor het verrichten van haar eigen economische activiteit.
45. Derhalve dient geconcludeerd dat Z haar eigen economische werkzaamheden zelfstandig zal organiseren en uitoefenen. Haar installaties en personeel kunnen niet door aanvrager aangewend c.q. ingezet worden.
46. Om voormelde redenen dient geconcludeerd dat aanvrager in België niet beschikt over een vaste inrichting, hetgeen vereist is wil men als niet in België gevestigde belastingplichtige geacht worden in België diensten te kunnen afnemen en ter plaatse te gebruiken.
47. Er dient aldus geconcludeerd te worden dat de door Z verstrekte diensten, verstrekt worden aan een buiten de E.U. gevestigde belastingplichtige.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.