Article 1 quater, §1 AR nr. 20 · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2021.0776 14 septembre 2021

Rechercher
Texte en néerlandais

Article 1 quater, §1 AR nr. 20Tva - Article 1 quater, §1 AR nr. 20 - Démolition et reconstruction

https://juriel.be/fr/rulings/2021-0776-article-quater-demolition-reconstruction-taux-3b37

Numéro
2021.0776
Date
14 septembre 2021

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

28 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2021.0776 du 14.09.2021

Tva · Article 1 quater, §1 AR nr. 20 · Démolition et reconstruction

Résumé

Le projet de construction présenté concernant la démolition et la reconstruction d’une maison unifamiliale entre en principe, à la suite de la nature des travaux, en considération pour l’application du taux réduit de TVA de 6 pour cent conformément à l’article 1quater, §1er, de l’AR n°20 concernant la facturation pour les prestataires de services des travaux envisagés.

L’application effective du taux réduit dépend des conditions imposées par l’article 1quater, §1er, alinéa 2, §4 et §8 de l’AR n°20, à savoir principalement la destination que le bénéficiaire donne à l’habitation, la qualification potentielle d’« immeuble empêchant » dans le chef du maître d’ouvrage, les limites de superficie et les formalités à remplir.

Le règlement relatif au taux réduit de 6 pour cent est de toute façon provisoire et n’est d’application que pour les travaux immobiliers envisagés pour lesquels la TVA sera exigible le 31 décembre 2022 au plus tard conformément aux articles 22 et 22bis, §1er, du CTVA.

Texte de la décision

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite

1. De voorwaarden van de artikelen 21 en 22 van voormelde wet van 24 december 2002 werden nageleefd.

2. De vraag betreft een gebouw gelegen te <…>. Deze bestaande halfopen privéwoning dateert van de negentiende eeuw. De geplande werken strekken tot het gedeeltelijk slopen van de bestaande halfopen privéwoning en bijhorende bijgebouwen en het bouwen van een eengezinswoning.

3. De aanvrager wenst zekerheid te verkrijgen over het feit dat deze werken in onroerende staat kunnen gefactureerd worden tegen het btw-tarief van 6 % en dit in toepassing van artikel 1quater, §1 KB nr. 20.

4. Het eerste lid van §1 luidt als volgt:

‘Het verlaagd tarief van 6 pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, §3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit, die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor bewoning door de bouwheer-natuurlijke persoon en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw, waarover de belasting opeisbaar is geworden overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, §1, van het Wetboek tussen 1 januari 2021 en 31 december 2022’.

5. In het tweede lid van §1 lezen we verder enkele voorwaarden die moeten worden vervuld. Punt 1° a) en b) heeft respectievelijk betrekking op de bestemming die de bouwheer aan het betreffende gebouw dient te geven (samen te lezen met §4) en de maximale bewoonbare oppervlakte (samen te lezen met §8). Punt 2° vermeldt formaliteiten dewelke de bouwheer dient na te leven. Punt 3° betreft het tijdskader en punt 4° de verplichtingen in hoofde van de dienstverrichter. In het derde lid van §1 worden de regels uitgelegd inzake het zogenaamd ‘verhinderend bezit’. Het vierde lid vermeldt de uitgesloten werken.

6. Buiten de vermelding dat het voorgenomen project zich op één kadastraal perceel bevindt, zal dienst doen als eengezinswoning en de totale bewoonbare oppervlakte de 200 m² niet zal overschrijden, gaat de aanvrager verder niet in op de in de vorige paragraaf vermelde voorwaarden. Inzake de oppervlakte van de nieuw te bouwen woning kunnen we vermelden dat de effectief uitgevoerde werken bepalend zullen zijn. Hoe dan ook blijft de oppervlakte een feitelijk element dat ondanks deze beslissing nog steeds het voorwerp kan uitmaken van een latere controle.

7. De aanvrager focust zich in zijn motivering echter wel op het gegeven dat het bestaande gebouw niet volledig zal afgebroken worden. Dit is effectief relevant, in de Circulaire 2021/C/18 van 25 februari 2021 lezen we op het einde van punt 3.2. immers dat de bouwheer ‘het gebouw volledig [moet] (laten) slopen in die zin dat het betrekking moet hebben op een volledig gebouw’. Dit zal voor het voorgelegde project dus niet het geval zijn. Omwille van redenen inzake erfgoed moet de bouwheer de voorgevel en een stuk van de zijgevel behouden. De aanvrager beroept zich dan ook op de in hetzelfde punt 3.2. vermelde administratieve toegeving. Deze luidt als volgt:

‘De administratie voorziet om praktische redenen in een specifieke toegeving. In het geval er sprake is van een ingrijpende verbouwing van een oud gebouw waarbij de werken ingevolge afbraak niet meer op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het oude gebouw, derwijze dat de werken niet in aanmerking komen voor de toepassing van het verlaagd btw-tarief bij renovatie (rubrieken XXXI en XXXVIII van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 inzake btw-tarieven) worden deze werken voor de toepassing van deze regeling gelijkgesteld met de afbraak en heropbouw van een gebouw.

Wat deze administratieve toegeving betreft, die overigens reeds van toepassing was inzake de bestaande regeling inzake afbraak en heropbouw in de 32 centrumsteden, benadrukken we dat deze regeling strikt beperkt wordt tot gevallen waarin het verlaagd btw-tarief bij renovatie niet van toepassing is ingevolge de aard en omvang van de afbraakwerken’.

8. Uit de door de aanvrager overgemaakte stukken (in het bijzonder bijlage 4, grondplan sloop) blijkt effectief dat de voorgenomen werken dermate ingrijpend zijn dat het eindproduct niet meer op een relevante wijze steunt op de bestaande structuur. Dit is het gevolg van het feit dat er van de bestaande structuur teveel dient te worden afgebroken (het overwegende deel, alles behoudens voorgevel en stuk van zijgevel) gezien deze van een te povere kwaliteit is om als basis voor het nieuwe project te kunnen dienen. De keuze voor datgene wat wel bewaard wordt is louter ingegeven door erfgoedwaarde en dient op zich tevens ingrijpend gerenoveerd en opnieuw ondersteund te worden. Het bestaande bouwvolume wordt niet uitgebreid, het vermindert.

9. We kunnen dus besluiten dat de voorgenomen werken van die aard zijn dat ze voldoen aan de in punt 3.2. van de Circulaire 2021/C/18 van 25 februari 2021 omschreven criteria.

10. Het meest belangrijke aandachtspunt bij de toepassing van het verlaagd btw-tarief op het voorgelegd project ligt tenslotte in het tijdelijk karakter van de regeling. Zo zal het verlaagd tarief van 6 procent maar van toepassing zijn op de voorgenomen werken in onroerende staat waarvoor de btw opeisbaar zal worden overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, §1 W.Btw uiterlijk op 31 december 2022.

Gelet op de artikelen 20 tot 23 van voormelde wet van 24 december 2002 alsmede op de overwegingen zoals vermeld in deel IV beslist het College van de DVB in zitting van 14 september 2021 dat:

11. het voorgelegde bouwproject inzake de afbraak en heropbouw van een eengezinswoning gelegen <…>, ingevolge de aard van de werken in principe in aanmerking komt voor de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6 procent overeenkomstig artikel 1 quater, §1 van KB nr. 20 met betrekking tot de facturatie door de dienstverrichters van de voorgenomen werken;

12. de effectieve toepassing van het verlaagd tarief verder afhankelijk is van de in artikel 1 quater, §1, lid 2, §4 en §8 van KB nr. 20 opgelegde voorwaarden (waarover deze beslissing zich niet uitspreekt), zijnde in hoofdzaak de bestemming die de verkrijger aan de woning geeft, het mogelijks verhinderend bezit in hoofde van de bouwheer, de oppervlaktegrens en de te vervullen formaliteiten;

13. deze regeling inzake het verlaagd tarief van 6 procent hoe dan ook tijdelijk is en maar van toepassing is op de voorgenomen werken in onroerende staat waarvoor de btw opeisbaar zal worden overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, §1 W.Btw uiterlijk op 31 december 2022; en

14. het voorafgaand karakter van deze beslissing wordt slechts gerespecteerd wanneer er voor dit project nog geen werken in onroerende staat zijn verricht waarvoor btw opeisbaar is geworden overeenkomstig artikel 22 en 22bis, §1 W.Btw vóór de datum van deze beslissing.

Textes cités

3
CTVA art. 222 occurrences
CTVA art. 22bis2 occurrences