Impôt des non-résidents, Apport, Etablissement belge, Plus-values exonérées · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2013.625 13 mai 2014

Rechercher
Texte en néerlandais

Impôt des non-résidents, Apport, Etablissement belge, Plus-values exonéréesImpôt des non-résidents - Apport - Etablissement belge - Plus-values exonérées - Droits d’enregistrement - Biens immobiliers - Biens mobiliers - Mesures anti-abus - TVA - Exonération

https://juriel.be/fr/rulings/2013-625-impot-non-residents-apport-etablissement-e865

Numéro
2013.625
Date
13 mai 2014

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

162 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Impôt des non-résidents

Apport · Etablissement belge · Plus-values exonérées · Droits d’enregistrement · Biens immobiliers · Biens mobiliers · Mesures anti-abus

TVA · Exonération

Résumé

L’apport par une société étrangère X de sa succursale belge dans une nouvelle société Y à créer relève de l’application de l’article 231, § 3, CIR 92.

Cet apport de la succursale belge peut se faire en application des articles 115 et 115bis du Code de l’enr. au sens qu’un droit proportionnel de zéro pour cent sera d’application avec un prélèvement minimum du droit fixe général conformément à l’article 167 du Code de l’enr.

Le choix de l’ensemble des opérations juridiques consécutives, à savoir la filialisation suivie par l’apport des actions de la société Y nécessitant un apport dans une autre société de groupe en vue d’obtenir la structure de groupe souhaitée, est justifié par d’autres motifs qu’ éviter l’impôt sur les revenus au sens de l’article 344, § 1er, troisième alinéa, CIR 92 ou des droits d’enregistrement au sens de l’article 18, § 2, troisième alinéa, Code de l’enr.

L’apport de la succursale belge est exempté de TVA conformément à l’article 44, § 2, 13°, Code de la TVA.

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te verkrijgen dat:

1.1 de voorgenomen inbreng door de buitenlandse vennootschap X van alle activa en passiva van haar Belgisch bijkantoor in de binnenlandse vennootschap Y de vrijstelling kan genieten zoals voorzien in artikel 231, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92);

1.2 de voormelde inbreng zal worden onderworpen aan het algemeen vast recht van EUR 50 op grond van de artikelen 115, 115bis en 167 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna W.Reg.);

1.3 de voormelde inbreng is vrijgesteld van btw overeenkomstig artikel 44, § 2, 13° van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna W.BTW) en overeenkomstig artikel 44, § 3, 1° a) W.BTW in de mate artikel 44, § 2, 13° W.BTW geen toepassing vindt;

1.4 de in het kader van de filialisatie beoogde transacties evenals de daaropvolgende inbreng van de aandelen Y in de buitenlandse vennootschap Z door de buitenlandse vennootschap X verantwoord zijn door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen/registratierechten in de zin van respectievelijk artikel 344, § 1, WIB 92 en artikel 18, § 2, W.Reg.

II. Omschrijving van de verrichting

II. A. Beschrijving van de groep

2. De groep, met hoofdzetel in het buitenland, is een familiebedrijf dat zich richt op de bouw- en vastgoedsector.

3. De aanvrager bezorgde een overzicht van de huidige vereenvoudigde groepsstructuur.

4. Momenteel zijn er reeds drie bedrijfsafdelingen binnen de groep.

5. De groep wenst zich in de toekomst tevens specifiek toe te leggen op de ontwikkeling van een bepaalde soort vastgoed. Dit vormt het onderwerp van onderhavige rulingaanvraag en wordt verder toegelicht in titel III. A.

II. B. De groep in België

6. In België is de groep momenteel enkel aanwezig via een juridisch bijkantoor van de buitenlandse vennootschap X, hetgeen als belangrijkste activum een onroerend goed heeft.

7. Het juridisch bijkantoor is niet geregistreerd voor btw-doeleinden in België en dient geen Belgische btw-aangiften in.

8. Het betrokken vastgoed werd grondig verbouwd en kreeg een nieuwe bestemming. Voor de vereiste bouwwerkzaamheden stelde de onderneming diverse Belgische aannemers aan. X heeft de voor de bouwwerkzaamheden aangerekende Belgische BTW nooit in aftrek genomen.

9. X heeft met betrekking tot het vastgoed een huurovereenkomst gesloten met N. De huurovereenkomst heeft een looptijd van 20 jaar en werd gesloten met opschorting tot finalisatie van de verbouwingen. Gedurende de looptijd is de huurovereenkomst contractueel niet-opzegbaar. X had op dat ogenblik niet de intentie om het vastgoed te vervreemden aan een derde partij, noch heeft het die intentie momenteel.

10. De verhuur van vastgoed is op dit moment de enige activiteit van het Belgische bijkantoor van X. In het bijkantoor wordt bovendien geen personeel tewerkgesteld.

11. Uit de balans blijkt dat de activa van het bijkantoor uitsluitend uit het hoger vermelde vastgoed bestaan.

12. De aangifte in de belasting der niet-inwoners toont aan dat X nog over overgedragen aftrek voor risicokapitaal beschikt.

13. Rekening houdend met de marktwaarde en de geschatte boekwaarde rust er op het onroerend goed een zeer beperkte latente meerwaarde. Dit werd door de aanvrager gestaafd middels een waarderingsrapport afgeleverd door een derde partij.

14. Om reden van de ontwikkelde activiteiten kwalificeert het juridisch bijkantoor naar Belgische maatstaven als een vrijgestelde btw-belastingplichtige zonder recht op aftrek.

II. C. Beschrijving van de verrichtingen

15. Met het oog op het verder ontwikkelen van een nieuwe vastgoedafdeling is de groep meer in het bijzonder voornemens volgende herstructurering door te voeren:

15.1. in eerste instantie zal de buitenlandse vennootschap X een Belgische entiteit, Y, oprichten. De bedoeling is dat voor elk vastgoedproject een afzonderlijke entiteit zal worden opgericht, enerzijds om een duidelijke en transparante groepsstructuur te hebben waarbij alle vennootschappen m.b.t. dit bepaald specifiek vastgoed gegroepeerd zijn, maar anderzijds ook om derde partijen toe te laten te participeren per afzonderlijk project. In de huidige set-up worden projecten in eerste instantie gefinancierd via private beleggers die investeren op niveau van X. Indien echter geen private beleggers gevonden worden, wordt gezocht naar financiering van derde participanten om samen met hen tegen lage tarieven krediet te verkrijgen. Door de filialisering wenst de groep de activiteiten van de vastgoedafdeling te financieren op projectniveau waarbij steeds een afzonderlijke juridische entititeit zal worden opgericht. Derde participanten kunnen op die manier rechtstreeks op projectbasis participeren in één specifiek vastgoedproject. Vanuit een economisch en strategisch perspectief is dit wenselijk omdat zodoende vermeden wordt dat een potentiële investeerder die zou willen investeren in een specifiek project ook recht zou hebben/participeren in bepaalde andere vastgoed projecten. Bovendien wordt door de filialisering een afgescheiden vermogen gecreëerd waarbij de winsttoekenning m.b.t. Belgische vastgoedprojecten gecontroleerd kan worden;

15.2. in een tweede stap zal X alle activa en passiva van het Belgisch bijkantoor inbrengen in Y. In ruil voor deze inbreng verwerft X aandelen die het maatschappelijk kapitaal van Y vertegenwoordigen. De inbreng zal gebeuren met boekhoudkundige continuïteit en de akte zal verleden met fiscale (directe belastingen) en boekhoudkundige retroactiviteit. Y zal na de inbreng nog steeds geen personeel tewerkstellen;

15.3. in een daaropvolgende fase zal X de aandelen in Y aan Z overdragen door middel van een inbreng. Deze inbreng zal de groep toelaten om Z te voorzien van het vereiste startkapitaal voor de uitbouw van de betrokken vastgoedafdeling en toelaten dat het zich op deze manier naar de markt en overheden toe profileert als een sterke en solvabele partij. De groep heeft momenteel geenszins de intentie de aandelen Y te verkopen;

15.4. tot slot zal het Belgisch bijkantoor van X gesloten worden.

III. Motivering van de aanvraag

III. A. Algemeen

16. De groep heeft de afgelopen jaren veel ervaring opgedaan in de ontwikkeling van een bepaald soort vastgoed, waarbij het gehele ontwikkel- en bouwproces overgenomen werd vanaf de initiatieffase tot en met de eindbelegging en vastgoedbeheer. Door naast haar drie bestaande afdelingen een vierde specifieke afdeling op te starten die zich focust op bouw- en projectonwikkeling met betrekking tot een specifiek soort vastgoed wil de groep de focus op dergelijke projecten nog versterken. Deze activiteiten zullen in eerste instantie hoofdzakelijk in het buitenland opstarten.

17. Een eerste stap bij het opzetten van de specifieke vastgoedafdeling werd reeds gezet met de oprichting van de buitenlandse vennootschap Z.

18. De expertise en jarenlange ervaring van de groep leert dat het succes van projecten in de ontwikkeling van dergelijk vastgoed samenhangt met een duidelijke financieringsstructuur. Dit wordt gestaafd door een aantal lopende onderzoekstrajecten waarbij de financiering gebeurt door enerzijds eigen vermogen en banken (voor 70-80%) en anderzijds, voor wat de restant betreft, doorde groep via een achtergestelde lening.

19. Om in staat te zijn solide financiering voor dergelijk vastgoed aan te bieden, dient Z voldoende kapitaalkrachtig te zijn. Solvabiliteit is dan ook een belangrijke ratio binnen de bouwsector in het algemeen (1), en binnen de vastgoedmarkt in het bijzonder (gezien de betrokkenheid van openbare instellingen). Derde partijen zullen immers pas bereid zijn een partnership aan te gaan indien hun medecontractant over voldoende vermogen beschikt om de discontinuïteit van projecten te voorkomen. Zo zullen bouwbedrijven die een aanbesteding voor een dergelijk vastgoedproject willen binnenhalen vaak vereist worden te beschikken over een minimale solvabiliteitsratio.


[(1) Een studie rond de Belgische bouwsector en zijn KMO’s ondersteunt deze stelling. Op basis van de financiële ratio’s van de Belgische bouwsector kan gesteld worden dat de solvabiliteit van de bouwsector een stuk hoger ligt dan bij de modale Belgische onderneming. Zie http://www.cefip.be/FILES/Documenten/NL/KeFiK_Dexia_bouwsector_finaal_rapport.pdf.]


III. B. Fiscale analyse voor doeleinden van de inkomstenbelastingen

20. De inbreng door X van haar Belgisch bijkantoor in Y kan volgens de aanvrager van de vrijstelling van inkomstenbelastingen genieten zoals voorzien in artikel 231, § 3 WIB 92.

21. Overeenkomstig artikel 231, § 3 WIB 92 “zijn de meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld ter gelegenheid van de inbreng van een Belgische inrichting in een binnenlandse vennootschap tegen verkrijging van aandelen die het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen, vrijgesteld.”

22. In casu zal aan de voorwaarden van artikel 231, § 3 WIB 92 voldaan zijn, aangezien:

22.1. het bijkantoor van X een Belgische inrichting is in de zin van artikel 229, § 1 WIB 92. In dit kader werd door de aanvrager erop gewezen dat de hoofdactiviteit van de vennootschap X bestaat uit vastgoedactiviteiten. Aanvrager bezorgde de oprichtingsakte van X teneinde dit te staven. In artikel 3 betreffende het doel van de vennootschap staat als eerste punt vermeld: “De vennootschap heeft ten doel: a. Het ontwikkelen van projecten op het gebied van woning- en utiliteitsbouw en het ontwikkelen van winkelcentra; b. het beleggen van vermogen in het algemeen en in registergoederen en op onroerende zaken gevestigde rechten in het bijzonder, het kopen, het verkopen, vervreemden, exploiteren, beheren en administreren van registergoederen in het algemeen en onroerende zaken en op onroerende zaken gevestigde rechten in het bijzonder; …”;

22.2. Y een binnenlandse vennootschap is in de zin van artikel 2, § 1, °5, b) WIB 92;

22.3. X een buitenlandse vennootschap is in de zin van artikel 2, § 1, °5, c) WIB 92;

22.4. alle activa en passiva van het Belgisch bijkantoor van X worden ingebracht in Y; en

22.5. X in ruil voor haar inbreng aandelen zal ontvangen die het maatschappelijk kapitaal van Y vertegenwoordigen. Op het moment van de inbreng zal het Belgisch bijkantoor geen schulden meer hebben op haar balans.

23. Daarnaast zullen de activiteiten van het Belgische bijkantoor van X, zijnde de verhuur van onroerend goed, in de toekomst worden verder gezet door Y. De groep heeft immers momenteel niet de intentie de aandelen Y te verkopen.

24. Zoals reeds eerder aangehaald, moet de filialisering van het bijkantoor van X gezien worden in een bredere context van filialisering waarin voor elk dergelijk vastgoedproject een afzonderlijke entiteit zal worden opgericht. Op die manier wordt een duidelijke en transparante groepsstructuur opgezet voor deze vastgoedafdeling, waarbij alle vennootschappen m.b.t. dergelijk vastgoed gegroepeerd zijn en de mogelijkheid gecreëerd wordt om derde investeerders te laten participeren op projectniveau.

25. In het kader van deze rulingaanvraag, had de aanvrager graag van de DVB de voorafgaande bevestiging gekregen dat de filialisatie beantwoordt aan het bepaalde in artikel 231, § 3 WIB 92, en aldus vanuit het perspectief van de vennootschapsbelasting, op een fiscaal neutrale wijze verwezenlijkt kan worden.

III. C. Fiscale analyse voor doeleinden van de registratierechten

26. De inbreng door X van haar Belgisch bijkantoor in Y valt onder de toepassing van het recht zoals voorzien in de artikelen 115 en 115bis W.Reg.

27. Overeenkomstig artikel 115 W.Reg. “worden de inbrengen van roerende goederen in burgerlijke of handelsvennootschappen waarvan hetzij de zetel der werkelijke leiding in België, hetzij de statutaire zetel in België en de zetel der werkelijke leiding buiten het grondgebied der Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap is gevestigd, aan een recht van 0% onderworpen, onverschillig of de inbreng bij de oprichting van de vennootschap of naderhand plaats heeft. Het recht wordt vereffend op het totaalbedrag van de inbrengen. Bij de inbreng van geldspecie in coöperatieve vennootschappen is het recht desgevallend slechts verschuldigd in de mate dat het bedrag van het nieuw maatschappelijk fonds hoger is dan het voordien belast bedrag van dit fonds.”

28. Overeenkomstig artikel 115bis W.Reg. “worden de inbrengen van onroerende goederen, andere dan die welke gedeeltelijk of geheel tot bewoning aangewend worden of bestemd zijn en door een natuurlijke persoon ingebracht worden, in burgerlijke vennootschappen of handelsvennootschappen waarvan de zetel van werkelijke leiding in België gevestigd is of de statutaire zetel in België en de zetel van werkelijke leiding buiten het grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap gevestigd is, aan het recht van 0% onderworpen. In geval van onjuiste verklaring betreffende de aanwending of de bestemming van het onroerend goed, zijn de aanvullende rechten opeisbaar en verbeurt iedere partij een boete gelijk aan de rechten.”

29. In casu zullen de bepalingen van de artikelen 115 en 115bis W.Reg. van toepassing zijn, gezien:

29.1. de inbreng van de Belgische inrichting van X in Y kan beschouwd worden als een inbreng van roerend en onroerend vermogen. Vóór de filialisering (m.n. vóór de juridische datum van de inbreng) zullen de korte termijn schulden immers worden afgelost en zal, aldus, enkel de onroerend goed activiteit (zonder schulden, maar inclusief het op het onroerend goed betrekking hebbende huurcontract) worden ingebracht in Y;

29.2. X, de inbrenger, geen natuurlijk persoon is;

29.3. de inbrenggenietende vennootschap, Y, een handelsvennootschap is waarvan de statutaire zetel in België gevestigd is.

30. De voorgenomen filialisatie voldoet volgens de aanvrager bijgevolg in principe aan alle voorwaarden om te kunnen genieten van de artikelen 115 en 115bis W.Reg. en zal belast worden met het evenredig registratierecht aan het tarief van 0%, evenwel met toepassing van de minimumheffing gelijk aan het algemeen vast recht van EUR 50 bij toepassing van artikel 167 W.Reg.

III. D. Fiscale analyse voor BTW doeleinden

31. De inbreng bestaande in essentie uit een verhuurd onroerend goed uit haar aard, is vrijgesteld van btw krachtens artikel 44, § 2, 13° W.BTW omdat voor deze goederen geen aftrek is genoten of nog genoten kan worden en krachtens artikel 44, § 3, 1° a) W.BTW in de mate artikel 44, § 2, 13° W.BTW geen toepassing vindt.

32. Immers naar Belgische maatstaven kwalificeert het juridisch Belgisch bijkantoor in geen geval als een beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW en is het geenszins haar intentie om voor de inbreng te opteren voor taxatie (zoals voorzien in K.B. nr. 14) ingevolge een eventuele verkrijging van de hoe¬danigheid van toevallige btw-plichtige. Bovendien is voor een eventuele btw-heffing vereist dat het “gebouw” (ingevolge de uitgevoerde verbouwingswerken) kwalificeert als “nieuw” voor btw-doeleinden. Volgens de aanvrager is dit niet het geval.

III. D. 1 Omschrijving van de uitgevoerde werken

33. X is eigenaar van één vastgoedcomplex bestaande uit kantoorruimte, één conciërgewoning en garages. X heeft voormeld vastgoed gelegen in de gerenoveerd, uitgebreid en het geheel omgevormd tot een nieuw complex.

34. De aanvrager heeft een gedetailleerde omschrijving gegeven van de werken. Dit wordt onderbouwd door bijkomende documentatie: de stedenbouwkundige aanvraag, het lastenboek bij de huurovereenkomst, de schematische indeling opgemaakt door de architect en foto’s.

35. Aan de gevels, de dakbekleding en het uiterlijk van de gebouwen werd er buiten het aanbrengen van een lichte borstwering voor de ramen en een banier niets veranderd.

36. Binnen in de gebouwen werden enkel volgende werken uitgevoerd:

- niet dragende muren werden waar nodig afgebroken, nieuwe deuropeningen werden gemaakt in de bestaande muren en de bestaande openingen in de dragende muren werden dichtgemaakt;

- er werden extra scheidingswanden aangebracht en de plafonds in de kamers werden verlaagd. De scheidingswanden zijn niet-dragend en werden uitgevoerd in gipskarton;

- het bestaande pleisterwerk werd waar nodig hersteld of vernieuwd, en de kamers (inclusief raamomkastingen, houten plinten en deuromlijstingen) werden geschilderd;

- de bestaande tegelbevloering werd waar nodig hersteld of vernieuwd en de zachte bevloering werd vervangen door linoleum in marmer of houtstructuur;

- per verdieping werd er voorzien in een gemeenschappelijke keuken (exclusief toestellen) en sanitair;

- de zolderverdieping werd getransformeerd tot een gemeenschappelijke ontspanningsruimte;

- de structuur van de binnenwanden in metselwerk blijft voor het grootste behouden.

37. Echter, aan het volume van de conciërgewoning, de dakbekleding alsook de gevel ervan aan de straatkant werd niet geraakt. Enkel aan de achtergevel werden er nieuwe raamopeningen voorzien.

38. X heeft dit project verder uitgebreid met een nieuwbouw. De nieuwbouw heeft zich aan de rechtse kant van het bestaande gebouw vastgezet met 2 bouwlagen en een achteruitspringende derde bouwlaag om vervolgens, voorbij de onderdoorrit, over te gaan naar 3 volwaardige bouwlagen.

39. Deze nieuwbouw omvat kamers, een gemeenschappelijke keuken en leefruimte op de gelijkvloers, het nodige sanitair op iedere verdieping.

40. De uitbreiding / nieuwbouw is functioneel geïntegreerd met het bestaande complex via een onderdoorrit naar het binnenplein dat wordt omsloten door de betrokken panden. De aanbouw zorgt voor een overgang tussen de bestaande gebouwen. De onderdoorrit in de aanbouw verleent immers aan de verschillende bewoners toegang tot het gemeenschappelijke binnenplein, de fietsenstalling en de ondergrondse parking. De ondergrondse parking van het complex is enkel bereikbaar via de onderdoorrit van de nieuwbouw. De uitbreiding / nieuwbouw vormt samen met de bestaande gebouwen een coherent en complementair geheel.

41. De uitgevoerde werken aan de bestaande kantoorgebouwen en de conciërgewoning hebben de wezenlijke elementen van de bestaande gebouwen niet gewijzigd maar steunen op de bestaande structuren (met name draagmuren) van de gebouwen. De uitgevoerde werken zijn duidelijk gericht op de instandhouding alsook comfort-verbetering (2) en geschiktmaking voor de nieuwe bestemming. Er kan geen sprake zijn van een (ver-)nieuwbouwing.

42. De uitbreiding/nieuwbouw werd functioneel geïntegreerd in het bestaande complex. De totale oppervlakte van de reeds bestaande gebouwen blijft, na de uitgevoerde werken, betekenisvol in vergelijking met de nieuwbouw. De oppervlakte van de bestaande gebouwen is groter dan de helft van de totale oppervlakten.(3) De aanbouw vult de bestaande gebouwen aan doordat ze de enige ingang bevat voor wagens naar de ondergrondse parking en o.m. toegang verschaft tot de gemeenschappelijke binnenruimte, fietsenstallingen e.d. De aanbouw vormt dus met de bestaande gedeelten een functioneel geheel (4).

43. Het betreft derhalve geen nieuw complex en dus ook geen btw-technisch “nieuw” gebouw.


[(2) Btw-handleiding nr. 152/2; Beslissing nr. E.T. 19.497 van 20.02.1976 en 29.04.1976 en Aanschrijving nr. 16/1973, nr. 10.

(3) Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 097, 17453-17454.

(4) BTW-commentaar nrs. 37/1519 tot 37/1537; Aanschr. nr. 6 van 22 augustus 1986; Beslissing nr. ET 106.33 dd 1 september 1994; Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 133, 26247-26250.]


III. D. 2 Bijkantoor: geen beroepsoprichter / geen optie tot taxatie

44. Naar Belgische maatstaven kan het juridisch bijkantoor in principe niet als een beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW beschouwd worden. Bovendien is het geenszins haar intentie om voor de inbreng te opteren voor taxatie (zoals voorzien in K.B. nr. 14) om een eventuele hoedanigheid van toevallige btw-plichtige te verwerven, in de veronderstelling dat het beoogde vastgoed (ingevolge de uitgevoerde verbouwingswerken) zou kwalificeren als “nieuw” voor btw-doeleinden, wat volgens de aanvrager niet het geval is (zie titel III.D.1).

45. X kan volgens de aanvrager geenszins het statuut van beroepsoprichter worden toegemeten o.m. om volgende redenen:

45.1. het bijkantoor heeft zich in België nooit naar de markt toe geprofileerd (ook niet naar publiciteit toe) als beroepsoprichter, als een belastingplichtige wiens economische activiteit bestaat in het geregeld aankopen, oprichten of laten oprichten en leveren van gebouwen onder toepassing van btw;

45.2. X heeft nooit het mandaat gegeven aan vastgoedmakelaars om het onroerend goed in België te verkopen;

45.3. X heeft nooit de intentie gehad om in België te verkopen. Dat blijkt geenszins uit de jaarverslagen of uit de verslagen van de raden van bestuur;

45.4. X heeft ook effectief een huurovereenkomst afgesloten met N (voor een looptijd van 20 jaar) met betrekking tot dit vastgoedcomplex;

45.5. X heeft de haar aangerekende Belgische btw nooit afgetrokken, is niet geregistreerd voor btw en heeft nooit enige démarche naar de fiscus genomen om bv. toepassing te vragen van administratieve aanschrijving 17/1975;

45.6. X heeft de gebouwen in haar boekhouding opgenomen in de rubriek materiële vaste activa (onderrubriek vastgoedbeleggingen) en niet, zoals wanneer men de intentie tot verkoop heeft, in de rubriek voorraden;

45.7. deze panden zijn de enige gebouwen die X heeft verworven in België.

46. X heeft dus het btw-statuut van een vrijgestelde btw-belastingplichtige in België waarvan de economische activiteit bestaat in de verhuur van vastgoed.

47. Gelet op bovenstaande feiten is de geplande inbreng van een verhuurd vastgoed vrijgesteld van btw overeenkomstig artikel 44, § 2, 13° W.BTW omdat voor deze goederen geen aftrek is genoten of nog genoten kan worden en krachtens artikel 44, § 3, 1° a) W.BTW in de mate artikel 44, § 2, 13° W.BTW geen toepassing vindt.

III. E. De algemene anti-misbruikbepaling met betrekking tot inkomstenbelastingen en registratierechten

48. Voor de toepassing van de nieuwe antimisbruikregel wordt ‘fiscaal misbruik’ gedefinieerd als:

- een verrichting waarbij de belastingplichtige zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van het Wetboek van de inkomstenbelastingen of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten/Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

- een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van het Wetboek van de inkomstenbelastingen of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten/Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

49. Wat registratierechten betreft, zou de Belgische belastingadministratie kunnen betwisten dat de filialisering van het Belgisch bijkantoor gevolgd door een inbreng van de aandelen Y in Z enkel onderworpen is aan het vast recht zoals voorzien in artikel 167 W.Reg. en het evenredig verkooprecht zoals voorzien in artikel 44 W.Reg. kunnen trachten toe te passen.

50. Echter, gelet op de hierboven beschreven feiten en omstandigheden is het in het voorliggende geval duidelijk dat alle beoogde transacties zowel als het geheel van de transacties niet door fiscale overwegingen ingegeven zijn maar voldoende steunen op “andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen/registratierechten” in de zin van respectievelijk artikel 344, § 1 WIB 92 en artikel 18, § 2 W.Reg. De transacties worden in het bijzonder onderbouwd met economische motieven welke hierna worden besproken.

Het voorzien van voldoende startkapitaal

51. Vooreerst is binnen de bouwsector in het algemeen, en binnen deze specifieke vastgoedmarkt in het bijzonder een goede solvabiliteit van groot belang. De vooropgestelde herstructurering d.m.v. filialisatie en inbrengen zal ervoor zorgen dat Y en Z over een significant startkapitaal zullen kunnen beschikken, nodig voor de uitbouw van deze vastgoedactiviteit en zal hen toelaten zich binnen deze vastgoedsector te profileren als een sterke en solvabele partij.

52. Bovendien acht de groep het vanuit strategisch groepsperspectief niet wenselijk een hoge schuldgraad te hebben en wordt bijgevolg schuldfinanciering bij voorkeur vermeden, gelet ook op de resultaatsimpact door de daaraan verbonden interestlasten. De groep verkiest hierom dan ook het gebruik van een inbreng boven de financiering van de overdracht van het onroerend goed met schuld.

Derden toelaten te participeren op projectniveau

53. Verder is het van cruciaal belang dat de voorgenomen herstructurering en filialisatie toelaat om derden te laten participeren op projectniveau wat betreft dit vastgoed. Zoals reeds eerder aangehaald heeft de groep de intentie om voor elk dergelijk vastgoedproject een afzonderlijke entiteit op te richten.

54. Naast het creëeren van een duidelijke en transparante structuur, waarbij alle vennootschappen met dergelijke vastgoedactiviteiten gegroepeerd worden, wenst de groep dat potentiële derde investeerders participeren op projectniveau en niet op niveau van de centrale holding of centrale investeringsmaatschappij. In dat laatste geval zou iedere investeerder immers recht hebben op een deel van de totale winst gerealiseerd overheen alle vastgoedprojecten. Door de herstructurering wordt per project een afgescheiden vermogen gecreëerd waardoor het rendement van investeerders effectief gekoppeld wordt aan het project waarin ze investeren. Bovendien laat het participeren op projectniveau toe om de winsttoekenning naar België (d.w.z. Y projecten) te controleren.

55. In het kader van deze rulingaanvraag wordt, gelet op het voorgaande, van de DVB de voorafgaande bevestiging gevraagd dat de voorgenomen filialisatie en herstructurering overwegend steunen op “andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen/ registratierechten” in de zin van respectievelijk artikel 344, § 1, WIB 92 en artikel 18, § 2 W.Reg.

IV. Beslissing

IV. A. Algemene context van de herstructurering

56. De groep, met hoofdzetel in het buitenland, is actief in de bouw- en vastgoedsector.

57. In België is de groep momenteel enkel aanwezig via een juridisch bijkantoor van de buitenlandse vennootschap X. Het belangrijkste en tevens enige activum van het bijkantoor betreft de panden die recent werden omgevormd tot een nieuwe bestemming. X heeft met betrekking tot deze panden een huurovereenkomst gesloten met N.

58. De groep wenst in de toekomst een vierde specifieke afdeling op te starten die zich focust op een specifiek soort vastgoed.

59. Een eerste stap werd reeds gezet in het buitenland (land waar de hoofdzetel van de groep is gevestigd) door het oprichten van de buitenlandse vennootschap Z als een dochtervennootschap van X. De volgende stappen zijn verder voorzien in de herstructurering:

59.1. in eerste instantie zal X een Belgische entiteit, met name Y, oprichten;

59.2. in een tweede stap zal X alle activa en passiva van het Belgisch bijkantoor inbrengen in Y. In ruil voor deze inbreng verwerft X aandelen die het maatschappelijk kapitaal van Y vertegenwoordigen;

59.3. in de derde stap zal X de aandelen in Y aan Z overdragen door middel van een inbreng;

59.4. tot slot zal het Belgisch bijkantoor van X gesloten worden.

IV. B. Inzake de inkomstenbelastingen

60. Artikel 231, § 3, WIB 92 bepaalt dat de meerwaarden die worden verwezenlijkt of vastgesteld ter gelegenheid van de inbreng van een Belgische inrichting in een binnenlandse vennootschap, tegen verkrijging van aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen, zijn vrijgesteld.

61. De administratieve commentaar op het WIB 92, nr. 228/18 vierde lid, bepaalt dat wanneer een buitenlandse immobiliënvennootschap (als zodanig aangemerkt op grond van haar maatschappelijk doel) een in België gelegen onroerend goed in eigendom heeft en zij dit goed verhuurt, dit impliceert dat deze vennootschap over een Belgische inrichting beschikt (zie Brussel, 12.11.1993, Burgerlijke vastgoedvennootschap naar Monegaskisch recht RHONAN). Uit het doel van de vennootschap, vermeld in de overgemaakte oprichtingsakte, blijkt dat X effectief aangemerkt kan worden als een immobiliënvennootschap. Als gevolg hiervan kan het bijkantoor in België als een Belgische inrichting in de zin van artikel 229, § 1, WIB 92 worden aangemerkt.

62. De aanvrager heeft bevestigd dat Y een binnenlandse vennootschap in de zin van artikel 2, § 1, 5°, b), WIB 92 zal zijn.

63. X is een buitenlandse vennootschap in de zin van artikel 2, § 1, 5°, c), WIB 92.

64. De aanvrager heeft bevestigd dat alle activa en passiva van het Belgisch bijkantoor van X worden ingebracht in Y, met dien verstande dat vóór de juridische datum van de inbrengverrichting de schulden van het Belgische bijkantoor zullen worden afgelost. Deze inbreng zal gebeuren in boekhoudkundige continuïteit.

65. X zal in ruil voor haar inbreng aandelen ontvangen die het maatschappelijk kapitaal van Y vertegenwoordigen.

66. Alle activiteiten van de Belgische inrichting zullen na de inbreng worden verdergezet door de inbrenggenietende vennootschap Y.

67. Op basis van de door de aanvrager verstrekte inlichtingen en de analyse door de DVB kan derhalve worden aangenomen dat de voorgenomen inbreng van het Belgisch bijkantoor beantwoordt aan alle in artikel 231, § 3, WIB 92, gestelde voorwaarden.

68. De daaropvolgende inbreng van de aandelen Y door de buitenlandse vennootschap X in de buitenlandse vennootschap Z kadert binnen het opzet van de groep om een afzonderlijke pijler voor het beheer van dit soort vastgoed te creëren. De nieuw opgerichte buitenlandse vennootschap Z zal als holdingvennootschap fungeren die de deelnemingen zal aanhouden in diverse vennootschappen die het beheer van dergelijk vastgoed tot doel zullen hebben (waaronder Y). De inbreng van aandelen betreft aldus een loutere verhanging van de aandelen binnen de groep om de gewenste groepsstructuur te bekomen.

69. De aanvrager heeft de keuze van de opeenvolgende rechtshandelingen bovendien afdoende gemotiveerd aan de hand van volgende niet-fiscale motieven:

69.1. de inbreng bewerkstelligt dat Y over een significant startkapitaal kan beschikken en is om deze reden te verkiezen boven een overdracht van het onroerend goed, die gepaard zou gaan met een schuldfinanciering;

69.2. de filialisatie laat toe om derden te laten participeren op projectniveau.

70. De keuze voor het geheel van de in deze beslissing omschreven rechtshandelingen is derhalve verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, derde lid, WIB 92.

IV. C. Inzake de registratierechten

70. X overweegt een inbreng van alle activa en passiva van haar Belgisch bijkantoor in Y. Het Belgisch bijkantoor heeft geen langlopende schulden. Volgens de aanvrager zullen de korte termijn schulden worden afgelost en zal aldus enkel de onroerend goed activiteit (zonder schulden) worden ingebracht in Y. De inbreng zal volledig vergoed worden met aandelen die het maatschappelijk kapitaal van Y vertegenwoordigen. In die zin dient er geen voorbehoud te worden gemaakt voor de toepassing van artikel 120 W.Reg.

71. Y heeft haar zetel van werkelijke leiding of haar statutaire zetel in België. De nationaliteitsvoorwaarde in artikel 115 en 115bis W.Reg. is voldaan.

72. Op basis van de door de aanvrager verstrekte inlichtingen en de analyse door de DVB kan derhalve worden aangenomen dat de voorgenomen inbreng kan plaatsvinden met toepassing van de artikelen 115 en 115bis W.Reg. in de zin dat een evenredig recht van nul procent van toepassing zal zijn met een minimumheffing van het algemeen vast recht conform artikel 167 W.Reg.

73. De aanvrager brengt voldoende duidelijk naar voor waarom hij voor de filialisering van het Belgisch bijkantoor gevolgd door een inbreng van de aandelen Y in Z heeft geopteerd. Deze twee handelingen doorstaan de toets van artikel 18, § 2 W.Reg. in die zin dat er voor de gekozen werkwijze afdoende niet-fiscale motieven voorhanden zijn zoals reeds gespecifieerd in randnummer 69.

74. De keuze voor het geheel van de in deze beslissing omschreven rechtshandelingen is derhalve verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van registratierechten in de zin van artikel 18, § 2, derde lid, W.Reg.

IV. D. Inzake de BTW

75. Zoals hierboven beschreven overweegt X een inbreng van alle activa en passiva van haar Belgisch bijkantoor in Y.

76. In essentie zal deze inbreng bestaan uit een verhuurd onroerend goed uit haar aard, zijnde een vastgoedcomplex.

77. X koos ervoor de panden te herontwikkelen tot een nieuwe bestemming.

78. Uit de door de aanvrager verstrekte inlichtingen blijkt onder meer het volgende:

78.1. X heeft zich naar de markt toe nooit geprofileerd om het vastgoed te verkopen;

78.2. er werd effectief een huurovereenkomst gesloten met N voor een looptijd van 20 jaar;

78.3. de aangerekende btw op de bouwwerkzaamheden werd nooit in aftrek gebracht.

79. In dergelijke omstandigheden zal de hierboven beschreven inbreng vrijgesteld zijn overeenkomstig artikel 44, § 2, 13°, W.BTW.

80. De onderhavige beslissing is gebaseerd op de elementen zoals deze door de aanvrager vermeld werden. De DVB spreekt zich, ondanks de vermelding in randnummers 15.3 en 23 en de beslissing in randnummers 70 en 74, in deze beslissing niet uit over de mogelijke toepassing van antimisbruikbepalingen (artikel 344, § 1, WIB 92, artikel 18, § 2, W.Reg., …) ten gevolge van verrichtingen die niet omschreven zijn in deze beslissing, zoals de eventuele toekomstige overdracht van de aandelen van Y aan derden.

Textes cités

1
CTVA art. 442 occurrences