TVA non payée à temps, Amende de TVA · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 6 mai 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

TVA non payée à temps, Amende de TVA

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tva-non-payee-temps-amende-cour-appel-anvers-2025-05-06-2128

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
6 mai 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

70 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt du cour d’appel d' Anvers du 06.05.2025

[ Arrêt mixte ]

TVA – TVA non payée à temps – Amende de TVA – Remise refusée

Résumé

Pas disponible

Texte intégral

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale.

Corps de la décision

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 06.05.2025

(2023/AR/1807)

X., ON …, met zetel te …,

Eiseres in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. VANDEBERGH Henri, advocaat te 3550 HEUSDEN-ZOLDER, Pater

Beckersstraat 12 (ref.: 22019/HV/nr)

tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 12 oktober 2023, gekend onder rolnummer 22/679/A

tegen

BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIEN, ON 0252.796.351, in persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT, ON 0308.357.159, met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106,

Verweerder in hoger beroep

vertegenwoordigd door mr. BONGAERTS Bert, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Gounodstraat

2A bus 29 (ref.: 4136)


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 12 oktober 2023, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 27 november 2023, waarbij tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op de B.T.W.-boete van 250.150 EUR die wordt nagevorderd van eiseres in hoger beroep omdat de B.T.W. verschuldigd voor het vierde kwartaal 2021 werd betaald op 1 maart 2022 in plaats van uiterlijk op 20 januari 2022. Op 17 maart 2022 werd hiervoor een bijzondere rekening opgesteld.

Een verzoek tot kwijtschelding van de boete werd ingediend op 21 maart 2022.

Op 5 april 2022 zou de boete opgenomen zijn in het innings- en invorderingsregister onder artikel 500.2528.39061, uitvoerbaar verklaard op 6 april 2022. Hiervan wordt geen stuk voorgelegd.

Bij beslissing d.d. 7 april 2022 werd het verzoek tot kwijtschelding van de boete afgewezen.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 27 april 2022 vorderde eiseres in hoger beroep het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de boete van 250.250 EUR (sic) kwijt te schelden, minstens uit te spreken met uitstel, minstens te herleiden tot een evenredig bedrag, de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van deze aanslag werden geïnd, meer wettelijke intresten en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, begroot en vereffend op 0 EUR rechtsplegingsvergoeding en 22 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds.

De eerste rechter oordeelde dat eiseres in hoger beroep niet aantoonde dat de boete onevenredig is ten aanzien van de gepleegde inbreuken en dat er geen redenen blijken uit het dossier om uitstel te verlenen, zelfs niet indien de wet in die maatregel had voorzien.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 27 november 2023.

2. De vorderingen in hoger beroep.

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert de bestreden beslissing te vernietigen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering toe te wijzen, de boete van 250.150 EUR kwijt te schelden, minstens uit te spreken met uitstel of vast te stellen dat de wet dit niet toelaat en dus te oordelen dat de wet strijdig is met de Grondwet en dus de boete te ontlasten, minstens te herleiden tot een evenredig bedrag, de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van deze aanslag werden geïnd, meer wettelijke intresten.

Eiseres in hoger beroep vordert de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 70, §1 W.B.T.W. het in artikel 10, 11 en 172 G.W. gewaarborgd gelijkheidsbeginsel indien deze bepaling de rechter niet toelaat rekening te houden met verzachtende omstandigheden of zijn oordeel te beperken tot een loutere schuldigverklaring?"

Eiseres in hoger beroep vordert desgevallend de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie:

"Schendt artikel 70, §1 W. B. T. W. het Europeesrechtelijk beschermd evenredigheids- en neutraliteitsbeginsel door een boete te voorzien van 200% in casu herleid tot 15% of 250.150 EUR?"

Eiseres in hoger beroep vordert tenslotte de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten, begroot op 10.500 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, 10.988,37 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en de bijzondere bijdrage begrotingsfonds van 22 EUR in eerste aanleg en 24 EUR in hoger beroep.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en de vordering van eiseres in hoger beroep ongegrond te verklaren en haar in haar eisen of te wijzen en haar te veroordelen tot de betaling van de bedragen in het innings- en invorderingsregister d.d. 5 april 2022, uitvoerbaar verklaard op 6 april 2022 en haar te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op 10.988,37 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

3. Bespreking.

3.1. Eiseres in hoger beroep werd een B.T.W.-boete opgelegd ten bedrage van 250.150 EUR wegens laattijdige betaling van de B.T.W. voor het vierde kwartaal van 2021. De boete betreft 15% van de laattijdig betaalde B.T.W. ten bedrage van 1.667.706,04 EUR. Deze B.T.W. die uiterlijk op 20 januari 2022 diende te worden betaald, werd betaald op 1 maart 2022, daags na indiening van de laattijdige aangifte voor het vierde kwartaal op 28 februari 2022. Hierover bestaat tussen partijen geen betwisting.

Eiseres in hoger beroep vordert om de boete kwijt te schelden minstens te herleiden omdat deze gelet op de gegeven omstandigheden niet evenredig is. Minstens wordt gevraagd om de boete met uitstel op te leggen en om desgevallend prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof omtrent de voorgehouden schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel aan het Hof van Justitie omtrent de voorgehouden schending van het evenredigheidsbeginsel dan wel neutraliteitsbeginsel.

De administratie erkent dat het hof over de voile rechtsmacht beschikt om te oordelen over de proportionaliteit van de opgelegde boete. Zij stelt echter dat er geen bewijs voorligt van de beweerde onevenredigheid en dat er geen redenen voorliggen om de boete kwijt te schelden, te verminderen of met uitstel op te leggen.

3.2. De boete die de administratie oplegt in toepassing van art. 70 W.B.T.W. is een fiscale sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van art. 6 EVRM. De rechter moet aldus kunnen nagaan of de sanctie in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen eerbiedigt die de administratie in acht moet nemen (G.W.-Hof 24 februari 1999, Fiscoloog, nr. 697, 5). Artikel 6 EVRM verschaft aan de rechter de bevoegdheid om het opleggen van dergelijke boete te controleren met voile rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (EHRM 4 maart 2004, Fiscoloog, 2004, nr. 928,1).

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.BTW te toetsen, mag aldus de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hierbij mag hij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid in acht moet nemen (zie onder meer Cass. 24 maart 2023, F.21.0056.N). Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie onder meer Cass. 23 september 2022, F.20.0112.N; Cass. 13 februari 2009, F.06.0108.N).

Aangezien vaststaat dat het hof, binnen de hiervoor bepaalde grenzen, het recht heeft de opgelegde boete te toetsen aan, onder meer, het evenredigheidsbeginsel, en desgevallend deze te verminderen of kwijt te schelden, dienen geen prejudiciële vragen te worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof, noch aan het Hof van Justitie, zoals geformuleerd door eiseres in hoger beroep.

3.3. Krachtens artikel 70, §1 W.B.T.W. wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. In toepassing van artikel 1 van het K.B. nr. 41, tabel G, afdeling 1, I, 2°, a (niet-betaling en niet-tijdige betaling van de B.T.W. waarvan de opeisbaarheid blijkt uit een ingediende periodieke aangifte of uit het opstellen van een bijzondere rekening) werd de boete verminderd tot 15% van de verschuldigde belasting.

De boete bedraagt aldus in casu 250.150 EUR.

Het hof is van oordeel dat het opleggen van een boete van 250.150 EUR wegens Iaattijdige betaling van de B.T.W. volgens de ingediende periodieke aangifte in casu onevenredig is met de ernst van de inbreuk. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de aangifte en de betaling, zij het laattijdig, spontaan gebeurde door eiseres in hoger beroep, zonder dat zij hiervoor door de B.T.W.-administratie diende te worden aangemaand. De kwartaalaangifte gebeurde bovendien betrekkelijk kort na het verstrijken van de indieningstermijn, met name iets meer dan een maand nadien, op 28 februari 2022 en de betaling van de verschuldigde belasting gebeurde daags nadien, op 1 maart 2022. Aldus werden door de administratie geen belastinginkomsten misgelopen. De schade wegens laattijdige betaling werd overigens vergoed middels de aanrekening en betaling van nalatigheidsintresten.

Er blijkt niet dat eiseres in hoger beroep handelde met bedrieglijk opzet of oogmerk te schaden. Zulks wordt erkend door de administratie gelet op de herleiding van de boete tot 15%, wat uitgesloten is bij bedrieglijk opzet in toepassing van artikel 1, tweede lid K.B. nr. 41. Geheel ten onrechte suggereert de administratie dat eiseres in hoger beroep de Belgische Staat als kredietverstrekker zou hebben gebruikt door een teruggaaf van B.T.W. aan een zustervennootschap te hebben afgewacht vooraleer over te gaan tot de indiening van de betrokken kwartaalaangifte. Hiervan ligt geen enkel objectief controleerbaar bewijs voor. Noch van de teruggaaf van de B.T.W. aan het zusterbedrijf, noch van enige vermeende voorbedachtheid in hoofde van eiseres in hoger beroep, worden stukken voorgelegd.

Evenmin kan het hof vaststellen dat eiseres in hoger beroep bij herhaling de verschuldigde B.T.W. laattijdig betaalt dan wel betaalde. De bijzondere rekeningen die de administratie voorlegt, dateren van voor 2017 en kunnen, gelet op het tijdsverloop, bezwaarlijk wijzen op een herhaalde laattijdige betaling. Zulks geldt evenzeer voor de laattijdige indiening van een intracommunautaire opgave voor 2024, wat een inbreuk van een andere aard betreft en waarvoor een boete van 75 EUR werd opgelegd.

In acht genomen dat de kwartaalaangifte spontaan en slechts een goede maand na het verstrijken van de indieningstermijn werd ingediend en dat de betaling van de verschuldigde B.T.W. ingevolge deze periodieke aangifte eveneens spontaan gebeurde en onmiddellijk nadien, acht het hof een B.T.W.-boete ten bedrage van 250.150 EUR onevenredig ter sanctionering van de laattijdige betaling.

Zulks doet evenwel geen afbreuk aan de vaststelling dat een belangrijk bedrag aan B.T.W. laattijdig werd betaald. Welke de redenen hiervoor zijn, zijn niet gekend. Overmacht wordt althans niet aangetoond. In die context is de volledige kwijtschelding van de B.T.W.-boete niet aan de orde. Het hof is van oordeel dat het opleggen van een B.T.W.-boete van 125.075 EUR in casu evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuk. Zulks zal eiseres in hoger beroep ertoe aanzetten om aan haar fiscale verplichtingen te voldoen en tijdig de verschuldigde B.T.W. te betalen.

Het vonnis van de eerste rechter wordt in die zin hervormd.

De rechtspraak die door partijen wordt aangehaald, gaat uit van andere feitelijke omstandigheden en is dan ook niet ter zake dienend in deze. Het hof gaat er niet nader op in.

Eiseres in hoger beroep verzoekt ondergeschikt om de geldboete minstens uit te spreken met uitstel en verwijst daarvoor naar het eenmalig karakter van de overtreding, de hoogte van de boete, het feit dat geen verlies van inkomsten werd geleden en geen fraude werd gepleegd. Voormelde overwegingen rechtvaardigen naar het oordeel van het hof in casu niet dat de geldboete, bijkomend, na de herleiding tot 125.075 EUR, met uitstel wordt opgelegd, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien. De vordering van eiseres in hoger beroep wordt op dit punt afgewezen.


Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ontvankelijk en deels gegrond. Het vonnis van de eerste rechter wordt deels hervormd.

Eiseres in hoger beroep begroot de rechtsplegingsvergoeding op 10.500 EUR in eerste aanleg en op 10.988,37 EUR in hoger beroep. Eiseres in hoger beroep vordert tevens de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 22 EUR in eerste aanleg en 24 EUR in hoger beroep. Verweerder in hoger beroep werd niet vertegenwoordigd door een raadsman in eerste aanleg en vordert de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, eveneens begroot op 10.988,37 EUR. Aangezien beide partijen elk deels in het ongelijk werden gesteld worden de kosten omgeslagen, zodat elk de eigen kosten draagt.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg..

4. Bespreking.

Dispositif

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond en hervormt deels het vonnis van de eerste rechter. Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond en herleidt de opgelegde B.T.W.-boete van 250.150 EUR tot 125.075 EUR.

Het hof beveelt de terugbetaling van de ten onrechte ingehouden dan wel betaalde bedragen, meer moratoriumintresten in toepassing van artikel 91 W.B.T.W..

Het hoger beroep is voor het meerdere ongegrond en het vonnis van de eerste rechter wordt voor het meerdere bevestigd.

Het hof vereffent de kosten van het geding op 10.500 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en op 10.988,37 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en op de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 22 EUR in eerste aanleg en 24 EUR in hoger beroep en slaat deze kosten om zodat elk de eigen kosten draagt.

Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 06 mei 2025 door

C. P. Raadsheer dd. voorzitter

E. D. Raadsheer

K. L. Raadsheer

E. C. Griffier

Textes cités

1
AR no 41 art. 12 occurrences