Tribunal de première instance de Louvain, 9 janvier 2009 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Louvain 9 janvier 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Louvain, 9 janvier 2009Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-louvain-2009-01-09-8b8b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Louvain
Date
9 janvier 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

72 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Louvain du 09.01.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK - Twaalfde kamer

Zitting : 9 januari 2009

VONNIS

Rol nr. : 05/1138/A

inzake :

G. M., wonende te …, …,

eiser, ter zitting vertegenwoordigd door meester F. V., loco meester R. F., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Leuven, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3001 Heverlee, Philipssite3-A bus 2.

verweerster, ter zitting vertegenwoordigd door meester C. V., loco meester M. C., advocaat te …, ….

I. Procedure

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

De rechtbank nam onder meer kennis van :

- het verzoekschrift op tegenspraak op 18 maart 2005 ter griffie van de rechtbank eerste aanleg te Brussel neergelegd;

- het vonnis d.d. 2 mei 2005 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, was deze rechtbank zich territoriaal onbevoegd verklaarde en de zaak verwees naar rechtbank van eerste aanleg te Leuven;

- de neergelegde conclusies en stukken;

- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 12 december 2008.

II. De feiten

Eiser is BTW-plichtige.

Naar aanleiding van een BTW-controle over de periode 1 januari 2001 tot en met december 2002 werd door de BTW-administratie proces-verbaal opgesteld.

Naast andere feiten (zie onder meer omzetverhoging randnummer 12 en 13) werd vastgesteld dat aankoopfactuur nummer … in het aankoopjournaal ingeschreven werd met als maatstaf van heffing … euro en met een BTW-bedrag van … euro. Volgens eiser betreft het een factuur in BEF. De administratie weigert de aftrek van de BTW op deze factuur vermeld omdat een aantal verplichte vermelding ontbreken, met name :

- de datum van uitreiking van het stuk

- het volgnummer van het uitgaande factuurboek van de verkoper

- het adres van de verkoper

- de inschrijving in het handelsregister van de verkoper

- het BTW-nummer van de verkoper

- de datum van de levering van het goed

- de munteenheid, (geen cijfer na de komma en verklaring van de belastingplichtige het om Belgische frank gaat)

- gegevens betreffende het model, het jaartal, de cilinderinhoud, de motorsterkte, carrosseriemodel en de datum waarop het voertuig voor het eerst in het verkeer gebracht

- het BTW-bedrag.

Op 13 december 2004 werd een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 15 december 21 uitvoerbaar werd verklaard, voor … euro (btw), … euro (boete) … euro (intrest).

III. De vorderingen

Eiser vordert het .dwangbevel te vernietigen en verweerster te veroordelen terugbetaling van de ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de wettelijke intresten.

IV Beoordeling

1. De betwisting betreft de aftrek van de BTW ten bedrage van … euro van de bovenvermelde factuur.

2. Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit zijn van een factuur waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 (artikel 3, § 1, nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde).

De factuur dient onder meer te vermelden :

1° de datum waarop ze wordt uitgereikt en een opeenvolgend nummer, volgens één meer reeksen, dat deze stukken op eenduidige wijze identificeert, waaronder ze worden ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen van de leverancier of dienstverrichter;

2° de naam of de maatschappelijke benaming van de leverancier van de goederen van de dienstverrichter, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel, zijn in artikel 50 van het Wetboek bedoeld BTW-identificatienummer;

5° de datum waarop het belastbaar feit van de levering van de goederen of dienstverrichting heeft plaatsgevonden of de datum van de incassering van de prijs een deel ervan, voorzover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur.

3. Een aantal belangrijke vermeldingen staan niet op de factuur zoals de dat waarop de factuur werd uitgereikt, het nummer in het uitgaand factuurboek van leverancier, adres en BTW-nummer van de leverancier, datum waarop de levering gebeurd.

4. Dit volstaat om de aftrek te weigeren.

5. In haar arrest van 14 juli 1988 inzake Jeunehomme (H.v.J. nr. 123, 330/87 juli 1988, BTW-Revue 1991, 187; Jur. H.v.J. 1988, 4517, concl. SLYNN, G.; R 1988·89, 309) bevestigde het Hof van Justitie dat Lidstaten de uitoefening van het recht op aftrek afhankelijk kunnen stellen van het bezit van een factuur met een aantal verplichte vermeldingen, naast de door de richtlijn vereiste minimumvermelding. Echter, deze bijkomende vermeldingen dienen nodig te zijn om de inning van de BTW de controle daarop door de belastingadministratie mogelijk te maken. Bovendien moeten die vermeldingen niet zo talrijk of technisch zijn, dat zij de uitoefening van het recht op aftrek nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Het komt de nationale rechter toe te beoordelen of de (door de Belgische regeling) opgelegde vermelding aan de bovengenoemde criteria voldoen (L. Agache; BTW-aftrek : is vereiste van BTW-conforme factuur afhankelijk van de vestiging van de leverancier/dienstverrichter T.F.R. nr. 263, 1 juni 2004, 581, randnr. 4).

6. De verplichte vermeldingen die ontbreken zijn niet zodanig talrijk of technisch dat zij de uitoefening van het recht op aftrek bemoeilijken of nagenoeg onmogelijk overdreven moeilijk maken. Deze vermeldingen zijn noodzakelijk om een efficiënte controle mogelijk te maken.

7. Dat eiser niet te kwader trouw zou zijn is hierbij niet relevant. Bovenstaande bepalingen zijn ook van toepassing ten aanzien van een belastingplichtige te goeder trouw.

8. Of de factuur nu in BEF dan wel in EUR werd opgemaakt is gelet op bovenstaande zonder belang.

Uit het proces-verbaal blijkt dat de factuur voor een bedrag van … euro BTW in aankoopjournaal werd ingeschreven. Het is deze BTW waarvan de aftrek tere geweigerd wordt door de administratie.

9. De overige rechtspraak van het Hof van Justitie waarnaar eiser verwijst heeft betrekking op andere toestanden dan de feiten van de onderhavige zaak. De rechtspraak is in de onderhavige zaak niet van toepassing en hierop dient dan ook verder te worden ingegaan.

10. Eiser vraagt dat de rechtbank de volgende prejudiciële vraag zou stellen het Hof van Justitie :

Strookt het met het evenredigheidsbeginsel zoals dit beginsel meer geïnterpreteerd wordt door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap een belastingplichtige, van goeder trouw, genietend van het recht op aftrek van belasting over de toegevoegde waarde voor de aankopen van goederen of diensten verricht in het kader van zijn handelsactiviteiten, te verplichten stukken voorleggen die overigens niet verplichtend moeten worden opgesteld (bestelbon, handelscontracten, verzendingsnota, ...) en het recht op aftrek van de belasting op de toegevoegde waarde voor deze belastingplichtige te weigeren om reden dal hem gerichte facturen verkeerde feitelijke vermeldingen bevatten ?

11. Eiser wordt niet verplicht "stukken voor te leggen die overigens verplichtend moeten worden opgesteld (bestelbon, handelscontracten, verzendingsnota en de aftrek wordt niet geweigerd omdat "de hem gerichte facturen verkeerde feitelijke vermeldingen bevatten".

Het heeft geen zin de prejudiciële vraag die gesteund is op feitelijke gegevens die in onderhavige zaak niet van toepassing zijn te stellen.

12. Op 19 mei 2006-schreef de BTW-administratie aan eiser dat zij vernomen had dat de gewestelijke directeur voor de inkomstenbelastingen besloten had "het indic tekort te aanvaarden voor het boekjaar 2001." De omzetverhoging voor 2001 waarvan sprake in het proces-verbaal heeft dan ook geen voorwerp meer en de invordering van de BTW zal in die zin worden aangepast.

13. De BTW die in het proces-verbaal voor deze te weinig aangegeven omzet wordt gevorderd bedraagt … euro.

Er bestaat geen betwisting over dat de vordering voor deze BTW, boete en intrest gegrond is.

14. Beide partijen worden deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. Het behoort de kosten ten laste te laten van de partij die ze gemaakt heeft.

Dispositif

V. Uitspraak

Dit vonnis wordt gewezen op tegenspraak en in eerste aanleg.

De vordering is ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

De BTW ten bedrage van … euro (punt 3 proces-verbaal, niet aangegeven om is niet verschuldigd, en dus ook niet de boete en intresten op deze BTW.

De rechtbank veroordeelt verweerster tot terugbetaling van hetgeen eventueel onrechte zou zijn geïnd, vermeerderd met de wettelijke intresten.

Voor het overige is de vordering ongegrond.

De rechtbank laat de kosten ten laste van de partij die ze gemaakt heeft. Deze kosten dienen derhalve niet begroot te worden.

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de 12de kamer de rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op 9 januari 2009, waar zetelden :

- de heer L. W., alleenzetelend rechter

- mevrouw E. V. D. G., griffier

E. V. D. G. L. W.

Textes cités

1
AR no 1 art. 51 occurrence

Décisions similaires

8