Tribunal de première instance, 19 juillet 2002 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 19 juillet 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance, 19 juillet 2002Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-kortrijk-2002-07-19-19cf

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
19 juillet 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

166 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Courtrai du 19.07.2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE ZAKEN

de zaak AR nr. 96/61889/A

V. Y., wonende te …, …;

eiser,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester J. R., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen; in de persoon van de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Roeselare, met kantoren te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30;

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, … (ref. : 1716/G);

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935;

De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.

De besluiten en stukken werden nagezien.

Gezien het vonnis van 5 november 2001 waarin reeds de feiten en voornaamste procedureantecedenten werden uiteengezet.

Alvorens in enige mate recht te doen werd vooreerst een plaatsopneming bevolen (aangezien de rechtbank - op vordering daartoe van de verzetdoende eiser in op 18 juni 2001 ter griffie neergelegde besluiten - het nodig achtte zich ter plaatse van de toestand te vergewissen.

Gezien het proces-verbaal van plaatsopneming d.d. 6 december 2001.

De discussie tussen partijen handelt over de kwestie of op de door eiser uitgevoerde bouwwerkzaamheden aan de door hem thans betrokken privé-woning het BTW-tarief van 6 % dan wel van 19,5 % toepasselijk is.

Eiser liet zijn woning uitbreiden of vergroten.

Het gebouw bestaat thans uit het oude gedeelte, een tussenplaats (nieuw, ondermeer dienstig als inkom) en een ruime living (nieuw).

Er is eveneens een annex aan het oude gedeelte, bestaande uit koterijen, welke volledig intact gebleven zijn (en ook oud zijn).

Voor het oude gedeelte werd alleen een nieuwe steen voorgezet.

Het oude woongedeelte bestaat thans uit een slaapkamer, bureau (ook dienstig als gastslaapkamer), keuken en douche met wasplaats.

De nieuwe tussenplaats bestaat in hoofdzaak uit de inkom, een WC, beperkte berging en kleine vestiaire.

De grootste nieuwbouw bestaat uit de zithoek en eethoek.

Volgens de administratie is op de uitgevoerde bouwwerkzaamheden het BTW-tarief van 19,5 % van toepassing.

Het standpunt van de administratie is in hoofdzaak gesteund op de redengeving dat de oppervlakte van het oude gedeelte niet meer betekenisvol zou zijn ten aanzien van het nieuwe gedeelte van zodra het, zoals in casu, minder is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken (de administratie verwijst hiervoor naar de BTW-revue nr. 110 van september 1994, blz. 1103).

Volgens verzetdoende eiser kan hij aanspraak maken op het verlaagd BTW-tarief van 6 %.

* Wat de door verzetdoende eiser opgeworpen excepties betreft :

a. Rekening houdend met de stukken door verweerder reeds neergelegd ziet de rechtbank geen redenen meer om eerst artikel 877 Gerechtelijk Wetboek te moeten toepassen vooraleer het geschil oordeelkundig te kunnen beslechten.

b. Verzetdoende eiser heeft doorheen het geding heel wat opmerkingen ten beste gegeven over de bekwaamheid van de ambtenaar E.B., die het proces-verbaal van 7 december 1995 heeft opgesteld.

E.B. heeft de kwalificatie van opsteller bij de administratie van de BTW, Registratie en domeinen, verbonden aan het BTW-controlekantoor te Tielt.

Juridisch gezien was de heer E.B. wel degelijk "bevoegd" om het proces-verbaal van 7 december 1995 op te stellen zoals hij heeft gedaan.

Het proces-verbaal is niet behept met enige juridische ongeldigheid of nietigheid. De door eiser in verzet voorgehouden onbekwaamheid op zich leidt niet tot enige nietigheidssanctie ten aanzien van het proces-verbaal van 7 december 1995.

* Ten gronde

Nagegaan dient in casu of de uitgevoerde werken voldoen aan de criteria vermeld in het Koninklijk Besluit nr. 20, rubriek XXXI (tabel A).

Immers, sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %.

De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.

Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het verlaagd BTW-tarief van 6 %.

De omvorming van een privé-woning kan ook haar vergroting of uitbreiding omvatten. De rechtbank moet alvast vaststellen dat de voormelde reeks handelingen, door de wetgever opgesomd, en waarop het verlaagd BTW-tarief van 6 % van toepassing is, geenszins de vergroting en/of de uitbreiding van een privé-woning uitsluiten.

Naast de wetgeving voormeld bestaan er nog ondermeer de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986, evenals de BTW-revue nr. 110 van september 1994.

De betrokken administratie is in haar beoordeling in hoofdzaak voortgegaan op één bepaalde zinssnede uit de voormelde BTW-revue en neemt als gevolg daarvan quasi als een automatisme aan dat wanneer het nieuw gebouwde gedeelte de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken overtreft, de bouwheer geen aanspraak kan maken op de toepassing van het verlaagde BTW-tarief (en in casu dus 19,5 % BTW moet gerekend worden in plaats van 6 %).

Volgens de administratie is het oud gedeelte in dergelijk geval niet meer betekenisvol ten aanzien van het nieuwe gedeelte.

Terecht stelt verzetdoende eiser zich de vraag of indien het werkelijk de bedoeling zou zijn geweest van de wetgever om het betekenisvol karakter in alle gevallen afhankelijk te maken van de 50 %-regel, waarom dan deze simpele oplossing ook niet in het Koninklijk Besluit zelf werd opgenomen.

De oplossing is zo eenvoudig niet, het gaat hier om een zuivere feitenkwestie die voorgelegd wordt aan de rechtbank, te weten of het oud gedeelte betekenisvol is gebleven tegenover het nieuwe gedeelte dan wel tot bijzaak is gedenigreerd.

Blijft het oude gedeelte functioneel in het geheel of heeft het nieuwe gedeelte een geheel eigen identiteit verworven waarin het oude gedeelte nog slechts een marginale rol vervult ?

Het nieuwe gedeelte mag niet in staat zijn om onafhankelijk van het oude gedeelte te functioneren, maar dient het oude gedeelte aan te vullen, waarbij het oude gedeelte steeds betekenisvol dient te blijven ten aanzien van het nieuw gedeelte.

Het antwoord op deze feitelijke vragen is niet te herleiden tot de toepassing van een wiskundige breuk, de 50 %-regel der oppervlaktes van oud en nieuw, want anders had de wetgever dit wiskundig criterium wel in de wet ingebouwd, zo mag toch worden verwacht en aangenomen.

De rechtbank heeft zich daarom, alvorens te oordelen, ter plaatse begeven.

Zij heeft vastgesteld dat het oude gedeelte qua oppervlakte, binnenmuren en buitenmuren slechts één minieme wijziging heeft ondergaan, er werd met name voor de buitenmuren een steentje voor gemetseld.

De lage plafonds binnen het oude gedeelte zijn gebleven, ook het vocht hier en daar is nog een erfenis van vroeger. Zelfs de oude koterijen, waarin men nauwelijks kan rechtstaan, zijn gebleven.

Er werd in hoofdzaak een inkom en een ruimere living nieuw aangebouwd.

Het grootste gedeelte van zijn tijd brengt de alleenstaande eiser door in het oude gedeelte alwaar hij slaapt (in een nogal vochtige kamer), zijn eten bereidt en opeet, bureauwerk doet, zich wast en aankleedt, zijn kledij in de wasmachine steekt, uithaalt, opplooit, e.d....

De living wordt in hoofdzaak gebruikt om zich eens te verpozen, gasten te ontvangen, ...

De rechtbank heeft ook de visu vastgesteld tijdens het plaatsbezoek dat de door verzetdoende eiser voorgehouden oude gemeengemaakte deelmuur werkelijk nog bestaat en dat het deze oude muur is die over de ganse lengte van het nieuwbouwgedeelte zo beperkt mogelijk werd opgetrokken (20 cm dik).

Ondermeer al dan niet en in meer of mindere mate rekening houdend met deze oude gemene deelmuur brengen partijen doorheen het geding verschillende berekeningen naar voor.

Doorheen al deze berekeningen verhoudt zich het nieuwe gedeelte qua oppervlakte tot de totale oppervlakte, gaande van nauwelijks 50,2 % tot 55,3 %.

Het gaat hier dus om minimale afwijkingen van de 50 %-regel die dan nog niets eens wettelijk is voorgeschreven en derhalve niet bindend is voor de rechtbank.

De administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus evenals de BTW-revue nr. 110 van september 1994 zijn ten aanzien van kwestig vraagstuk van interpretatieve aard. Zij hebben geen andere bedoeling en draagwijdte dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen, zonder dat het de bedoeling is de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen (zeker niet aan de rechtbank).

De rechtbank heeft zich ter plaatse kunnen vergewissen dat het oude gedeelte zowel qua oppervlakte (slechts miniem afwijkend van de aanbevolen wiskundige regel) als qua functionaliteit en impact op de dagelijkse tijdsbesteding van de bewoner een duidelijk, wezenlijk, betekenisvol gedeelte van het geheel na de uitbreiding blijft uitmaken. Het nieuw gedeelte kreeg geen eigen identiteit en kan onmogelijk los van het oude gedeelte functioneren en vult enkel het oude gedeelte aan, zonder het oude gedeelte feitelijk te gaan overheersen.

Het verzet komt tijdig, regelmatig naar de vorm, toelaatbaar en ontvankelijk en gegrond voor.

Dienvolgens wordt het bestreden dwangbevel teniet gedaan, waar het een BTW vordert die de 6 % BTW overstijgt.

Aldus heeft verweerder niet langer een titel om aan eiser een BTW van meer dan 6 % (tot 19,5 %) aan te rekenen, meer de ermee verband houdende intresten en boete.

Eiser kan terecht aanspraak maken op een verlaagd BTW-tarief van 6 %, hetwelk hij al heeft betaald op de facturen van de bouwwerkzaamheden.

De administratie heeft niets meer van eiser te vorderen. Het is dat wat eiser betracht te horen zeggen voor recht. Met zijn aansprakelijkheidsvordering betracht eiser eigenlijk hetzelfde zodat de rechtbank daar niet verder dient op in te gaan.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935;

Wijzende op tegenspraak;

Verklaart het verzet tijdig, regelmatig naar de vorm, toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond.

Doet het bestreden dwangbevel evenals het proces-verbaal van 10 oktober 1995 dat de motivering ervan uitmaakt, teniet.

Zegt voor recht dat verweerder op basis daarvan niets meer te vorderen heeft van eiser.

Wijst de door eiser naar voor gebrachte excepties of het anders gevorderde af als ongegrond (daar eiser daarmee toch geen grotere veroordeling beoogt dan hij thans bekomt).

Legt alle geding- en gerechtskosten ten laste van verweerder, zo deze aan zijn zijde gevallen als aan de zijde van eiser, begroot in conclusies neergelegd ter griffie op 22 april 2002 op :

kosten verzetsdagvaarding 149,88 euro

rechtsplegingsvergoeding 327,22 euro

aanvullende rechtsplegingsvergoeding plaatsopneming 54,54 euro

kosten plaatsopneming 55,53 euro

totaal 587,17 euro

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande enig verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Kortrijk, in de buitengewone openbare terechtzitting op NEGENTIEN JULI TWEEDUIZEND EN TWEE.

Aanwezig :

M. B., alleenzetelend rechter,

A. D., adjunct-griffier.

A. D. M. B.

Décision jointe par le SPF

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN :

In de zaak : 96/61889/A

V. Y., wonende te …, …;

eiser,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester J. R., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, administratie van de BTW, Registratie en Domeinen; in de persoon van dhr. Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Roeselare, met kantoren te 8800 Roeselare, Rondekomstraat, 30;

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester C. V., advocaat te …, loco Meester F. W., advocaat te …, …;

De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.

De besluiten en stukken werden ingezien.

Bij dagvaarding betekend op 18 juni 1996 door F. V., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van J. V., gerechtsdeurwaarder met standplaats te …, stelt eiser verzet aan te tekenen tegen het dwangbevel hem betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder J. V. met standplaats te … op 10 juni 1996.

Het bestreden dwangbevel is uitgevaardigd door J. V., ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare op 11 april 1996.

Het werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 april 1996 door J. P., inspecteur te Brugge, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge.

Het dwangbevel vordert :

- aan BTW : 273.705 fr.;

- aan boete (artikel 70, § 1 BTW-Wetboek) : 40.500 fr. hetzij samen 314.205 fr.

Het dwangbevel steunt op een proces-verbaal van 7 december 1995 van opsteller E. B. bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, verbonden aan het BTW-controlekantoor te Tielt.

Van het proces-verbaal werd een voor eensluidend verklaard afschrift mee betekend met het dwangbevel.

De verzetdoende eiser streeft de nietigverklaring na van het dwangbevel en het proces-verbaal, te zeggen voor recht dat de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn en hem een schadevergoeding toe te kennen, gelijk aan de gevorderde BTW, boeten en intresten.

In conclusie vraagt eiser tevens om te bevelen het volledig fiscaal dossier over te leggen, alsmede een plaatsopneming in tegenwoordigheid van partijen te bevelen.

Verweerder acht het verzet ontvankelijk doch ongegrond.

Na lezing van het dossier en de stukkenbundels van partijen acht de rechtbank het noodzakelijk, alvorens in enige mate recht te doen, vooreerst een plaatsopneming te bevelen om ons de visu van de situatie ter plekke te vergewissen.

Het is zo dat sinds september 2001 … tot het gerechtelijk arrondissement Brugge behoort.

Evenwel bepaalt artikel 15 van de Wet van 28 april 2001 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de gerechtelijke kantons, overgangs- en slotbepalingen, dat voor de gerechten waarvan het rechtsgebied wordt gewijzigd door deze wet alle zaken aanhangig blijven die er aangebracht zijn, zelfs indien de plaats waardoor de territoriale bevoegdheid was bepaald voortaan tot het rechtsgebied van een ander gerecht behoort.

Dit impliceert dat zeker ook de onderzoeksmaatregelen die de visu moeten geschieden, zoals een plaatsopneming, door de rechter van het vroegere rechtsgebied waar de zaak aanhangig blijft, moeten kunnen geschieden.

Tenslotte wordt deze plaatsopneming niet ambtshalve bevolen maar op vordering van de verzetter in op 18 juni 2001 ter griffie neergelegde besluiten, dit wil zeggen toen … in alle geval nog deel uitmaakte van ons gerechtelijk arrondissement.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.

Wijzende op tegenspraak.

Alvorens in enige mate recht te doen, beveelt vooreerst een plaatsopneming te …, … in aanwezigheid van partijen op DONDERDAG 6 DECEMBER 2001 te 10,30 uur.

Kosten aangehouden.

Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op VIJF NOVEMBER TWEEDUIZEND EN EEN.

Aanwezig :

M. B., alleenzetelend rechter;

G. H., griffier.

G. H. M. B.

PROCES-VERBAAL VAN PLAATSOPNEMING

Op 6 december 2001 te 10,30 uur, in nakoming van het vonnis d.d. 5 november 2001, in de zaak :

96/61889/A

V. Y., wonende te …, …;

eiser,

hebbende als raadsman Meester J. R., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen; in de persoon van dhr. Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Roeselare, met kantoren te 8800 Roeselare, Rondekomstraat, 30;

verweerder,

hebbende als raadsman Meester F. W., advocaat te …, …;

hebben wij, M. B., rechter, bijgestaan door G. H., griffier, ons ter plaatse begeven te …, …, alwaar wij ontmoeten :

* Y. V., eiser;

* Meester J. R., advocaat te …, raadsman van eiser;

* Meester C. V., advocaat te …, loco Meester Fr. W., advocaat te …, raadsman van verweerder;

* De heer B., BTW Tielt;

* De heer T., BTW-Directie Brugge.


Het gebouw bestaat uit het oude gedeelte, een tussenplaats (nieuw) en een ruime living (nieuw).

Er is eveneens een annex aan het oude gedeelte, bestaande uit koterijen welke volledig intact gebleven zijn. Er werd alleen een nieuwe steen voorgezet.

Het oude gedeelte werd gebouwd in 1875 volgens gegevens vermeld op de kadasterfiche.

De verbouwing en de aanbouw werden uitgevoerd tussen oktober 1992 en half april 1993.

De oude draagmuur staat er nog en is goed zichtbaar in de hof achter de living.

Eiser houdt voor dat er overname door hem is geweest van deze oude gemene draagmuur en verwijst terzake naar zijn voorgelegde stukken.

Op de oude draagmuur werd de nieuwe muur gebouwd (de oude draagmuur werd opgetrokken).

Volgens het plan van de architect is de breedte van die muur 20 cm.

In het oude gedeelte werden de binnenmuren van nieuwe bepleistering voorzien.

Het oude plafond werd behouden.

Op de binnenmuren is nog steeds vocht merkbaar.

Er werd een nieuwe keuken geplaatst binnenin het oude gedeelte, alsmede een kleine badkamer (douche) en een slaapkamer en bureau.

Er wordt niet betwist dat van het oude gedeelte de oude muur intact is gebleven, er werd alleen een nieuwe steen voorgezet.

De BTW-diensten zijn van mening dat ook deze nieuwe voormuur moet meetellen voor het berekenen van de oppervlakte van het oude gebouwgedeelte (voor zover daar nog geen rekening zou mee gehouden zijn).

Langs de zijgevel is de oude draagmuur niet meer visueel te onderscheiden gezien de oprit van de buur er onmiddellijk naast opgehoogd werd.

In de berging werd een gat in de nieuwe binnenmuur gekapt waardoor men de oude draagmuur nog kan zien.

Dhr. B. laat opmerken dat er tijdens het initieel controle­plaatsbezoek van hem door dhr. V. niet over die oude draagmuur werd gesproken.

Na ter plaatse te zijn gebleven tot 11,30 uur, hebben wij hiervan ter griffie proces-verbaal opgesteld, dat wij tekenen, samen met de griffier.

C. H. M. B.

De rechtbank stelt de zaak voor behandeling op de zitting van MAANDAG 6 MEI 2002 te 10,30 uur.

Aanwezig :

M. B., alleenzetelend rechter;

G. H., griffier.

G. H. M. B.

Textes cités

1
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8