Taxe sur la valeur ajputée, exonération, exportation, importation · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 29 avril 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Taxe sur la valeur ajputée, exonération, exportation, importationTaxe sur la valeur ajputée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taxe-valeur-ajputee-exoneration-exportation-tribunal-bruxelles-2009-04-29-eb61

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
29 avril 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

104 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 29.04.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 36ste KAMER

AR 2007/16177/A + 2007/16178/A

- BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis - samenvoeging

Inzake 2007/16177/A

De heer A. D.’H., woonachtig te …, …, met KRO-nummer …,

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. L. V., advocaat te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen in persoon van de heer eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Brussel IV, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Jozef Stevensstraat 7,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. D. B. loco Mr. A. D., advocaat te …, … (ref. : AD/08.7029/BTW.188/jp),

En inzake 2007/16178/A

De BVBA T. A., met maatschappelijke zetel te …, …, met KBO-nummer …,

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. L. V., advocaat te …, …,

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen in persoon van de heer eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Brussel IV, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Jozef Stevensstraat 7,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. D. B. loco Mr. A. D., advocaat te …, … (ref. : …),

In deze zaak, in beraad genomen op 08/04/2009, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

Inzake 2007/16177/A

- het verzoekschrift op grond van artikel 1385decies Ger. W., neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27/12/2007;

- de beschikkingen tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 10/03/2008 en 07/04/2008;

- de conclusie en de synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 10/07/2008 en 11/02/2009;

- de conclusie van eiser, neergelegd ter griffie op 10/11/2008;

- de stukken van eiser, neergelegd ter griffie op 10/11/2008 en de stukken van verweerder, neergelegd ter griffie op 01/04/2009.

Inzake 2007/16178/A

- het verzoekschrift op grond van artikel 1385decies Ger. W., neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27/12/2007;

- de beschikkingen tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 10/03/2008 en 07/04/2008;

- de conclusie en de synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 10/07/2008 en 11/02/2009;

- de conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op 10/11/2008;

- de stukken van eiseres, neergelegd ter griffie op 10/11/2008 en de stukken van verweerder, neergelegd ter griffie op 01/04/2009.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 08/04/2009, waarna de zaken in beraad genomen werden.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. PROCEDURE

1. Partijen verklaarden ter zitting dat zij akkoord zijn om de zaken gekend onder de rolnummers 2007/16177/A en 2007/16178/A samen te voegen, gelet op het feit dat de onderliggende problematiek identiek is.

Gelet op deze gegevens en het akkoord van partijen, komt het gepast voor beide zaken samen te voegen.

2. Eisers verzetten zich niet tegen het behoud in de debatten van de besluiten neergelegd voor verweerder in beide dossiers op 11/02/2009.

2. FEITEN

3. Eisers in beide dossiers zijn actief als restaurant/traiteur. In die hoedanigheid doen zij ook leveringen van goederen en diensten aan diplomatieke posten, etc.

4. Wat betreft de heer D'H. (eiser inzake 2007/16177/A) werd op 30/11/2006 een proces-verbaal opgesteld.

Hierin werd vastgesteld dat op grond van artikel 42, § 3 van het BTW-wetboek de levering van goederen en diensten in het kader van consulaire en diplomatieke betrekkingen, aan diplomatiek personeel, etc. vrijgesteld zijn van BTW. Om evenwel te kunnen genieten van deze vrijstelling moet voldaan zijn aan de voorwaarden opgenomen in de aanschrijving 78/001 van 03/01/1978 (zoals gewijzigd) en met name moet gebruik gemaakt worden van de documenten 450 en 451. Voor een aantal in het proces-verbaal opgesomde leveringen waren deze documenten niet voorhanden, zodat de BTW verschuldigd is. Als gevolg hiervan is de heer D'H. verschuldigd :

- BTW : € 6.345,81;

- proportionele boete van 10 % : € 630,00;

- intresten vanaf 21/01/2006.

Op 11/12/2006 werd hieromtrent een dwangbevel opgemaakt met nummer 406.1204.12473, hetwelk geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd op 13/12/2006. Dit werd aan de heer D'H. ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven van 15/12/2006.

Middels de procedure gekend onder rolnummer 2007/16177/A wordt dit dwangbevel betwist.

7. Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op van de vorderingen, noch wordt enige ambtshalve grond van niet ontvankelijkheid vastgesteld. De vorderingen van eisers zijn derhalve ontvankelijk.

4.2. Ten gronde

8. De betwisting tussen partijen is beperkt tot de vraag of de vrijstelling van BTW kan van toepassing zijn op de leveringen van eisers, in het licht van de bij omzendbrief opgelegde voorwaarde dat moet gebruik gemaakt worden van de formulieren 450 en 451. Dat aan de overige wettelijke voorwaarden voldaan is om te kunnen genieten van de vernoemde vrijstelling van BTW staat niet ter discussie.

9. Artikel 42, § 3 van het BTW-wetboek bepaalt ter zake als volgt :

"Van de belasting zijn vrijgesteld :

1° de leveringen en de invoeren van goederen en de diensten in het kader van de diplomatieke en consulaire betrekkingen;

2° de leveringen van roerende goederen en de diensten, met uitzondering van werk in onroerende staat, aan, alsook de invoeren door de volgende personen, handelend voor hun persoonlijk gebruik en gehecht aan de zendingen en posten bedoeld onder 1° : de leden van het diplomatiek personeel, de leden van het administratief en technisch personeel, de consulaire beroepsambtenaren en de consulaire bedienden;

3° de leveringen en de invoeren van goederen en de diensten bestemd voor de internationale instellingen en daaraan verbonden ambtenaren, voor zover in zulke vrijstelling is voorzien door een overeenkomst waarbij België toegetreden is;

4° de leveringen en de invoeren van goederen en de diensten verricht, hetzij voor het officiële gebruik van de krijgsmachten van vreemde Staten toegetreden tot het Noord-Atlantisch Verdrag of van het hen begeleidende burgerpersoneel, hetzij voor de bevoorrading van de messes en kantines van die krijgsmachten, voor zover de betreffende krijgsmachten, krijgsmachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning;

4°bis de leveringen van goederen en de diensten die naar een andere Lid-Staat werden verricht en bestemd zijn voor de strijdkrachten van een andere Staat toegetreden tot het Noord-Atlantisch Verdrag dan de Lid-Staat van bestemming zelf, voor het gebruik van die strijdkrachten of van het hen begeleidende burgerpersoneel, of voor de bevoorrading van de messes en kantines van die strijdkrachten, voor zover deze strijdkrachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning;

5° de leveringen en de invoeren van goederen en de diensten bestemd voor de instellingen die door een buitenlandse regering belast zijn met de aanleg, de inrichting en het onderhoud van begraafplaatsen en gedenktekens voor de in oorlogstijd overleden en hier te lande begraven leden van haar krijgsmacht;

6° de leveringen en de invoeren van goederen en de diensten bestemd voor de Noord-Atlantische Vergadering en de leden van het Internationaal Secretariaat van die Vergadering, voor zover in de vrijstelling is voorzien door de wet van 14 augustus 1974 betreffende het statuut in België van de Noord-Atlantische Vergadering;

7° de leveringen van goud aan de centrale banken;

8° de levering van goederen bestemd voor erkende organisaties die deze goederen uitvoeren uit de Gemeenschap in het kader van hun menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk.

Door of vanwege de Minister van Financiën worden de perken en de voorwaarden voor de toepassing van deze paragraaf bepaald. Er kan onder meer worden bepaald dat de in deze paragraaf bedoelde vrijstellingen worden verleend bij wijze van teruggaaf."

Dit laatste uitvoeringsbesluit werd nooit genomen in de vorm van een Ministerieel Besluit, doch deze regeling werd opgenomen in een niet in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde aanschrijving/richtlijn met nummer 78/001 van 03/01/1978, nadien meermaals gewijzigd. Deze aanschrijving werd oorspronkelijk ook niet uitgevaardigd door de Minister van Financiën, doch wel door de Minister van Buitenlandse Zaken.

Van de ter discussie staande vrijstelling kan, volgens de aangehaalde richtlijn, slechts worden genoten indien aan de leverancier of de dienstverrichter een bestelbon (model 450 of 451, afhankelijk van het feit of het gaat om de diplomatieke posten, etc., dan wel om diplomatiek personeel) wordt overhandigd die voldoet aan de in de richtlijn opgesomde voorwaarden (in casu zijn de randnummers 27 en 49 van de omzendbrief van toepassing, stuk 2 verweerder).

10. In eerste instantie werpen eisers op dat deze regeling strijdig is met de scheiding der machten. Bovendien werpen eisers op dat de ter discussie staande regeling strijdig zou zijn met de artikelen 170 en 172 gec.G.W., ingevolge dewelke belastingen en belastingvrijstellingen slechts kunnen ingevoerd worden krachtens een wet.

Het is niet aan de hoven en rechtbanken om de conformiteit met de grondwet van wetten (met name artikel 42, § 3 BTW-wetboek) te beoordelen. In zoverre de kritiek van eisers de regeling in artikel 42, § 3 BTW-wetboek viseert, waarbij de bevoegdheid om uitvoeringmaatregelen te nemen aan de Minister van Financiën werd toevertrouwd, kan de rechtbank hierover niet oordelen. Om de redenen verder aangehaald, kan huidig geschil opgelost worden zonder op dit punt een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof (wat partijen ook niet vorderen).

Voorgaande neemt immers niet weg dat de betreffende omzendbrief zelf op grond van artikel 159 gec.G.W. desgevallend buiten toepassing moet gelaten worden, indien deze strijdig zou zijn met de wet (met name artikel 42, § 3 BTW-wetboek).

In eerste instantie moet vastgesteld worden dat in artikel 42, § 3 BTW-wetboek aan de Minister van Financiën niet enkel de bevoegdheid wordt gegeven om louter bijkomende maatregelen te nemen, maar dat hem gelast wordt om werkelijk uitvoerende en reglementaire beschikkingen te treffen. Artikel 15, § 10 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG (betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag) - zoals destijds van toepassing - voorzag inderdaad in de mogelijkheid van de lidstaten om deze vrijstelling te moduleren.

Deze bepalingen samen gelezen moeten doen besluiten dat de bevoegdheid die aan de Minister van Financiën toekwam essentieel van regulerende aard is (de vrijstelling kan beperkt worden en aan voorwaarden verbonden). Het is aan de lidstaten om de Europese regelgeving met de gepaste nationale instrumenten om te zetten. Indien een regulerende bevoegdheid wordt toegekend aan een Minister dient deze uitgeoefend te worden middels een ministerieel besluit, hetwelk het geijkte instrument is voor een verordenende bevoegdheid. Artikel 42, § 3 BTW-wetboek moet dan ook geïnterpreteerd worden dat hiermee wordt bedoeld dat de betreffende regelingen dienen te worden vastgesteld bij Ministerieel Besluit.

Door de regeling in kwestie op te nemen in een omzendbrief, dewelke bovendien niet werd gepubliceerd, is gehandeld in strijd met artikel 42, § 3 BTW-wetboek.

Samen met eisers moet bovendien vastgesteld worden dat - en dit wordt ook niet betwist door verweerder - de betreffende omzendbrief oorspronkelijk van de hand van de Minister van Buitenlandse Zaken was. Een aantal wijzigingen naderhand zouden van de Minister van Financiën zijn. Partijen verduidelijken niet in welke mate de aanschrijving van de ene dan wel de andere Minister is en nu het gaat om een niet officieel gepubliceerd instrument, kan de rechtbank dit ook niet nagaan.

Op basis hiervan moet eveneens vastgesteld worden dat de omzendbrief tot stand is gekomen in strijd met artikel 42, § 3 in fine BTW-wetboek. Hierin wordt uitdrukkelijk de bevoegdheid op dit punt toegekend aan de Minister van Financiën. Een regulerende bevoegdheid toegekend aan een Minister op grond van wet, hetgeen al afwijkt van het algemene principe dat de uitvoerende (verordenende) bevoegdheid de Koning toekomt (art. 108 gec.G.W.), moet restrictief uitgelegd worden en kan niet in strijd met de wet gedelegeerd worden aan een andere Minister.

Tot slot en ten overvloede : Ook al wordt thans algemeen aanvaard dat een omzendbrief een verordenende strekking kan hebben en, in afwijking van het algemene beginsel, bindend kan zijn voor de burger (vgl. A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Mechelen, Kluwer, 2006, nr. 40); om bindend te kunnen zijn voor de burger moet deze burger logischerwijs van deze omzendbrief kennis kunnen hebben, hetgeen een officiële publicatie vereist. Een verordenende omzendbrief uitvaardigen zonder hierbij te voorzien in een officiële publicatie in het Belgisch Staatsblad, zodat de belastingplichtige hiervan kennis kan hebben, is strijdig met de beginselen van behoorlijk bestuur. Men kan in alle redelijkheid niet verwachten dat een belastingplichtige richtlijnen opvolgt waarvan hij geen (officiële) kennis kan hebben. Uit de brief van de federale ombudsman van 07/12/2007 (stuk 3 eisers) wordt deze onmogelijkheid voor eisers om op de hoogte te zijn van de details van de regeling erkend. Ook op deze grond dient de aanschrijving in kwestie buiten toepassing gelaten te worden.

11. Verweerder werpt op dat de vrijstellingen in artikel 42, § 3 BTW-wetboek beperkt dienen geïnterpreteerd te worden en dat de bewijslast van de vrijstelling op eisers rust. Dit is thans evenwel niet relevant.

De processen-verbaal, waarnaar de respectievelijke dwangbevelen integraal verwijzen, zijn immers volledig gemotiveerd op basis van de aangehaalde aanschrijving dewelke, om de aangehaalde redenen, niet kan dienen als rechtsbasis voor de opgelegde bijkomende voorwaarden om te kunnen genieten van een BTW-vrijstelling. De dwangbevelen zijn aldus niet afdoende gemotiveerd en dienen dusdoende nietig te worden verklaard.

De vorderingen van eisers zijn gegrond.

5. KOSTEN, WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN

12. Aangezien de vorderingen van eisers gegrond zijn, worden de kosten van het geding ten laste van verweerder gelegd.

In het licht van de samenvoeging van de zaken verklaren eisers slechts één rechtsplegingsvergoeding te vorderen op basis van de waarde van de gezamenlijke vorderingen. Nu eisers hun vordering op dit punt beperken, komt het de rechtbank niet toe meer toe te kennen.

Op basis van de waarde van de vorderingen kan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor beide procedures samen begroot worden op 1.100,00 euro. Partijen vorderen over en weer het basisbedrag en vragen geen afwijking hiervan.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en, 42 van de wet van 15 juni 1935 .op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Voegt de zaken gekend onder de rolnummers 2007/16177/A en 2007/16178/A samen op grond van artikel 30 Ger. W.


Verklaart de vordering van de heer D’H. inzake 2007/16177/A ontvankelijk en als volgt gegrond.

Vernietigt het bestreden dwangbevel met nummer …, uitgevaardigd op 11/12/2006 en uitvoerbaar verklaard op 13/12/2006.

Veroordeelt verweerder tot teruggave van de desgevallend in uitvoering van voormeld dwangbevel onterecht betaalde of ingehouden sommen, te verhogen met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW.


Verklaart de vordering van de BVBA A. inzake 2007/16178/A ontvankelijk en als volgt gegrond.

Vernietigt het bestreden dwangbevel met nummer …, uitgevaardigd op 11/12/2006 en uitvoerbaar verklaard op 13/12/2006.

Veroordeelt verweerder tot teruggave van de desgevallend in uitvoering van voornoemd dwangbevel onterecht betaalde of ingehouden sommen, te verhogen met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW.


Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding in beide procedures, en begroot deze kosten in hoofde van eisers samen en voor beide procedures samen op 1.100,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 36ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 29 april 2009.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer J. V. B. toegevoegd rechter,

Mevrouw I. D., griffier

I. D. J. V. B.

Textes cités

2
CTVA art. 4210 occurrences

Décisions similaires

8