Taxe ur la valeur ajoutée, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 29 novembre 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Taxe ur la valeur ajoutée, disposition pénale, amende administrativeTaxe ur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taxe-ur-valeur-ajoutee-disposition-cour-appel-gand-2005-11-29-6807

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
29 novembre 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

126 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 29.11.2005

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van Beroep te Gent 5e kamer, terechtzitting van 29-11-2005

Nr. 2004/AR/1499

in de zaak van :

J. A, banketbakker, wonende te …, …; met ondernemingsnummer …,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. A., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Wetteren, wiens burelen gevestigd zijn te 9230 WETTEREN, Gentsesteenweg 93,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. P., advocaat te …, …,

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

De appellant heeft tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, negende kamer, van 26 maart 2004 waarbij het verzet van de appellant tegen het dwangbevel uitgevaardigd door P. D. M., ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te 9230 Wetteren op 27 maart 1990, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. K., gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent op 30 maart 1990 geheel werd afgewezen met dien verstande dat de BTW-boete verminderd werd tot 20 % van de verschuldigde rechten. Volgens dit dwangbevel is de appellant verschuldigd aan de geïntimeerde een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW, een bedrag van … BEF (… EUR) als geldboete ingevolge artikel 70, § 1 BTW-wetboek, een niet proportionele geldboete van … BEF (… EUR), een intrest van 0,80 % per maand over de niet-tijdig betaalde BTW vanaf 21.1.1988, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel en de vervolgingskosten.

Het hoger beroep van de appellant strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en dienvolgens de oorspronkelijke eis van de appellant in te willigen, het dwangbevel te vernietigen en de vordering van de Belgische Staat ongegrond te verklaren. Ondergeschikt vordert de appellant het bestreden vonnis te bevestigen wat betreft de vermindering van de administratieve geldboete. De appellant vraagt tevens de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd, verhoogd met de intresten sedert de datum van de betaling, dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.

Op zijn beurt vordert de geïntimeerde de bevestiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van het hoofdberoep met dien verstande dat hij bij conclusies van 25 augustus 2004 incidenteel beroep instelt voor zover de geldboete verminderd werd tot 20 %. Derhalve vordert de geïntimeerde te van zeggen voor recht dat de boete verschuldigd is a rato het dubbele van de verschuldigde rechten.

Feitelijke gegevens

1. De appellant heeft wegens de uitgeoefende beroepswerkzaamheid van banketbakker de hoedanigheid van BTW­belastingplichtige. De appellant was regelmatig afnemer van. bloem bij de NV D. N. M. V. GENT EN BRUGGE. Laatstgenoemde rechtspersoon is het voorwerp geweest van een gerechtelijk onderzoek waaruit gebleken is dat door de NV N. M. VAN GENT EN BRUGGE. een zwart circuit werd opgezet van leveringen van bloem in het zwart waarvoor uiteindelijk de verantwoordelijken strafrechtelijk werden veroordeeld bij arrest van 22 november 1993 door het Hof van beroep te Brussel. Dit blijkt zowel uit het voorgelegde arrest (bewijsstuk 48 bundel van de geïntimeerde) als uit de uittreksels van het strafdossier.

2. Tijdens de huiszoeking bij de NV N. M. van GENT EN BRUGGE werd een op 22 november 1985 gedateerde lijst teruggevonden met de klantengegevens per afnemer en een code voor de zwartleveringen. Op grond van verklaringen van personeelsleden van deze rechtspersoon werd deze code ontcijferd. De naam van de appellant kwam eveneens voor op deze listing (bewijsstuk 58 bundel geïntimeerde) met de code VM/6 hetgeen betekende dat bij elke officiële levering 800 kg in het zwart werd geleverd waarvan 500 kg in bulk en 300 kg in zakken (zie de verklaringen opgenomen in de bewijsstukken 19 en 59 bundel geïntimeerde).

Vertrekkend van deze gegevens werd door de geïntimeerde per afnemer de zwarte omzet weder samengesteld. Door de NV N. M. VAN GENT EN BRUGGE werd een lijst opgemaakt waarop per klant het totaal aantal leveringen en het totaal van het jaarlijks in het zwart geleverde kwantiteit werd vermeld en dit voor wat betreft de bulkleveringen. Deze vaststellingen werden opgenomen in het proces-verbaal van 19 februari 1990 (zie bewijsstuk 3, blz.3) naar aanleiding van een BTW-controle voor de periode van 1 januari 1985 tot 31 december 1987. Daaruit moet blijken dat de appellant in 1985 27 zwartleveringen voor een totaal van 21.600 kg, in 1986 30 zwartleveringen voor een totaal van 24.000 kg en in het jaar 1987 21 zwartleveringen van 800 kg en 1 levering van 500 kg hetzij samen 17.300 kg heeft afgenomen.

In het kader van dit onderzoek ontkende de appellant ooit bloem in het zwart te hebben afgenomen van de NV DE N. M.. Hij verklaarde dat hij zijn bestellingen steeds telefonisch deed, dat de betaling steeds per overschrijving gebeurde en nooit in contanten en dat hem bij levering steeds een vervoerdocument en een weegbon werd overhandigd. Tijdens dit controleonderzoek werden ook nog een aantal vaststellingen gedaan m.b.t. de boekhouding van de appellant.

De geïntimeerde was van oordeel dat de appellant gedurende de gecontroleerde periode belangrijke hoeveelheden bloem had aangekocht bij genoemde leverancier zonder dat hem hiervoor een officiële factuur werd uitgereikt zodat een hoeveelheid aangekochte bloem niet in de boekhouding van de appellant was opgenomen zodat ook de verschuldigde BTW niet afgedragen was aan de schatkist. Aangezien aldus de geïntimeerde de leveringen zonder factuur dermate belangrijk waren werd een ambtelijke aanslag aangekondigd. Alhoewel de appellant niet akkoord ging werd de ambtelijke aanslag toch gevestigd zoals aangekondigd bij beslissing van 19 februari 1990.

3. Overeenkomstig deze ambtelijke aanslag was de appellant volgende sommen verschuldigd :

BTW … EUR

(… EUR)

Fiscale geldboete op grond van art. 70, § 1 BTW-Wet … EUR

(… EUR)

Fiscale geldboete op grond van art. 70, § 4 BTW-Wet … EUR

(… EUR)

Intresten op grond van art. 91, § 1 BTW-Wet. p.m.

Bij gebrek aan betaling werd door de geïntimeerde een dwangbevel uitgevaardigd waartegen de appellant verzet heeft aangetekend dat door de eerste rechter ten gronde werd afgewezen.

4. Door de appellant werd hoger beroep aangerekend. In de beroepsakte werd aangehaald dat de gronden voor het vestigen van een ambtelijke aanslag niet aanwezig waren. Volgens de appellant werd het bewijs van de niet gefactureerde leveringen niet geleverd door het proces-verbaal. Ook de informatie uit het strafdossier levert dit bewijs volgens de appellant niet omdat dit strafdossier slechts te verifiëren gegevens oplevert. De appellant wijst er verder op dat gegevens afkomstig uit de boekhouding van een derde hem niet tegenwerpelijk zijn en dat ook de verklaringen van de bedienden en de verantwoordelijken van de NV N. M. moeten worden gerelativeerd. Verder betwist de appellant de stockagemogelijkheden en meent hij dat de zogenaamde anomalieën kleine tekortkomingen zijn die evenmin het bewijs van de zwarte leveringen aantonen. De appellant benadrukt nog dat geen enkel bewijs van niet gefactureerde leveringen voorligt, dat zijn boekhouding regelmatig is en dat uit het zout en gistverbruik eveneens blijkt dat de appellant geen niet gefactureerde leveringen heeft ontvangen. Tenslotte stelt de appellant dat het omzetcijfer niet spectaculair gestegen is na de controle door de BBI.

Beoordeling

5. Het behoort aan de geïntimeerde het bewijs te leveren van de inkomsten die hij wil belasten. Dit bewijs kan geleverd worden door alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen met uitzondering van de eed. Volgens de appellant faalt de geïntimeerde in zijn bewijslast.

Te dezen staat het buiten betwisting dat de leverancier van de appellant een circuit van leveringen van zwarte bloem had opgezet. De omstandigheid dat deze feiten tot een strafrechtelijke veroordeling aanleiding hebben gegeven levert nog geen bewijs op dat de beweerde leveringen in het zwart aan de appellant als vaststaand moeten worden beschouwd. De beslissing van de strafrechter heeft slechts gezag van gewijsde wat betreft de feiten waarvan de strafrechter t.a.v. de beklaagde(n) het bestaan zeker en noodzakelijk heeft aangenomen. De appellant was geen partij in de strafprocedure en de betichtingen hebben alleen betrekking op de niet opgenomen ontvangsten door de leverancier in zijn boekhouding ingevolge de verkoop door de leverancier van bloem in het zwart. Het Hof van beroep zetelend in correctionele zaken heeft niet aangenomen dat de appellant zich schuldig heeft gemaakt aan die praktijken en in die hoeveelheden.

De vermelding van de naam van de appellant op de listing creeërt alleen een vermoeden dat de appellant betrokken is maar bewijst op zichzelf niet dat bij iedere officiële levering telkens een officieuze leveringen van telkens 800 kg gebeurde. In dit verband moet verwezen worden naar een verklaring van V. D. B. D. (stuk 59 van de geïntimeerde) die stele dat het systeem van zwarte leveringen reeds lange tijd in voege was en dat de zwarte leveringen met ups en downs gebeurden. Dezelfde persoon verklaart ook nog dat er zelfs periodes geweest zijn dat er geen zwarte leveringen waren terwijl het steeds de klant is die de zwarte leveringen uitlokte. Uit die verklaring blijkt tevens dat een zekere hoeveelheid in het zwart moest worden geleverd voor zover er geen tegenbericht was, hetgeen inhoudt dat dit cijfer kan gewijzigd worden.

Komt daarbij dat het deel van de lijst dat voorligt gedateerd is op 22 november 1985 (stuk 58 van de geïntimeerde) zodat dit document slechts de weergave schijnt te zijn van de situatie op dat ogenblik. Niets laat toe met zekerheid te stellen dat dit ook de situatie was voor 22 november 1985 terwijl niets toelaat dit gegeven te extrapoleren naar de navolgende . jaren 1986 en 1987. Er is dus niet de minste zekerheid dat de appellant bij iedere levering bloem steevast 800 kg in bulk zou hebben afgenomen dan wel 500 kg in bulk en 300 kg in zakken.

Precies over dit laatste gegeven is er evenmin eenduidigheid. Uitgaande van dezelfde verklaring van V. D. B. F. zou blijkens de vermelde code op stuk 58 500 kg in bulk geleverd zijn en 300 kg in zakken daar waar uit het samen lezen van de stukken 3 en 20 alleen sprake is van leveringen in bulk. Overigens blijkt daaruit dat bij de berekening van de niet-gefactureerde leveringen enkel uitgegaan werd van het feit dat deze leveringen enkel in bulk gebeurden. Volgens de "Van Dale" betekent "in bulk" : niet verpakt, als stortgoed. Deze terminologie stemt niet overeen met levering in zakken dewelke sowieso worden gewogen.

De vermelding op de voorgelegde listing bij de naam van de appellant op 22 november 1985 van de code VM/6 "in potlood" is op zichzelf ontoereikend om tot het besluit te komen dat de appellant bloem heeft afgenomen in de voorgehouden hoeveelheden.

6. Derhalve dient te worden nagegaan of er nog andere elementen en/of documenten zijn die de werkelijkheid van de zwarte leveringen bevestigen.

In dit verband merkt de appellant terecht op dat de vermeldingen op de listing niet worden ondersteund door betalingsbewijzen, noch door voor ontvangst ondertekende stukken en dat uit de verklaringen van de bestuurders en werknemers van de NV N. M. de appellant niet nominatim werd genoemd als zijnde effectief betrokken in het systeem van zwarte leveringen.

7. Door de appellant wordt nog aangevoerd dat een systematische bijkomende levering van 800 kg niet kon omdat de opslagcapaciteit van de silo slechts 3 ton bedroeg.

De geïntimeerde blijft erbij dat de zwarte levering werd opgesplitst (zie conclusies blz. 50) in 500 kg in bulk en 300 kg in zakken, zodat gelet op de geleverde hoeveelheden officiële bloem het mogelijk moet zijn geweest om 500 kg op te slaan.

Uit de opslagcapaciteit van de silo kunnen echter geen sluitende gegevens worden gehaald. Eerst en vooral bestaat er onenigheid tussen de partijen m.b.t. de opslagcapaciteit van de silo zelf. Vervolgens wordt uitgegaan van het gegeven dat pas tot vullen van de silo wordt overgegaan wanneer de voorraad geslonken is tot minder dan 500 kg. Ook deze hypothese van de "ijzeren voorraad" is een niet bewezen bewering. Tenslotte stelt het probleem zich alleen voor de maanden januari tot augustus 1985 alwaar er leveringen gebeurden variërend van 1.990 tot 2.120 kg, terwijl voor de navolgende perioden de officiële leveringen veel lager waren (zie bewijsstuk 3, blz.6).

8. De geïntimeerde meent nochtans een reeks aanwijzingen en elementen te hebben aangetroffen in de boekhouding van de appellant die het bestaan van leveringen in het zwart aantonen. Deze bijkomende gegevens vormen volgens de geïntimeerde gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens.

9. De administratie besluit tot de niet bewijskracht van de boekhouding omdat bij de leveringen onder de nummers 365/85 en 241/85 geen vervoerdocument meer kon worden aangetroffen en voor de factuur nr. 241/85 bovendien geen weegbon. Alhoewel deze tekortkomingen vaststaan zijn deze, gelet op de uitgestrektheid van de onderzochte periode en het groot aantal facturen, niet van aard de bewijskracht van de boekhouding op de helling te zetten.

10. Bij de factuur ingeschreven onder het nr. 219/84 van 25 mei 1984 werd bij de weegbon het cijfer van de honderdtallen overschreven met een nul zodanig dat de weegbon 2.080 kg aangaf. De geïntimeerde leidt daaruit af dat dit gebeurde om het officieel bedrag te laten overeenstemmen met de weegbon. Dit stuk ligt evenwel niet voor zodat het Hof zich niet kan uitspreken over de al dan niet leesbaarheid van het oorspronkelijk gewicht. Wel staat vast dat de factuur nr. 219/84 niet het voorwerp uitmaakt van huidige ambtelijke aanslag.

11. Uit het verschil tussen de factuur onder het nummer 569/86 en het vervoerdocument die 1.530 kg vermelden en de weegbon die slechts 1.130 kg vermeldt leidt de geïntimeerde het bestaan van het fraudemechanisme af. Evenwel wordt niet ingezien waarin de fraude kan bestaan. De factuur werd officieel ingeboekt voor 1.530 kg zodat de administratie niet kan voorhouden benadeeld te zijn.

12. Tijdens de huiszoeking bij de NV N. M. werd nog een op 17 november 1987 gedateerde weegbon aangetroffen met een gewicht van 2.090 kg betreffende een levering aan de appellant terwijl aan de appellant slechts 1.590 kg werd geleverd, zoals kon worden vastgesteld aan de hand van de factuur, de aangehechte weegbon en het vervoerdocument, waaruit de geïntimeerde afleidt dat die dag een levering van 500 kg in het zwart gebeurde (bewijsstukken 15, 16, 17).

Deze vaststelling op 17 november 1987 bewijst op zich niet dat deze levering van 2.090 kg ook effectief gebeurde. Alleen kan daaruit worden afgeleid dat zo een zwarte levering gebeurde het codesysteem niet systematisch werd toegepast. Noch de appellant, noch de bestuurders of werknemers van de NV N. M. werden specifiek daaromtrent ondervraagd. Zelfs zo dit vermoeden bewezen voorkomt dan nog is niet bewezen dat alle leveringen vóór 17 november 1987 gebeurden in omstandigheden zoals geschetst door de administratie.

Zoals hiervoor reeds uiteengezet is de vermelding op de voorgelegde listing ontoereikend om tot het besluit te komen dat de appellant bloem in het zwart heeft afgenomen in de hoeveelheden zoals voorgehouden door de administratie.

13. De appellant probeert ook nog aan te tonen dat uit de door de hem verbruikte hoeveelheden gist en zout moet worden besloten dat hij geen niet gefactureerde leveringen heeft ontvangen.

Op grond van een berekening gesteund op artikel 3, 2° van het K.B. van 2 september 1985 betreffende brood en bakkerijproducten besluit de appellant dat het gehalte keukenzout niet hoger mag zijn dan 2 % berekend op droge stof. Aan de hand van het totaal aantal kg aangekocht zout in de betwiste periode (3.500 kg) en rekening houdende met het totaal aantal kg verwerkte bloem (224.885 kg) komt de appellant tot een gemiddelde van 15,56 gram zout per kg verwerkte bloem. Wanneer daarbij de vermeende niet gefactureerde leveringen zouden worden bijgevoegd zou dit zoutgehalte verminderd worden tot 12 gram zout per kg verwerkte bloem, waardoor het zoutgehalte te laag zou zijn.

Deze berekening wordt door de geïntimeerde niet weerlegd.

14. Wat het gistverbruik betreft tijdens de periode 1985-1987 werd door de appellant 10.304 kg gist verbruikt, hetzij 4,5 kg gist per 100 kilogram verbruikte bloem. Dit hoger verbruik is volgens de appellant het gevolg van het gebruik maken van meer gist om de rijstijd te verkorten en teneinde ook de kwaliteit van het brood en het banket (fijnere smaak) te verbeteren. De appellant geeft toe dat hij meer gist verbruikt dan voorzien in het forfait. De geïntimeerde daarentegen meent dat volgens haar berekeningen het verbruik van gist uitwijst dat ook bloem in het zwart werd aangekocht. Daarbij wordt onder meer verwezen naar het verbruik van gist per kg bloem in het forfait. Bovendien is deze berekening gesteund op "inlichtingen" zonder dat de herkomst daaromtrent bekend. is.

Volgens de huidige wetgeving is het gebruik van gist niet wettelijk bepaald. Onder meer de verhouding naar bloem toe, de manier van werken, de temperatuur in de verschillende werkplaatsen, de wijze van bereiding alsook de rijssnelheid zijn elementen die het verbruik in min of meerdere mate beïnvloeden. Het feit dat de appellant belast werd in het forfait belet niet dat het hem toegelaten is meer gist te verbruiken zodat uit een eventueel hoger verbruik dan het forfait zekerheid kan worden besloten dat de appellant de door de administratie weerhouden hoeveelheden bloem in het zwart zou hebben aangekocht.

In dit verband moet nog worden vastgesteld dat de BTW­administratie weliswaar steunt op het forfait voor de berekening van het verbruik van zout en gist maar anderzijds het forfait niet toepast bij de herberekening van de verkopen op basis van de niet gefactureerde bloem zodat de BTW-administratie door het gerealiseerde zakencijfer te vermenigvuldigen met de verhouding tussen de vermeende niet gefactureerde bloem en de gefactureerde bloem er eigenlijk vanuit gaat dat ook de gist en het zout in het zwart werden aangekocht. Daaromtrent ligt niet het minste bewijs voor.

15. Uit voorgaande vaststellingen volgt dat de geïntimeerde in gebreke blijft aan te tonen dat voor de ganse gecontroleerde periode belastbare handelingen niet werden opgenomen in het voorgeschreven boek of stukken. Nu de geïntimeerde in gebreke blijft aan te tonen dat door de appellant bloem in het zwart werd aangekocht is het verzet tegen het dwangbevel gegrond met uitzondering van wat hierna volgt.

16. Wegens het niet bewaren van één vervoerdocument werd aan de appellant een niet proportionele boete opgelegd van … BEF (… EUR). Onder randnummer 9 werd aangenomen dat deze overtreding vaststond maar dat dit gegeven niet van aard was de bewijskracht van de boekhouding van de appellant aan te tasten. De aldus vastgestelde boete opgelegd op grond art. 70, § 4 BTW-Wet bij beslissing van 11 oktober 1989 blijft overeind en staat totaal los van de boete die door de administratie was vastgelegd overeenkomstig art. 70, § 1 BTW-Wet.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar dit de vordering ontvankelijk verklaart en waar het de opgelegde boete vastgesteld overeenkomstig art. 70, § 4 BTW-Wet handhaafd, en opnieuw wijzende :

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd door P. D. M., ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te 9230 Wetteren op 27 maart 1990, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. K., gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent op 30 maart 1990 gegrond behalve in zoverre een geldboete wordt opgelegd van … BEF (… EUR) op grond van artikel 70, § 4 BTW-Wet.

Vernietigt in die mate dit dwangbevel en veroordeelt de geïntimeerde tot terugbetaling aan de appellant van elke som uit hoofde van het vernietigde dwangbevel eventueel geïnd, ingevorderd of ingehouden, meer de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van de inning, invordering of inhouding.

Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen begroot als volgt :

- aan de zijde van de appellant :

* dagvaardingskosten eerste aanleg … EUR

* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

* verzoekschrift hoger beroep … EUR

* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

- - aan de zijde van de geïntimeerde :

* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in . burgerlijke zaken, op NEGENENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF.

Aanwezig :

Mevrouw N. v. I., Voorzitter,

De heren A. D. M. en G. T., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. G. T. A. D. M. N. v. I.

A.R. nr. 90/56125/A

In de zaak van :

J. A., banketbakker, ingeschreven in het handelsregister te Gent onder nummer …, wonende te … (…), …,

eiser,

verschijnende door mr. D. M. loco mr. A. V., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Wetteren, met kantoor te 9230 Wetteren, Gentsesteenweg 93,

verweerder,

verschijnende door mr. A. L. loco mr. J.-P. W., advocaat te …, …;

Décision jointe par le SPF

DE RECHTBANK VELT HET VOLGEND VONNIS :

Gehoord de partijen in hun middelen en conclusies;

Gezien de stukken die ter staving werden neergelegd;

Gelet op de gedinginleidende dagvaarding van 17 april 1990.

Gelet op het tussenvonnis d.d. 13 februari 2003.

Aanlegger is zelfstandig brood- en banketbakker te …, … en bevoorrade zich bij de NV N. M. van Gent en Brugge voor levering van bloem.

Bij de NV N. M. van Gent en Brugge werd op 18 november 1987 een huiszoeking verricht.

Tijdens de zoeking op 18 november 1987 werd een volledige klantenlijst gevonden, waarop o.m. naam en adres van eiser, met erbij een code vermeld.

Door de verantwoordelijken en werknemers van de NV N. M. werden bekentenissen afgelegd en verklaringen mbt de codes welke de leveringen van zwarte bloem behelsden n.a.v. elke officiële levering.

Aldus werd door de administratie een wedersamenstelling van de "zwarte" omzet in hoofde van eiser berekend.

Bij arrest van het Hof van Beroep te Brussel, recht doende in strafzaken op 22 november 1993 inzake de verantwoordelijken van de NV C. en de NV N. M. Gent en Brugge, werden de tenlaste gelegde feiten bewezen verklaard.

De administratie kan ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingsschuld alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen - behoudens de eed aanvoeren.

Een van de bewijsmiddelen is het bewijs door vermoedens, zowel wettelijke als feitelijke vermoedens.

Het gezag van gewijsde inzake het arrest van 22 november 1993 van het Hof van Beroep te Brussel impliceert dat het een zeker en vaststaand feit is dat er tussen de N. M. van Gent en Brugge NV en haar klanten een frauduleus zwart circuit bestond.

Het gezag van gewijsde van een strafrechtelijke uitspraak is verbonden aan hetgeen de rechter zeker en noodzakelijk heeft beslist omtrent het bestaan van de ten laste gelegde feiten.

De gegevens die werden geput uit het strafdossier en die als vertrekpunt voor de betwiste aanslagen hebben gediend maken een voldoende bewijskrachtig gegeven uit.

Door de administratie werd een geheel van elementen aangevoerd, welke gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen, welke van aard zijn een afdoend bewijs te leveren nopens de zwartleveringen.

Allereerst is eiser sedert jaren een regelmatig afnemer van bloem bij de NV N. M. van Gent en Brugge.

De gegevens nopens eiser komen uit de zwarte boekhouding van zijn leverancier en worden door de leverancier en diens personeel toegegeven.

De werking van het zwart circuit, de interpretaties van de op de klantenlistings aangebrachte codes worden heel precies door de leverancier verklaard, zodat aan de waarachtigheid van de verklaringen niet kan worden getwijfeld; de leverancier had er geen enkel belang bij de klanten valselijk te beschuldigen - de leverancier heeft klaarblijkelijk zijn fiscale toestand geregulariseerd, het aantal leveringen op de klantenlistings stemt overeen met het aantal door de leverancier in werkelijkheid gefactureerde leveringen, en op bepaalde vervoerdocumenten worden bezwarende gegevens omtrent de hoeveelheid aangekochte bloem aangebracht op weegbon en/of vervoerdocumenten ontbreken.

Al deze elementen vormen het geheel van bepaalde, gewichtige en overeenstemmende feitelijke vermoedens, gesteund op elementen die rechtsgeldig in het bezit kwamen van de administratie.

De door aanlegger aangevoerde grieven zijn derhalve ongegrond en de betwiste aanslagen werden niet willekeurig gevestigd.

Daarenboven blijkt dat de eiser over een silo beschikte met een capaciteit van drie ton, zodat er voldoende capaciteit was om zwartleveringen te ontvangen.

Benevens dit werden een aantal onregelmatigheden in eisers boekhouding vastgesteld, welke zwartleveringen plausibel maken.

De berekeningen welke eiser uitvoert omtrent gist- en zoutverbruik, zijn niet afdoende om aan te tonen dat er geen zwartleveringen gebeurden met bloem.

Eiser levert geen bewijs dat de ambtelijke aanslag zou overdreven zijn. De ambtelijke aanslag keert immers de bewijslast om.

Beveelt teruggave van alle bedragen welke zouden zijn geïnd boven het hierboven gestelde, verhoogd met moratoire intresten sedert datum van betaling.

Zeggen dat elke partij zijn eigen kosten dien te dragen.

Verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van VRIJDAG ZESENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN VIER van de negende kamer, zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg, zetelend te Dendermonde.

Aanwezig :

Mevrouw M. D. P., rechter, voorzitter van de negende kamer;

Mevrouw C. V. d. B., adjunct-griffier.

C. V. d. B. M. D. P.

Textes cités

1
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8