Taux TVA de 6%, immeuble bâti · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 21/258/A 31 janvier 2022

Rechercher
Texte en néerlandais

Taux TVA de 6%, immeuble bâti

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-tva-immeuble-bati-exemption-tribunal-bruges-2022-01-31-b736

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Numéro de rôle
21/258/A
Date
31 janvier 2022

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

92 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement Tribunal de première instance Bruges du 31.01.2022 (21/258/A)

Finaliti 54296572/01 WF 708-15-21/014812

Consulter également : Arrêt de la Cour de cassation du 22.01.2026 : F.24.0044.N

Consulter également : Arrêt de la cour d’appel : 2022/AR/421

Taxe sur la valeur ajoutée – Taux – Taux réduit de 6 % - Livraison de bâtiments – Exonération de TVA – Services et livraisons de biens étroitement liés à l’enseignement

Résumé

1. Faits et antécédents de procédure

L'administration d'une ville de Flandre occidentale a construit une nouvelle garderie extrascolaire à un endroit où il n'y a pas d'infrastructure scolaire proprement dite. Elle exploite elle-même cette garderie au profit des élèves de toutes les écoles maternelles et primaires de la ville et assure également le transport en bus. Les factures pour les travaux immobiliers ont été établies avec report de taxe. L'administration a appliqué le taux réduit de TVA de 6 % sur la base de la rubrique XL, 1° du tableau A de l'arrêté royal n° 20. Après un contrôle fiscal, l'administration a estimé que ce taux réduit avait été appliqué à tort et a dressé un procès-verbal de régularisation. Les autorités communales ont alors introduit une demande auprès du tribunal de première instance de Flandre occidentale, section Bruges.

Le premier juge a suivi le point de vue de l'administration et a estimé que le bâtiment ne répondait pas aux conditions de la rubrique XL, 1° du tableau A de l'annexe à l'arrêté royal n° 20. Les autorités communales ont interjeté appel contre ce jugement. En appel, la demande des autorités communales a toutefois été déclarée fondée. La cour d'appel a notamment estimé que la garderie extrascolaire organisée par l'administration communale dans le bâtiment litigieux pour les écoliers était étroitement liée aux prestations d'enseignement exonérées en vertu de l'article 44, § 2, 4°, a) du Code de la TVA. Par conséquent, le taux réduit de TVA de 6 % a été appliqué à juste titre. L'administration fiscale a introduit un pourvoi en cassation contre cet arrêt.

2. L’arrêt de la Cour de cassation

Moyen unique

Selon la requérante en cassation, le juge d'appel n'a pas légalement statué que la défenderesse avait appliqué à juste titre le taux réduit de TVA de 6 % sur la base de la rubrique XL du tableau A de l'annexe à l'arrêté royal n° 20.

Dans la première branche, la requérante en cassation fait valoir que le taux réduit de TVA de 6 % n'est pas applicable, car les services de garderies extrascolaires d’enfants proposés par la défenderesse ne sont pas « étroitement liés » au service d'enseignement exonéré au sens de l'article 44, § 2, 4°, a) du Code de la TVA. L'organisation de la garde extrascolaire d'enfants n'est pas nécessaire à la prestation des services d'enseignement exonérés en vertu de l'article 44, § 2, 4°, a) du Code de la TVA.

Dans la deuxième branche, la requérante en cassation fait valoir que la défenderesse ne peut être considérée comme une institution ou une organisation au sens de l'article 44, § 2, 4°, a) du Code de la TVA.

Enfin, la requérante en cassation fait valoir que le bien immobilier litigieux a été construit à un endroit où il n'y a pas d'école et où, par conséquent, aucune activité d'enseignement n'est exercée. Étant donné que le bâtiment n'est pas fonctionnellement lié à un établissement scolaire, il ne peut, selon la requérante en cassation, être question d'un service « étroitement lié » au service de l'enseignement.

En ce qui concerne la première branche, la Cour de cassation a estimé que le juge d'appel avait justifié sa décision en droit. Le juge d'appel a estimé que le service de garderie extrascolaire d'enfants proposé par la défenderesse était étroitement lié au service d'enseignement proposé aux écoliers et que la défenderesse pouvait donc à juste titre prétendre au taux réduit de TVA.

En ce qui concerne la deuxième branche, la Cour de cassation estime que la défenderesse, qui organise une garderie extrascolaire centrale pour tous les écoliers, doit être considérée comme une organisation au sens de l'article 44, § 2, 4°, a) du Code de la TVA.

En ce qui concerne la troisième branche, la Cour de cassation estime qu'il ne ressort ni des dispositions légales, ni de la jurisprudence de la Cour de justice mentionnée au considérant 4, qu'un service ou une livraison doit avoir lieu au même endroit que l'activité principale pour pouvoir être considéré comme « étroitement lié » au sens de l'article 132, paragraphe 1, i) de la directive 2006/112 et de l'article 44, §2, 4°, a) du Code de la TVA.

Le pourvoi en cassation a été rejeté.

Texte intégral

Uniquement disponible dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen

Afdeling Brugge

Sectie burgerlijke rechtbank

Vonnis

Tiende kamer

31/01/2022

21/258/A

In de zaak: 21/258/A

STAD V. (KBO: …), vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met burelen te …; …, …

eisende partij,

voor wie optreedt meester DEFOOR WIM, advocaat te 1000 BRUSSEL, Verenigingstraat 57/59 (ref.:

w.defoor@dsvlaw.be),

tegen :

de BELGISCHE STAAT — FOD FINANCIËN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum KMO te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verwerende partij,

voor wie optreedt de heer S.D., attaché met kantoor te …,…1, (ref.: …).

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 2 februari 2021.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

De zaak werd met akkoord van partijen zonder pleidooien in beraad genomen op de zitting van 3 januari 2022.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige met BTW-registratienummer BE…, voor de activiteit van gemeentelijke overheid. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Eiseres heeft in de periode 2017-2018 een gebouw laten oprichten dat bestemd is voor de buitenschoolse opvang van kinderen die onderwijs volgen in de onderwijsinstellingen gelegen in …. Eiseres staat in voor de organisatie van de kinderopvang. De facturen betreffende de bouw van de lokalen zijn opgemaakt met toepassing van verlegging van heffing. Eiseres heeft de facturen ingeboekt met toepassing van 21% BTW. Er werd geen recht van aftrek toegepast. Nadien heeft eiseres een correctie toegepast omdat zij van mening is dat het tarief op de bouw van de lokalen voor buitenschoolse kinderopvang 6% bedraagt. De administratie is van mening dat het tarief 21% bedraagt.

Door de administratie werd een proces-verbaal opgesteld op 25 juni 2020. Volgens het proces-verbaal is eiseres verschuldigd als BTW 148.428,17 EUR en als proportionele geldboete 14.840 EUR. De schuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister BTW op 10 augustus 2020 en het register werd uitvoerbaar verklaard op 11 augustus 2020.

Op 2 februari 2021 heeft eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie.

2. Eiseres vraagt dat:

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- de schuld zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister wordt vernietigd en/of ontheven;

- ondergeschikt de administratieve geldboete van 10% wordt vernietigd en/of ontheven; verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eiseres van alle bedragen die reeds zouden zijn betaald of ingehouden ter delging van de beweerde schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsintresten vanaf de dag van betaling te kapitaliseren overeenkomstig artikel 1154 BW;

- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 6.500,00 EUR en de bijdrage Fonds Juridische Tweedelijnsbijstand t.b.v. 20 EUR.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond van de zaak

1. BTW-tarief

De betwisting betreft het toepasselijk tarief (6 of 21 %) op bouw van de lokalen bestemd voor buitenschoolse kinderopvang gelegen te …, …; …

Conform artikel 1, eerste lid KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, bedraagt het normale tarief 21 %. Het verlaagde tarief van 6 % is van toepassing voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage.

Conform tabel A, rubriek XL van de bijlage bij het vermelde KB nr. 20 worden de leveringen van gebouwen, bestemd voor het school- of universitair onderwijs dat op grond van artikel 44 §2, 4°, a) WBTW is vrijgesteld, als ook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44 §3, 1° WBTW van de belasting zijn vrijgesteld, onderworpen aan het tarief van 6 %.

Conform artikel 44 §2, 4° a) WBTW zijn vrijgesteld van belasting het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van het verrichten van nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgesteld onderwijs gebruikt didactisch materiaal, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichamen met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van voornoemde diensten.

In de circulaire 2018/C/6 d.d. 18 januari 2018 m.b.t. het toepassingsgebied van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 is opgenomen dat wanneer een gemeente het gebouw niet ter beschikking stelt maar zelf de buitenschoolse opvang organiseert voor zowel het gemeentelijk onderwijs, het gemeenschapsonderwijs als het vrij onderwijs in de buurt, de schilderwerken aan de lokalen van dat gebouw niet in aanmerking komen voor het verlaagd BTW-tarief. Dit geldt ook in geval een andere derde instaat voor de buitenschoolse opvang of in geval de buitenschoolse opvang enkel bestemd is voor leerlingen van het gemeentelijk onderwijs. Het gebouw wordt wel beoogd door rubriek XL wanneer het gebouw tijdens de normale schooluren exclusief wordt gebruikt door de onderwijsinstelling, doch buiten de normale schooluren wordt ter beschikking gesteld voor de buitenschoolse kinderopvang (randnummer 27).

De circulaire van 18 januari 2018 vervangt de beslissing BTW nr. E.T. 129.073 van 27 januari 2016 waarin was opgenomen dat onder schoolgebouw wordt verstaan de gebouwen die hoofdzakelijk worden gebruikt door een onderwijsinstelling die ze heeft opgericht, aangekocht of gehuurd voor het verstrekken van vrijgesteld onderricht op basis van artikel 44 §2, 40, a° WBTW. Het schoolgebouw kan bestaan uit meerdere delen van gebouwen of zelfs meerdere afzonderlijke gebouwen, die functioneel een geheel vormen. Niet alleen de lokalen bestemd voor het eigenlijk onderricht zijn bedoeld, doch ook al de andere plaatsen die worden gebruikt door studenten (refters, lees- en recreatiezalen, studiezalen, bibliotheken, gebedsruimte, buitenschoolse kinderopvang, enz.), alsmede lokalen bestemd voor personeel, de technische lokalen, de administratieve lokalen, de lokalen die gebruikt worden door de CLB's en de zogenaamde mini-ondernemingen of leerbedrijven. Worden niet aangemerkt als schoolgebouw de gebouwen voor buitenschoolse kinderopvang die niet functioneel verbonden zijn aan een onderwijsinstelling.

Het is duidelijk dat voormelde circulaire en beslissing geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben geen bindend karakter.

Uit de wettekst blijkt ontegensprekelijk dat om in aanmerking te komen voor het BTW-tarief van 6% het gebouw moet bestemd zijn voor het school- of universitair onderwijs, met inbegrip van een gebouw gebruikt voor nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen van goederen.

Het betreffende gebouw is niet gelegen in een schoolsite met gebouwen bestemd voor het school- of universitair onderwijs. Het betreft daarentegen een apart gebouw waarin eiseres buitenschoolse opvang organiseert voor kinderen van scholen in de buurt. Het gebouw is niet verbonden aan een bepaalde onderwijsinstelling. Het gebouw is niet functioneel (Van Daele Woordenboek: betrekking hebbend op, behorend tot) verbonden aan een onderwijsinstelling. Het gebouw vormt op geen enkele manier een geheel met een gebouw dat bestemd is voor school- of universitair onderwijs. De dienstverlening (buitenschoolse kinderopvang) door eiseres in een gebouw dat geen geheel vormt met een gebouw voor het school- of universitair onderwijs, is ook geen nauw samenhangende dienst in de zin van artikel 44 §2, 4°, a) WBTW.

De rechtbank is van oordeel dat het gebouw van eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20. Het betreft namelijk geen gebouw dat bestemd is voor het school-of universitair onderwijs dat op grond van artikel 44 §2, 4°, a) WBTW is vrijgesteld.

Het feit dat een gebouw gelegen op een schoolsite en dat tijdens de normale schooluren gebruikt wordt voor vrijgesteld onderwijs en daarbuiten voor buitenschoolse opvang, wel in aanmerking komt voor het verlaagd BTW-tarief, schendt kennelijk niet het gelijkheidsbeginsel gezien het niet dezelfde situatie betreft als het gebouw van eiseres.

2. Geldboete

Een administratieve boete van 10 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Eiseres heeft een verkeerd BTW-tarief toegepast. Het betreft geen princiepskwestie gezien tabel A, rubriek XL van de bijlage bij het vermelde KB nr. 20 en artikel 44 §2, 4° a) WBTW duidelijk is.

De door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van een boete van 10 % is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de zware inbreuk.

De rechtbank ziet geen enkele reden om de geldboete kwijt te schelden.

Eiseres vraagt een geldboete met uitstel. Zelfs indien de rechtbank in de mogelijkheid zou zijn om dit uitstel te verlenen, geeft eiseres geen enkele reden om een uitstel te verlenen. Een uitstel van de geldboete zou in de huidige stand van de wetgeving trouwens een volledige kwijtschelding van de geldboete betekenen, waardoor het doel van het uitstel niet wordt bereikt.

Indien de rechtbank al bevoegd zou zijn om een betalingsfaciliteit toe te staan, ziet de rechtbank geen enkele reden om dit toe te staan.

De geldboete werd afdoende gemotiveerd in het proces-verbaal d.d. 25 juni 2020. Onder 'Fiscale gevolgen', b) in het proces-verbaal is wel vermeld dat de geldboete 115.009,18 EUR bedraagt of honderdvijftien duizend euro, maar het is duidelijk dat dit een materiële vergissing (schrijffout) betreft. Verder in het proces-verbaal is duidelijk vermeld dat de geldboete 14.840,00 EUR bedraagt en er wordt ook verwezen naar het feit dat de dubbele geldboete (296.856,34 EUR) wordt verminderd overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, van de bijlage bij KB nr. 41. Het correcte bedrag van de geldboete is ook vermeld op het innings- en invorderingsbericht.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,1° lid GerW de gerechtskosten dragen.

Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat, zodat hij geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.


Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-

Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op MAANDAG EENENDERTIG JANUARI

TWEEDUIZEND TWEEËNTWINTIG waar zitting hadden:

Lucienne DE PEUTER, rechter;

Nathalie LHOEST, griffier.

Textes cités

3

Jurisprudence

2

Belgique

2

Cour de cassationF.24.0044.N22.01.2026

Taux réduit de TVA à 6 %

Cour d'appel de Gand2022/AR/42110.10.2023

Taux TVA de 6%, immeuble bâti

Voir les 2 documents

Décisions similaires

8