Régime forfaitaire des coiffeurs, Détermination forfaitaire du chiffre d’affaires · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 7 janvier 2014

Rechercher
Texte en néerlandais

Régime forfaitaire des coiffeurs, Détermination forfaitaire du chiffre d’affaires

https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-forfaitaire-coiffeurs-determination-chiffre-cour-appel-anvers-2014-01-07-5722

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
7 janvier 2014

Parcours procédural

2 étapes · 2 ans 2 mois
  1. Décision attaquéeTribunal de première instance d'Anvers19.10.2011
  2. Décision affichéeCour d'appel d'Anvers07.01.2014

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

164 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel d’Anvers du 07.01.2014

WF 019-15-10/000324

[Favorable à l’administration]

Taxe sur la valeur ajoutée – Régime forfaitaire des coiffeurs – Détermination forfaitaire du chiffre d’affaires – Prestation de coiffure type – Principe de bonne administration – Principe de légitime confiance

Dispositions légales

Article 56, § 1er, du Code de la TVA

Arrêté royal n° 2 relatif à l'établissement de bases forfaitaires de taxation à la taxe sur la valeur ajoutée

Arrêté royal du 10 octobre 2003 modifiant l'arrêté royal du 2 mars 1992 relatif à l'indication des prix des services de coiffure

Résumé

L’assujetti exploite un salon de coiffure et, dès le début de son activité, a opté pour le régime forfaitaire des coiffeuses. Lors d’un contrôle opéré par l’administration fiscale visant les années 2006 et 2007, des irrégularités ont été constatées. Elles concernent le chiffre d’affaires déclaré qui a été déterminé en se référant aux bases forfaitaires de taxation du régime forfaitaire coiffeurs et coiffeuses en matière de TVA pour lequel l’assujetti avait opté. La coiffeuse considère que l’administration a violé le principe de confiance légitime. Elle soutient que les différentes vérifications de ses déclarations ont fait naitre une confiance légitime lui permettant de croire qu’elle s’acquittait correctement de ses obligations et que la manière dont elle complétait la feuille de calcul en se basant sur sa propre liste de prix était correcte. Toutefois, Il ne ressort d’aucun élément que l’administration aurait marqué son accord sur la façon de procéder de l’assujetti.

Le chiffre d’affaires forfaitaire est basé sur des prestations de coiffure types. La détermination correcte ou non des prestations types a pu être constatée suite à un contrôle s’appuyant sur la liste des prix pratiqués par l’assujetti.

La coiffeuse soutient que des prestations de coiffure type ont été ajoutées afin d’établir une comparaison et que cette pratique est arbitraire et n’est précisée nulle part dans le forfait. Elle prétend également que l’administration s’est basée sur une ancienne liste de prix datant de 2003.

Selon la cour, lorsqu’un contrôle a lieu et qu’il est demandé de présenter les livres requis, les pièces et les documents des années 2006 et 2007, l’assujetti concerné doit au minimum être conscient qu’il doit fournir les listes correctes des prix pratiqués lors des années 2006 et 2007, d’autant plus qu’en l’espèce le comptable, que la coiffeuse a elle-même mandaté, était présent lors du contrôle et qu’il a fourni les livres, les pièces et les documents demandés. Il est donc indéniable que l’administration pouvait en déduire qu’il s’agissait des listes correctes des prix pour les années 2006 et 2007. L’administration s’est à juste titre basée sur les listes de prix reprises en annexe du procès-verbal du 15 décembre 2009 pour le calcul du forfait.

Contrairement à ce que soutient l’assujetti, les listes de prix ne sont pas conformes à l’arrêté royal du 10 octobre 2003 alors que c’est essentiel pour le juste calcul des recettes. Ces listes de prix n’usent pas d’une terminologie tout à fait identique à celle reprise dans l’arrêté royal susmentionné auquel le forfait se conforme. Cela vaut d’autant plus qu’en l’espèce c’est la coiffeuse elle-même qui n’a pas utilisé, dans les listes de prix jointes au procès-verbal, la terminologie telle que prévue dans le forfait et déterminée dans l’arrêté royal du 10 octobre 2003. Elle doit, dès lors, en supporter les conséquences.

Le premier juge a dès lors décidé à raison que, en se basant sur les listes de prix transmises par le comptable mandaté et compte tenu du fait que ces listes n’ont pas été établies conformément à l’arrêté royal du 10 octobre 2003, l’administration a correctement calculé les prestations de coiffure types et les recettes.

Aussi, il n’est pas question ni d’ajout de services de coiffure types ni d’arbitraire.

En conséquence, les chiffres d’affaires des années 2006 et 2007 ont été correctement recalculés conformément au régime forfaitaire applicable en l’espèce. L’appel formé par l’assujetti est non fondé.

Texte de l’arrêt

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite

Corps de la décision

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 07.01.2014

Rol: 2012/AR/3492

D.P. I., wonende te … (…), … eiseres in hoger beroep.

Vertegenwoordigd door Mr. B. M.-J., advocaat te …, …

Tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 19 oktober 2011.

Tegen

DE BELGISCHE STAAT, Administratie BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Gewestelijk Directeur der BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige van het 2de BTW Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te …., …

verweerder in hoger beroep,

vertegenwoordigd door Mr. D. A., advocaat te …, …

Gelet op de door de vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het betreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 19 oktober 2011, betekend op 29.11.2012 aan D. I., zaakvoerster, handeldrijvende onder de benaming “Kapsalon I.” op verzoek van de Belgische Staat, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 21 december 2012, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.Voorwerp van de betwisting.

De betwisting heeft betrekking op het dwangbevel met RCIV-nr. …, uitgevaardigd op 17.12.2009 door R. D. V., rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 2 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17.12.2009 door de heer L. G., Gewestelijk directeur a.i. van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te …

1.2. Feiten en voorgaande.

Eiseres in hoger beroep is voor de BTW geregistreerd onder nummer BE… voor de uitbating van een kapsalon.

Op 24.02.2009 werd er een nazicht uitgevoerd teneinde de juiste toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde te controleren voor de periode van 01.01.2006 tot 31.12.2007.

Eiseres in hoger beroep baat een gemengd kapsalon uit (heren en dames). Zij heeft van bij de aanvang van haar werkzaamheid geopteerd voor de forfaitaire regeling “haarkappers” (art. 56, § 1 WBTW).

Er werden door de belastingadministratie onregelmatigheden vastgesteld in verband met de aangegeven omzet op basis van de forfaitaire regeling inzake BTW voor heren- en dameskappers waarvoor eiseres in hoger beroep zelf opteerde.

Van deze vaststellingen werd op 15.12.2009 proces-verbaal opgesteld.

Het dwangbevel werd samen met het proces-verbaal van 15.12.2009 aan eiseres in hoger beroep betekend op 23.12.2009 via gerechtsdeurwaardersexploot met bevel tot betaling.

In voormeld dwangbevel wordt van eiseres in hoger beroep gevorderd :

- BTW : … euro

- Boete (art. 70, § 1 WBTW) : … euro

meer interesten en kosten

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 22.01.2010 tekende eiseres in hoger beroep verzet aan tegen voormeld dwangbevel.

Eiseres in hoger beroep vorderde :

- het verzoek toelaatbaar te verklaren en gegrond;

- eiseres in hoger beroep akte te verlenen dat zij huidig fiscaal geschil met de BTW Administratie aangaande de jaren 2006 en 2007 aan de rechtbank van eerste aanleg wenst voor te leggen.

- dienvolgens voor recht te zetten dat het dwangbevel RCIV … uitgevaardigd door de rekenplichtige van het BTW ontvangkantoor te Antwerpen 2 D. V. R., in datum van 17.12.2009, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17.12.2009 door G. L. Gewestelijk a.i. Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector BTW te Antwerpen en het proces-verbaal opgesteld te Antwerpen op 15.12.2009 door D. L., verbonden aan het controlekantoor van de BTW te Antwerpen 3 ten onrechte gevestigd werden;

- dienvolgens voormeld proces-verbaal en dwangbevel te vernietigen, eiseres in hoger beroep te ontslaan van de ten onrechte gevestigde belastingen, en in voorkomend geval de terugbetaling te bevelen van de eventueel door eiseres in hoger beroep reeds gedane betalingen en/of door verweerder in hoger beroep ten onrechte ingehouden bedragen;

- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de wettelijke rechtsplegingsvergoeding.

Het bestreden vonnis verklaarde de vordering doch ongegrond en wees deze af. De eerste rechter veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, door verweerder begroot en door de rechtbank vereffend op … euro rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter oordeelde dat er geen sprake was van een schending van het vertrouwensbeginsel. Verder oordeelde de eerste rechter dat op basis van de door de gevolmachtigde boekhouder van eiseres voorgelegde prijslijst en rekening houdend met het feit dat deze prijslijst niet werd gemaakt conform KB van 10.10.2003 de administratie de typediensten en ontvangsten ongetwijfeld correct had berekend.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 21.12.2012, hoger beroep ingesteld.

1.4. Procedure van het hof van beroep.

Eiseres in hoger beroep vordert :

- het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk te verklaren en gegrond;

- dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw recht doende;

- voor recht te zeggen dat het dwangbevel RCIV … uitgevaardigd door de rekenplichtige van het BTW ontvangkantoor te Antwerpen 2 D. V. R. in datum van 17.12.2009, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17.12.2009 door G. L. Gewestelijk a.i. Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector BTW te Antwerpen en het proces-verbaal opgesteld te Antwerpen op 15.12.2009 door D. L., verbonden aan het controlekantoor van de BTW te Antwerpen 3 ten onrechte gevestigd werden;

- dienvolgens voormeld proces-verbaal en dwangbevel te vernietigen, eiseres in hoger beroep te ontslaan van de ten onrechte gevestigde belastingen, en in voorkomend geval de terugbetaling te bevelen van de eventueel door eiseres in hoger beroep reeds gedane betalingen en/of door verweerder in hoger beroep ten onrechte ingehouden bedragen;

- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de wettelijke rechtsplegingsvergoeding, begroot op … euro eerste aanleg en … euro hoger beroep.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep. Verweerder in hoger beroep vraagt eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op … euro eerste aanleg en … euro hoger beroep.

2. Bespreking

1. Het forfait voor kappers/bepaling typedienst

Eiseres in hoger beroep stelt dat de belastingadministratie het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden heeft en meer bepaald het vertrouwensbeginsel. Eiseres in hoger beroep houdt voor dat gedurende 17 jaar minstens diverse controles op de aangiftes van eiseres in hoger beroep het rechtmatig vertrouwen gewekt hebben dat zij haar verplichtingen correct nakwam en dat de manier waarop zij de berekeningsbladen van de forfait kappers invulde aan de hand van haar prijslijst correct was.

Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur sluit het recht op rechtszekerheid in. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd.

De verwachtingen van de burger mogen evenwel niet gegrond zijn op een onwettige praktijk (vgl Cass. AR F.11.0150.N, 15 februari 2013 (BK vzw/Belgische Staat) AFT 2013, afl. 6-7, 65 en http://www.monkey.be/ (20 juni 2013), concl. THIJS, D., noot POPELIER P.).

Eiseres in hoger beroep beroept zich ten onrechte op het vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel veronderstelt een vaste gedragsregel

Eiseres in hoger beroep beroept zich ten onrechte op het vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel veronderstelt een vaste gedragsregel van de fiscale administratie, hetgeen in principe het verstrijken van een zekere tijd en het ondergaan van een aantal controles veronderstelt.

Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat haar berekening bij controles in het verleden door verweerder in hoger beroep werd aanvaard. Uit niets blijkt dat de administratie zich akkoord zou hebben verklaard met de werkwijze van eiseres in hoger beroep. De al of niet correcte bepaling van de typedienst kan immers pas aan het licht komen na controle aan de hand van de prijslijsten van eiseres in hoger beroep.

In voormelde omstandigheden kan uit de loutere passiviteit van het bestuur geen gewettigd vertrouwen gehaald worden.

Bijgevolg kon er bij de belastingplichtige geen gewettigd vertrouwen worden gewekt dat de door haar gehanteerde werkwijze correct was.

De belastingplichtige die kiest voor het forfait moet in dit zijn geheel accepteren en kan in principe er niet van afwijken behalve indien of in de mate dat dit in het forfait zelf voorzien is. Het forfait geldt als wet tussen partijen.

Het forfait systeem is een optioneel systeem. Van zodra hij aan de in de wet gestelde voorwaarden voldoet, kan de belastingplichtige opteren voor de toepasselijke forfaitaire regeling.

Artikel 56 § 1 WBTW geeft uitvoering aan artikel 24 lid 1 van de zesde BTW-richtlijn.

De wettelijke bepaling terzake, artikel 56 WBTW, staat vermeld onder de hoofding “bijzondere regelingen” en steunt op artikelen uit de Zesde Richtlijn.

Artikel 24, lid 1, Zesde Richtlijn bepaalt terzake :

“Lidstaten die moeilijkheden zouden ondervinden bij het toepassen van de normale belastingregeling op kleine ondernemingen in verband met de activiteit of de structuur van die ondernemingen kunnen binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zij vaststellen – maar onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging – vereenvoudigde regelingen voor belastingheffing en inning, zoals forfaitaire regelingen, toepassen, zonder dat dit mag leiden tot vermindering van de belasting”.

Artikel 56, § 1, WBTW :

“Ten aanzien van door Hem te omschrijven kleine ondernemingen regelt de Koning de wijze waarop de Administratie, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag vaststelt, wanneer zulks mogelijk is”.

De verdere uitwerking gebeurde dan in K.B. nr. 2 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag.

In uitvoering van artikel 56 § 1 WBTW kan de belastingadministratie bij toepassing van het KB nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde per bedrijfssector algemene forfaits vaststellen.

Te dezen dient het forfait van haarkappers zoals van toepassing voor de jaren 2006 en 2007 te worden toegepast.

Te dezen wordt ook niet betwist dat eiseres in hoger beroep sedert de aanvang van haar werkzaamheid had geopteerd voor de forfaitaire regeling haarkappers. Eiseres in hoger beroep baat een gemengd kapsalon uit.

De belastingplichtige die kiest voor het forfait moet dit dus in zijn geheel accepteren en kan in principe er niet van afwijken behalve indien of in de mate dat dit in het forfait zelf voorzien is. Het forfait geldt als wet tussen partijen. De belastingplichtige is niet gerechtigd alleen de voor hem gunstige elementen uit het forfait in aanmerking te nemen en de andere te verwerpen.

Belastingplichtigen die in hun aangifte voor de toepassing van een akkoord opteren, drukken door dit feit zelf, hun wil uit in te stemmen met de gezamenlijke toepassingsregelen van de in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen vastgestelde grondslagen van aanslag.

De toepassing van de akkoorden is met andere woorden ondeelbaar. Belastingplichtigen die op basis van het akkoord wensen belast te worden, moeten de daarin overeengekomen berekeningswijze voor het geheel aanvaarden (vgl. VANDEBERGH, H. en TREUNEN, K. “Het forfait : toepassing inzake BTW en inkomstenbelasting”, T.F.R. 254, 15 januari 2004, 51).

Eiseres in hoger beroep stelt dat er bijkomende typediensten worden bijgevoegd om de vergelijking te maken hetgeen willekeurig is en nergens in het forfait wordt bepaald. Verder houdt zij voor dat de belastingadministratie zich gebaseerd heeft op oude prijslijsten van 2003.

Samen met de eerste rechter is het hof van oordeel dat aangezien eiseres in hoger beroep geopteerd heeft voor de forfaitaire regeling inzake BTW voor haarkappers, zij deze regeling dan ook correct dient toe te passen en alle gevolgen dient te dragen van deze vrije keuze.

Wanneer een BTW-controle plaatsvindt en gevraagd wordt alle vereiste boeken, stukken en bescheiden voor te leggen voor de periode van 01.01.2006 tot 31.12.2007 dan dient eiseres in hoger beroep of haar gevolmachtigde boekhouder vanzelfsprekend de juiste prijslijsten voor de jaren 2006 en 2007 voor te leggen.

Bovendien dient eiseres in hoger beroep haar prijslijsten op te maken conform KB 10 oktober 2003 tot wijziging van het KB van 02.03.1992 betreffende de prijsaanduiding van kappersdiensten.

Na de BTW-controle beweerde eiseres in hoger beroep dat de administratie de prijslijsten voor de jaren 2006 en 2007 niet heeft opgevraagd en dat de administratie zich bij de berekening van de ontvangsten heeft gebaseerd op oude prijslijsten.

Deze bewering van eiseres in hoger beroep is totaal ongeloofwaardig en bovendien in strijd met het proces-verbaal van 15 december 2009 waarin uitdrukkelijk werd vermeld dat gevraagd werd “inzage te verlenen van de volledige boekhouding en al de boeken, stukken en bescheiden waarvan het houden, opmaken, ontvangen, uitreiken, bewaren en voorleggen voorgeschreven is door de wetgeving en reglementering inzake de belasting op de toegevoegde waarde, en die betrekking hebben op de handels- en/of beroepswerkzaamheden door de belastingplichtige uitgeoefend tijdens de periode van 01/01/2006 tot 31/12/2007” en dat “aan de hand van boeken, stukken en bescheiden welke mij ter inzage werden voorgelegd, heb ik volgende vaststellingen gedaan.”

Wanneer zoals te dezen geopteerd wordt voor de regeling inzake de BTW voor haarkappers zijn de prijslijsten, die opgemaakt dienen te worden conform voornoemd KB van 10 oktober 2003, essentieel voor de berekening van de ontvangsten.

Wanneer alsdan een BTW-controle plaatsvindt en gevraagd wordt alle vereiste boeken, stukken en bescheiden voor te leggen voor de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2007, dan weet de belastingplichtige, minstens dient hij te weten, dat hij de prijslijsten en de juiste prijslijsten voor de jaren 2006 en 2007 dient voor te leggen, te meer nu de gevolmachtigde boekhouder van eiseres in hoger beroep zich voor de controle heeft aangeboden en hij de gevraagde boeken, stukken en bescheiden heeft voorgelegd.

Hieruit volgt ontegensprekelijk dat de administratie zich voor de berekening van de ontvangsten heeft gebaseerd op de door de gevolmachtigde boekhouder van eiseres in hoger beroep voorgelegde prijslijst en dat de belastingadministratie er terecht van mocht uitgaan dat dit de prijslijst was voor de jaren 2006 en 2007.

De latere beweringen van eiseres in hoger beroep, dat de prijslijsten voor de jaren 2006 en 2007 niet werden opgevraagd en dat door de administratie een oude prijslijst werd gebruikt, worden door geen enkel objectief element bevestigd en zijn bovendien totaal ongeloofwaardig en in strijd met voornoemd proces-verbaal van 15.12.2009.

Het nadien in huidige procedure nog bijbrengen van andere prijslijsten doet geen afbreuk aan voorgaande en toont geenszins aan dat deze prijslijsten in de jaren 2006 en 2007 ook effectief door eiseres in hoger beroep gebruikt werden.

De belastingadministratie heeft zich dan ook terecht gebaseerd op de prijslijsten bij het proces-verbaal dd. 15.12.2009 voor de berekening van het forfait. In tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep beweert zijn deze prijslijsten niet conform aan het KB van 10.10.2003. Deze prijslijsten gebruiken niet volledig dezelfde terminologie als voormeld KB waaraan ook het forfait is aangepast.

De forfaitaire regeling inzake BTW voor de herenkappers, dameskappers, heren- en dameskappers voor het jaar 2006 en 2007 bepaalt :

“A. Prestaties geleverd in het kapsalon.

Forfaitaire vaststelling van de ontvangsten van de patroon.

3.De ontvangsten van de patroon zijn deze voortkomende van de prestaties, verricht in het kader van zijn gewone beroepswerkzaamheid, door de belastingplichtige kapper of kapster, uitbater van een kapsalon voor “Heren” of een kapsalon voor “Dames”.

In alle kwartaalaangiften, worden de ontvangsten van de patroon forfaitair vastgesteld door de prijs van de type-dienst, vastgesteld overeenkomstig de regels uiteengezet onder nr. 4, te vermenigvuldigen met :

- 1140 voor de salons “Heren”;

- 534 voor de salons “Dames”.

De type-dienst is :

- voor de salons “Heren” : knippen : volledige snit

- voor de salons “Dames” : volledige watergolf : shampoo, versteviger, watergolf op kort of halflang haar (met behulp van rollen, spelden), drogen, opkambeurt, eindfixatie.

De aandacht wordt nochtans ook gevestigd op nr. 27a.

Vaststelling van de prijs van de type-dienst.

4.a. Salons voor “Heren” :

Om de prijs van de type-dienst die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de ontvangsten van de patroon vast te stellen, dient de volgende vergelijking te worden gemaakt :

1.Prijs van het knippen, volledige snit……

2.Prijs van shampoo, knippen, brushing, eindfixatie… x 0,65 =……

Het hoogste bedrag dat blijkt uit de vergelijking dient in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de ontvangsten van de patroon.

…..

b. Salons voor “Dames” :

Om de prijs van de type-dienst die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de ontvangsten van de patroon vast te stellen, dient de volgende vergelijking te worden gemaakt :

1.prijs van de watergolf (z. detail van de dienst hierboven) :…..

2.prijs van de brushing : shampoo, versteviger, brushing (in vorm

brengen door drogen van kort of halflang haar met borstel en

warme lucht) eindfixatie… x 0,50 = …..

3.prijs van de brushing met knippen… x 0,58 = …..

4.prijs van de permanent met knippen (*) + brushing (**)

(*) Deze dienst omvat al de volgende handelingen : shampoo,

oprollen van de haren met aanwending van een klassiek

krulproduct, koud of lauw eventueel met plaatsen van beschermers

en verwarming, spoeling, neutraliseren van het krulproduct, ont-

rollen en spoelen, specifieke verzorging, knippen

(**) zie punt 2… x 0,28 = …..

Het hoogste bedrag dat blijkt uit de vergelijking dient in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de ontvangsten van de patroon.

…..

c. Indien in een kapsalon voor “Heren” of “Dames” voor één der onder de letters a of b genoemde diensten verschillende prijzen worden gevraagd dient de hoogste van de gevraagde prijzen in aanmerking te worden genomen voor de berekening.

Voorbeeld : Het tarief in een kapsalon voor “Dames” vermeldt als prijs voor een brushing met knippen : … tot … EUR. De hoogste prijs of EUR dient in aanmerking te worden genomen bij de berekening onder b. hiervoor”.

Uit het proces-verbaal van 15.12.2009 blijkt in tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep beweert dat voormelde principes correct werden toegepast.

Uit het proces-verbaal blijkt dat er voor de genoemde diensten verschillende prijzen waren zodat de hoogste in aanmerking genomen werd overeenkomstig voormeld punt c. Op de prijslijst van eiseres in hoger beroep komen immers verschillende prijzen voor :

- voor de heren zijn deze verschillend met betrekking tot de prijs voor de dienst “knippen volledige snit” en prijs van shampoo, knippen, brushing, eindfixatie voor de heren

- voor de dames zijn deze verschillend met betrekking tot de prijs voor de dienst brushing met knippen.

De prijs bij eiseres in hoger beroep varieert :

voor de heren als volgt :

- “knippen volledige snit” voor 2006 van … euro (prijs bijknippen) tot … euro (prijs nieuw kapsel) en voor 2007 van … (prijs bijknippen) tot … euro (prijs nieuw kapsel)

- “prijs van shampoo, knippen, brushing, eindfixatie” voor 2006 van … euro (prijs shampoo bijknippen) tot … euro (prijs shampoo nieuw kapsel).

Voor dames als volgt :

- “brushing met knippen” voor 2006 van … euro (prijs brushing met knippen) tot … euro (prijs brushing met bijknippen van lengte) en voor 2007 van … euro (prijs brushing met knippen) tot … euro (prijs brushing met bijknippen lengte).

Bijgevolg werd in overeenstemming met punt c de hoogste in aanmerking genomen voor de vergelijking van de prijzen en na toepassing van de coëfficiënt werd dan het hoogste bedrag in aanmerking genomen voor de berekening van de ontvangsten van de patroon.

Eiseres in hoger beroep gaat in haar berekening enkel uit van voormelde laagste bedragen. Eiseres in hoger beroep kan bezwaarlijk voorhouden dat punt c enkel van toepassing zou zijn als een prijslijst letterlijk een prijs zou vermelden onder de formulering “… euro tot … euro”. Dit geldt des te meer nu eiseres in hoger beroep in de prijslijsten gevoegd bij het proces-verbaal niet de terminologie zoals voorzien in het forfait en zoals bepaald in het KB van 10.10.2003 gebruikt. Onder “knippen” kan dan ook zowel het knippen van een nieuw kapsel als het bijknippen vallen. Terecht stelt verweerder in hoger beroep bovendien dat met “knippen volledige snit” niet enkel “bijknippen” bedoeld wordt. Bijgevolg hanteert eiseres in hoger beroep verschillende prijzen voor de diensten die bepalend zijn voor de berekening van de ontvangsten zodat de hoogste van de gevraagde prijzen in aanmerking genomen werd zoals bepaald in punt c.

Bijgevolg oordeelde de eerste rechter terecht dat op basis van de door de gevolmachtigde boekhouder van eiseres in hoger beroep voorgelegde prijslijst en rekening houdend met het feit dat deze prijslijst niet opgemaakt werd conform voornoemd KB van 10 oktober 2003 de administratie de typediensten en de ontvangsten correct berekende.

Er is dan ook geen sprake van het bijvoegen van typediensten, noch van enige willekeur.

Vervolgens werd de omzet voor 2006 en 2007 correct herberekend overeenkomstig de van toepassing zijnde forfaitaire regeling.

De vordering van eiseres in hoger beroep is ongegrond.

2.2. De rechtsplegingsvergoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

Partijen zijn het erover eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op … euro.

Overeenkomstig art. 1017 Ger. W. dient eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in hoger beroep.


Dispositif

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op een rechtsplegingsvergoeding van … euro.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 7 januari 2014 door

Ondertekeningen

Textes cités

3
CTVA art. 567 occurrences
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8