Preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 20 février 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-tribunal-oudenaarde-2003-02-20-bd9a

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
20 février 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

51 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Audenarde du 20.02.2003

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, de vijfde kamer, zetelend in burgerlijke zaken, heeft volgend vonnis geveld :

Rolnummer : 98/759/A

Ten verzoeke van :

D. S. L., zonder beroep, wonende te …, …;

- eiseres bij exploot van gerechtsdeurwaarder W. D. B. te … d.d. 23 juli 1998.

- hebbende als raadsman Mter. F. V. O., advocaat te Geraardsbergen.

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer W. H., eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem, G. Schockaertstraat 4 ;

- verweerder,

- hebbende als raadsman Mter. G. D. L., advocaat te ….


De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd.

1. Rechtspleging

De zaak werd ingeleid bij dagvaarding, die regelmatig werd betekend op 23 juli 1998.

Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 9 januari 2003.

Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging en van het door verweerder neergelegde bundel.

2. Voorwerp van de vordering

De vordering strekt ertoe om, bij een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis, niettegenstaande alle verhaal en zonder mogelijkheid tot borgstelling, het verzet van eiseres tegen het dwangbevel van 2 juli 1998, uitvoerbaar verklaard door de heer P. H., e.a. inspecteur te Geraardsbergen op 6 juli 1998 en haar ter kennis gebracht op 7 juli 1998, ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en derhalve te horen zeggen voor recht dat het dwangbevel nietig is.

In uiterst ondergeschikte orde wordt door eiseres gevraagd om te horen zeggen voor recht dat geen administratieve geldboete verschuldigd is, minstens om deze te herleiden.

3. Bespreking en beoordeling

Eiseres is ingevolge haar economische activiteit van herbergierster geregistreerd als BTW-belastingplichtige en is ingevolge de BTW-wetgeving onderworpen aan de forfaitaire regeling voor caféhouders en derhalve gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften.

Het proces-verbaal van 2 juli 1998 is gesteund op de gegevens en vaststellingen opgenomen in de processen-verbaal van 22 september 1997, annex proces-verbaal van 20 augustus 1997 respectievelijk lastens de N.V. D. H. en de B.V.B.A. H. N. en op de gegevens van de zware boekhouding, welke respectievelijk aldaar werden aangetroffen, meer de verklaring van de heer H. en de heer P. D. V..

Uit de gegevens van voornoemde processen-verbaal blijkt dat door de N.V. D. H. en de B.V.B.A. H. N. een fraudesysteem werd toegepast dat erin bestond dat naast de levering van dranken met officiële verkoopfactuur ook een levering gebeurde van dranken waarvoor door beide voornoemde drankencentrales een valse verkoopfactuur werd opgemaakt op naam van een particulier of gewoon met de melding "particuliere verkoop". Hierbij volgde het verzendnotanummer, vermeld op de facturen aan particulieren of facturen "particuliere verkoop", steeds op het verzendingsnotanummer dat vermeld was op de officiële factuur.

Uit de gegevens blijkt eveneens dat eiseres regelmatig klant was bij beide drankencentrales daar haar naam regelmatig op hun klantenlijst voorkwam.

Verder blijkt uit de verklaring van de heer H. dat het voornoemde fraudesysteem werd gehanteerd en bekende hij dat dit systeem van valse facturen eveneens werd toegepast op ondermeer huidige eiseres.

Waar eiseres opwerpt dat verweerder geen enkel concreet bewijs naar voren brengt, doch zich enkel baseert op loutere vermoedens en veronderstellingen en op een verklaring van derden, dient vooreerst opgemerkt dat er een wettelijk vermoeden bestaat dat de inhoud van een proces-verbaal, opgesteld door de ambtenaren van het Ministerie van Financiën, wordt geacht de waarheid te bevatten tot het tegendeel wordt bewezen.

De bewijskracht strekt zich uit tot alle handelingen die de verbalisanten verklaren te hebben gesteld en alle feiten waarvan zij verklaren getuige te zijn geweest, inzonderheid hetgeen ze hebben ontdekt in de hun overgelegde stukken, tot de verklaringen die ze hebben afgelegd of ingewonnen en ondermeer tot al wat zij gezien, gehoord of anders waargenomen hebben voor zover de vaststellingen binnen het kader van hun opdracht blijven.

Door eiseres wordt geen enkel element naar voren gebracht waaruit zou moeten blijken dat de verklaringen van de heer H. niet correct werden weergegeven of dat de analyse van verweerder niet met de werkelijkheid zou overeenstemmen.

Ook nazicht van de door verweerder neergelegde stukken (facturen) leert dat bij het door de heer H. aangegeven fraudesysteem daadwerkelijk klopt en dat eiseres hierin fungeerde.

De rechtbank meent dat het geheel van valse facturen, samen met de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal een danig gedetailleerde en sluitende opgave van alle aankopen met valse facturen vormen, zodat aan de juistheid ervan niet kan worden getwijfeld.

De rechtbank is van oordeel dat de eiseres niet het tegenbewijs leven voor deze vaststaande, overeenstemmende en bewijskrachtige vermoedens, zodat alle twijfels worden uitgesloten en kan worden aanvaard dat de niet aangegeven omzet zoals berekend door verweerder, strookt met de werkelijk afgenomen leveringen van eiseres.

De rechtbank is van mening dat verweerder, die zich als bewijs van fraude heeft gebaseerd op bescheiden, stukken en verklaringen die werden ontleend aan feiten die ten aanzien van de N.V. H. en de B.V.B.A. H. N. werden vastgesteld, dit bewijsmateriaal op correcte wijze heeft getransponeerd naar de omzet van eiseres.

De fraude is dermate deel van een systeem, van een keten waaraan meerdere hebben deelgenomen dat aan de bevindingen van de BTW-administratie de juiste gevolgtrekkingen werden gekoppeld.

Elke betwisting omtrent de al dan niet correcte berekening van de meeromzet, dient dan ook te worden aanzien als terzake niet meer dienend.

Uit het voormelde en uit het geheel van het opgezette systeem en de handelswijze van eiseres blijkt weldegelijk dat eiseres vertrouwd was met de toepasselijke BTW-wetgeving en deze precies zo trachtte aan te wenden dat er belasting werd ontdoken.

De door verweerder opgelegde geldboete zoals voorzien in artikel 70, § 1 Wetboek BTW werd dan ook terecht opgelegd.

Wat betreft de gevraagde vermindering van de geldboete door eiseres, wijst de rechtbank op het feit dat zij hiertoe geen rechtsmacht heeft ; enkel de Minister van Financiën kan kwijtschelding of vermindering van de opgelegde boetes verlenen.

In de gegeven omstandigheden dient het verzet te worden afgewezen als ongegrond.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank, rechtdoende in eerste aanleg en op tegenspraak;

Verklaart het verzet ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Wijst al het anders of meergevorderde af als ongegrond.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting gehouden in het gerechtsgebouw te Oudenaarde op twintig februari tweeduizend en drie.

Aanwezig :

A.D. S., toegevoegd rechter, voorzitter der kamer;

P. D. B., griffier.

P. D. B. A. D. S.

Textes cités

1
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8