Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Termonde du 05.12.2002
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
ZITTING VAN : 5 DECEMBER 2002 9e Kamer - B.Z.
AR 98/1315/A
In de zaak van :
G. E., bakker, ingeschreven in het handelsregister te Dendermonde afdeling Aalst nr. …, BTW nr. … en voor zoveel als nodig en in de mate als ten onrechte vermeld in het dwangbevel d.d. 16.02.1998, zijn echtgenote, D. V. C., samenwonende te …, …;
eisers,
verschijnende door Mr. M. D. S., advocaat te …, …;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Heer Minister van Financiën Administratie van de Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de E.a. Inspecteur Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 9300 Aalst, Graanmark 1,
verweerster,
verschijnende door Mr. A. L. loco Mr. J.-P. W., advocaat te …, …;
werden op de openbare terechtzitting van 12 september 2002 partijen gehoord in hun middelen en besluiten, de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen.
De rechtbank verleent het volgend vonnis :
De geding inleidende dagvaarding van 27 mei 1998, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder P. V., met standplaats te …, welke ertoe strekt verzet aan te tekenen tegen het dwangbevel van 16/2/1998, volgens hetwelk eiseres de som van € 9.699,45 (391.275 fr.) BTW, € 1.933,57 (78.000 fr.). Boete en intresten en vervolgingskosten zou verschuldigd zijn, te zeggen dat het dwangbevel en uitvoeringsdaden zonder voorwerp zijn, nietig te horen zeggen dat eisers deze sommen niet verschuldigd zijn en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten.
Bij brief van 16/12/1996 kondigt de eerstaanwezend verificateur een beperkt fiscaal toezicht aan bij G. E., bakker.
De heer G. E. is onderworpen aan de forfaitaire regeling betreffende de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake BTW.
Op 9/1/1997 brengt de fiscaal raadgever van de heer G. E. het met computer bijgehouden aankoopjournaal en aankoopfacturen voor.
Uit de overgelegde boeken en bescheiden, werden een aantal overtredingen terzake toepassing van de BTW vastgesteld, en een aantal anomalieën :
- een wanverhouding tussen aangekochte gist en verwerkte bloem,
- een wanverhouding tussen de aangekochte zout en verwerkte bloem.
De algemene regel die voor alle fiscale aangelegenheden geldt, is dat de administratie een dubbele bewijslast heeft als ze beweert dat een wettelijke regel van toepassing is op een bepaald feit; ze moet zowel de inhoud van de wettelijke regel als het effectief bestaan van het feit bewijzen.
Om het bewijs te leveren dat de BTW verschuldigd is moet de administratie feiten aanvoeren die de rechtbank kunnen overtuigen van de juistheid van haar vordering.
Het louter aanvoeren van een feit vormt echter niet het bewijs van dat feit. De administratie moet dus bewijzen dat haar vordering steunt op juiste gegevens die werkelijk bestaan.
Het bewijs door feitelijke vermoedens kan niet op andere vermoedens worden gebouwd en nog minder op loutere beweringen. Feitelijke vermoedens moeten immers de voorwaarden vervullen van de artikelen 1349 tot 1353 van het B. W. Het zijn derhalve gevolgtrekkingen waardoor op grond van vastgestelde en bewezen feiten die werkelijk gekend zijn en voldoende vaststaan, andere gegevens die met of onvoldoende gekend zijn voor zeker kunnen worden gehouden. De gevolgtrekkingen hebben echter geen bewijswaarde wanneer zij uitgaan van feiten die twijfelachtig zijn.
In casu blijkt een wanverhouding te bestaan tussen de aankoop van bloem, gist en zout.
Uit de boekhouding van G. E. blijkt dat deze 1.000 kg zout aankocht in 1994 en 1.000 kg in 1995.
Volgens normen opgelegd door het Ministerie van Economische Zaken, is de maximale toegestane verhouding 1,7 kg zout op 100 kg bloem, zodat de aankoopfacturen van zout door G. E., wijzen op een bloemverbruik van 58.823 kg.
In de boekhouding van G. E. zijn slechts voor 21.400 kg aankoopfacturen voor bloem terug te vinden voor 1994 en 20.875 kg voor 1995.
Ook wat betreft de verbruikte gist, werden wanverhoudingen vastgesteld tussen de hoeveelheden aangekochte gist en verwerkte bloem.
Gemiddeld wordt 2 tot 2,5 kg gist verwerkt per 100 kg bloem, derhalve zou rekening houdend met een verlies van 5 %, G. E. in 1994, 53.000 kg bloem hebben verwerkt en in 1995, 62.560 kg bloem, terwijl volgens zijn boekhouding slechts 21.400 kg werd aangekocht in 1994 en 20.875 kg in 1995.
De aangekochte broodzakken over de periode 1994 en 1995 stemmen daarenboven niet overeen met de opgegeven aantallen verkochte broden.
Terecht argumenteert G. E., dat het bewijs door feitelijke vermoedens niet op andere vermoedens kan worden gebouwd en nog minder op loutere beweringen.
Feitelijke vermoedens moeten immers de voorwaarden van art. 1349 tot 1353 B. W. vervullen.
Het zijn derhalve gevolgtrekkingen waardoor op grond van vastgestelde en bewezen feiten die werkelijk gekend zijn en voldoende vaststaan, andere gegevens die niet of onvoldoende gekend zijn voor zeker kunnen worden gehouden.
In casu voldoen de feitelijke vermoedens aan de vereiste kenmerken om te kunnen besluiten tot een onbekend feit.
Vermits de vastgestelde anomalieën inzake het gistverbruik en inzake het zoutverbruik een vastgesteld bijkomend bloemverbruik en dus omzetverhoging geven welke vergelijkbaar is, zijn de feitelijke vermoedens voldoende doorslaggevend en de overtuiging te vormen en bestaat er bovendien een rechtstreeks verband tussen het onbekende feit en de bekende feiten waaruit het bestaan van het onbekend feit wordt gededuceerd.
De berekeningen van de verbaliserende ambtenaar zijn gesteund op de eigen cijfers van de heer G. E., gekoppeld heeft aan een reeks vermoedens.
Er moeten niet noodzakelijk meerdere feitelijke vermoedens zijn, maar wanneer er verscheidene zijn, als in casu, moeten ze met elkaar overeenstemmen om de gevolgtrekkingen te kunnen maken.
Derhalve laten deze gewichtige, bepaalde en overeenstemmende vermoedens toe te besluiten tot de berekende meeromzet en de daaruit voortvloeiende verschuldigde BTW.
De geldboete, welke overeenkomstig art. 70, § 1 wetboek BTW gelijk wordt gesteld met tweemaal de verschuldigde BTW, werd reeds verminderd tot € 1.933,57 (78.000 fr.).
De argumentatie van de heer G. E. als zou hij de meer aangekochte gist verkocht hebben aan particulieren (het zou hier ongeveer 40 % van de aangekochte hoeveelheid of 522 kg gist betreffen) is niet bewezen en ongeloofwaardig en is in tegenspraak met de eigen boekhouding van de heer G. E..
Ook het verweer van de heer G. als zouden kleine broodjes en cakes worden verpakt in broodzakken van 800 gram, is niet terzake; daarenboven werd door de administratie; bij het zich anoniem vergewissen van de toestand, vastgesteld dat de koeken in andere zakken dan broodzakken werden verpakt.
De beweringen van G. E. als zou hij zout hebben verkocht aan landbouwers, zijn evenmin bewezen of geloofwaardig. Er werden daarenboven geen verkoopfacturen uitgereikt aan landbouwers.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
Verklaart het verzet van G. E. en D. V. C. ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.
Veroordelen G. E. en D. V. C., tot de kosten van het geding, begroot aan de zijde van verweerster tot heden op de som van € 334, 66
Aldus gewezen en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van VIJF DECEMBER TWEEDUIZEND EN TWEE, van de negende kamer zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg, zetelend te Dendermonde.
Aanwezig :
M. D. P., rechter, voorzitter van de negende kamer;
K. W., e.a. adj.-griffier.
K. W. M. D. P.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.