Preuve, mesure de contrôle, paiement de l'impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 17 novembre 1997

Rechercher
Texte en néerlandais

Preuve, mesure de contrôle, paiement de l'impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-paiement-impot-cour-appel-gand-1997-11-17-d5f6

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
17 novembre 1997

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

67 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 17.11.1997

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Rechtbank van beroep te Gent, 20ste Kamer – rechtszitting van 17-11-1997

Nr. AR 44644/91

In de zaak van :

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Muntstraat, 14 op vervolging en benaarstiging van de Hoofdcontroleur van de BTW te Roeselare wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30

appellant,

hebbende als raadsvrouw Meester D. C., advocate te …, …

(FIN BB/910925/35D)

tegen :

C. G., garagehouder, wonende te …, … ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder het nummer …

geïntimeerde,

hebbende als raadsman Meester G. K. advocaat te …, …

velt het Hof het volgend arrest :

Appellant stelde op rechtsgeldige en toelaatbare wijze bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 10 oktober 1991 hoger beroep in tegen het tussenvonnis van 13 mei 1991 en het vonnis van 2 september 1991 gewezen door de alleenrechtsprekende rechter van de tweede kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk en waarbij oorspronkelijke eiser - na vaststelling dat de door hem ingeroepen facturen dienstig voor aftrek en teruggaaf niet conform de wet waren - werd toegelaten tegen het wettelijk formalisme in het bewijs te leveren dat de facturen reële handelingen betroffen (“… dat de verrichting daadwerkelijk heeft plaatsgevnden …”) – en zijn gestelde eisen werden ingewilligd in hoofdsom, intresten en kosten.

De grieven van appellant zijn samengevat : dat de rechterlijke macht een belastingplichtige, die niet bewijst dat hij aan de voorwaarden voldoet om een bepaald recht uit te oefenen als aftrek BTW en teruggave - geen meerdere rechten kan toekennen dan deze die de wet zelf bepaalt; de eerste rechter ten onrechte de debatten heropende over de werkelijkheid der gefactureerde handelingen waardoor de wettelijke bewijsregeling als de bindende kracht van een reglementair voorschrift wordt miskend; de door de eerste rechter vooropgestelde stelling wordt door veelvuldige rechtspraak afgewezen.

Beoordeling

1. Er wordt niet betwist dat het recht op aftrek van BTW en de uitvoeringsmodaliteiten besloten liggen in het communautair recht, meer bepaald in de tweede en zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschap en dat bij betwisting en/of uitleg het communautair recht en/of de door het Europese Hof verstrekte uitleg bindend is voor de Nationale rechter.

1.1. Artikel 18.1.a van de zesde richtlijn bepaalt dat de belastingplichtige in het bezit moet zijn van één overeenkomstig artikel 22, lid 3 opgemaakte factuur om het recht op aftrek vervat in artikel 17, 2.a te kunnen uitoefenen, wat evenmin door partijen wordt betwist;

1.2. Artikel 22, lid 3 bepaalt wie de factuur moet uitschrijven en wat er in elk geval moet uit blijken en laat het aan de lidstaten over de criteria vast te stellen volgens welke een document kan worden geacht dienst te doen als factuur.

1.3. Op deze gronden, tegen het verweer in van geïntimeerde - verweer ook voor de eerste rechter gevoerd, weerlegd, zonder meerdere gegronde tegenspraak in beroep - staat vast dat de door geïntimeerde aangevochten koninklijke besluiten op volledig wettelijke gronden tot stand kwamen; zij doen geen afbreuk aan het recht op aftrek zelf en bepalen alleen de criteria waaraan een document moet voldoen om als factuur dienst te doen m.a.w. om het gewaarborgde recht op aftrek uit te oefenen.

Het Hof treedt de motieven hierover van de eerste rechter in zijn tussenvonnis van 13 mei 1991 onder de punten 5 tot en met 7.2° alinea bij en beschouwt deze, voor zoveel als nodig, als hier volledig hernomen.

1.4. Betreffende de voornoemde artikelen 18 &. 22 werden destijds reeds door de rechtbank te Brussel aan het Hof van de Europese Gemeenschap twee prejudiciële vragen gesteld met betrekking tot de weigering door appellant tot de teruggave van BTW bedragen welke geacht werden ten onrechte in aftrok te zijn gebracht met miskenning van de terzake geldende wettelijke bepalingen betreffende de verplichte vermeldingen op facturen - het betrof, als ter zake, aankoopfacturen tweedehandswagens.

1.4.1. Bij arrest van 14 juli 1988 - RW 88-89, 309 - verklaarde dit Europese Hof voor recht : "De artikelen 18 , lid 1, sub a en 22, lid 3 , sub a en b , van de zesde richtlijn (77/388) van de Raad van 17 mei 1977 staan de Lidstaten toe, de uitoefening van het recht op aftrek afhankelijk te stellen van het bezit van een factuur met een aantal verplichte vermeldingen, die nodig zijn om de inning van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarvan door de belastingadministratie mogelijk te maken ...".

1. 4.2. Het motief voorafgaand aan deze verklaring luidt :

"Het recht op aftrek kan afhankelijk worden gesteld van andere vermeldingen dan die welke in .art. 22, lid 3, sub b, van de richtlijn zijn vermeld, doch dit vereiste dient te worden beperkt tot wat noodzakelijk is om de inning van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarvan door de belastingadministratie mogelijk te maken."

1.5. Uit deze twee elementen samen - punt 1.4.1. en 1.4.2. - volgt dat de vastgestelde criteria door de nationale wetgever opgelegd opdat een document zou gelden als factuur die toelaat het recht op aftrek toe te passen moeten voldoen aan de vereiste van noodzaak om de controle en de inning van de BTW door de belastingadministratie mogelijk te maken.

1.5.1. Waar het gemeenschapsrecht en de uitleg bij betwisting, door het Europese Hof bindend is en de nationale wet primeert, behoort het de rechterlijke macht om, bij betwisting, als terzake, over het al dan niet noodzakelijk zijn van alle door de wet bepaalde vormvereisten waaraan de factuur bij verhandeling van wagens moet voldoen, te onderzoeken in welke mate in ieder geval afzonderlijk de door de wet vereiste vermeldingen - buiten deze voorzien in het gemeenschapsrecht - noodzakelijk zijn om de controle en/of de inning van de BTW door de belastingadministratie mogelijk te maken.

1.5.2. Het Hof van Cassatie stelde bij arrest gedagtekend 4 december 1989 – R.W. 89-90, 964 – “… dat het arrest, dat vaststelt dat voornoemde voorwaarde ten deze niet is vervuld, en waaruit niet volgt dat de vermelding in kwestie voor de inning van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarvan door de belastingadministratie onnodig. was, wettig beslist dat … zijn recht op aftrek niet vermag uit de oefenen ..."

2. Op grond van wat voorafgaat stelt het Hof vast dat, met betrekking tot de gevoerde betwisting :

2.1. Geïntimeerde handelaar is in tweedehandswagens en de aankopen, voorwerp van de facturen waaromtrent de regelmatigheid ter uitoefening van het aftrekrecht is aangetast, betrekking hadden op deze handel, zodat geïntimeerde geen eindverbruiker was, zodat hij terecht laat gelden dat het KB nr. 17 van 20 juli 1970 op hem niet van toepassing is.

2.2. Uit het proces-verbaal gedateerd op 11 januari 1983, na controle op 26 oktober 1982 volgt dat de facturen - voorwerp van huidig geschil - regelmatig in het inkomende facturenboek waren ingeschreven en de geheven BTW in de BTW-aangiften in aftrek werden gebracht.

2.3. Betreffend proces-verbaal vaststellende dat deze facturen naar verplichte vermeldingen niet conform de wet waren - op 19 verplichte vermeldingen ontbraken er 6 nl. deze met betrekking tot de inschrijving in het handelsregister van de verkoper, de datum van de levering, de cilinderinhoud, de motorsterkte, het carrosseriemodel, het jaar van invoer of eerste in verkeerstelling.

2.3.1. Betreffend P.V. heeft niets anders vastgesteld dan dat de facturen, voorwerp van huidig geding, niet conform de wet waren, om dan te besluiten dat ze niet voor aftrek in aanmerking te nemen waren en dat er diende achter gedragen;

2.3.2. Gelden de processen-verbaal waarvan sprake in art. 59 W.BTW tot bewijs van het tegendeel, dan geldt deze bewijskracht alleen ten opzichte van de uitgevoerde ambtsverrichtingen en ten aanzien van de feiten waarvan de verbalisanten getuige zijn geweest, en geldt deze bewijskracht niet voor wat de gevolgtrekkingen die de verbalisanten op grond van het vastgestelde deden;

2.3.3. Nergens volgt uit betreffend proces-verbaal dat de vastgestelde en opgesomde tekorten in de documenten op enigerlei wij ze noodzakelijk waren om de inning en/of controle - welke ten huize van geïntimeerde gebeurde - nopens het gestelde in de facturen mogelijk te maken; uit het door appellant voor de eerste rechter gevoerde verweer, grotendeels hernomen voor het Hof, volgt zelfs niet dat dit punt ooit ter discussie zou zijn geweest.

2.4. Op grond van wat is gesteld onder punten 1.4. en 1.5. hierboven behoort het de bodemrechter te onderzoeken of de ontbrekende vermeldingen op de facturen noodzakelijk waren om de belastingadministratie toe te laten te besluiten dat het recht op aftrek niet mocht uitgeoefend en in plaats van aftrek er een BTW tegoed was voor appellant.

2.4.1. Het ontbreken van de vermelding van de gegevens nopens het handelsregister van de verkoper :

- uit de voorliggende facturen blijkt dat de verkoper, op grond van alle andere vermeldingen op de facturen gemakkelijk te identificeren was;

- uit het gevoerde verweer volgt dat deze handelaar bij de BTW-administratie goed gekend was en er een bijzondere aandacht genoot;

- het ontbreken van het handelsregister was derhalve niet van aard de controle of de inning te bemoeilijken of onnodig te maken.

2.4.2. De facturen die voorliggen dragen een factuurnummer zodat de controle niet wordt bemoeilijkt.

2.4.3. De leveringsdatum is terzake zonder bewezen belang; appellant toont niet aan, noch bewijst in welke mate dit ontbrekend gegeven haar controle zou hebben bemoeilijkt en/of in de weg gestaan, noch de noodzaak van deze vermelding met het oog op controle of inning; het betrof een verkoop onder handelaars waarbij de factuur de transactie bewijst bij ontstentenis van geschreven overeenkomst en voor zover de factuur niet wordt betwist.

2.4.4. Zelfde kan gesteld met betrekking tot de ontbrekende gegevens wat betreft de cilinderinhoud , de motorsterkte, het carrosseriemodel en het jaar van invoer of eerste in verkeerstelling; het is geen bewijs dat deze vermeldingen noodzakelijk zijn om controle en inning mogelijk te maken of deze onnodig zou bemoeilijken; aan de overige gegevens als vermeld op de diverse facturen waarover geding blijkt dat merk, bouwjaar, chassisnummer , type, prijs en BTW-voet staan vermeld; uit geen enkele omstandigheid volgt dat deze gegevens onvoldoende waren en/of noodzakelijk om een gerichte controle - nergens blijkt dat een dergelijke controle bij geïntimeerde gebeurde - mogelijk te maken; het KB nr. 17 voornoemd is op deze transacties niet van toepassing gezien de daarin gestelde minimum maatstaven voor de BTW-heffing geen toepassing vinden op verkopers-handelaars die niet de eindverbruiker zijn; dit alles klemt des te meer waar de controle ten huize van geïntimeerde gebeurde zodat bij twijfel nopens de gehanteerde maatstaf de verificateur zich de dienstige, passende en/of noodzakelijke aanvullende bescheiden kon laten voorleggen.

2.5. Dit laat het Hof toe te besluiten dat :

2.5.1. de vermeldingen op de facturen waarover geding volstonden om een efficiënte BTW-controle mogelijk te maken; dit klemt des te meer daar - als reeds gezegd – er een effectieve controle ten huize van geïntimeerde gebeurde die enkel als resultaat had dat enkele facturen van ene handelaar S. niet conform de toepasselijke wetten waren om te besluiten dat de aftrok niet regelmatig was; dat de controle werd bemoeilijkt door deze ontbrekende vermeldingen of de inning bemoeilijkt volgt uit geen enkele omstandigheid van de zaak.

2.5.2. de facturen waarover geding derhalve beantwoorden aan de vereisten van het communautair recht en de verklaring van het Europees Hof bij arrest van 14 juli 1988, geïntimeerde derhalve op rechtsgeldige wijze tot aftrek overging en de teruggaaf vorderde.

3. Tevergeefs - zoals hierboven, reeds aangehaald - zou appellant willen verwijzen naar de inhoud van het proces-verbaal van vaststelling en de bewijskracht die ervan uitgaat, waar dit proces-verbaal in feite niets anders vaststelde dan enkele onregelmatigheden in het uiterlijke van enkele facturen.

3.1. Desbetreffend proces-verbaal vormt niet de wettelijke grondslag om het aan een belastingplichtige verschuldigde teruggave ingevolge een recht op aftrek, om te buigen naar een verschuldigd zijn, met bewijskracht dat aan de administratie zou toelaten zonder verdere formaliteiten het bepaalde van art. 76 W.BTW - als toepasselijk op huidige feiten - te negeren en de teruggave te weigeren.

3.2. ,Het proces-verbaal is naar de besluitvorming eenzijdig en creëert geen rechten en is derhalve niet de wettelijke vereiste titel om een voor betwisting vatbare navordering in te vorderen door inhouding van een tegoed - ter zake niet betwist - ingevolge een recht op aftrek.

3.3. Appellant heeft manifest onwetmatig een vaststaand recht op aftrok miskend door de teruggave te weigeren op basis van een proces-verbaal dat qua besluitvorming eenzijdig was en dus onmogelijk de titel kon vormen om te weigeren de teruggave zoals bepaald in het toepasselijke artikel 76 W.BTW uit te voeren om de bedragen aan te rekenen op een beweerd tegoed - niet bestaande titel van navordering - en het saldo op dit tegoed te innen.

4. Op gehouden aangewende grond van wat is voorzegd is appellant tot terugbetaling van het onwetmatig tegoed en geïnde saldo in hoofdsom, intresten en bevestigen, kosten zodat het bestreden vonnis is te weze deels op andere gronden.

5. Het tussenvonnis volgt het lot van het eindvonnis; volledigheidshalve wordt de grief van appellant niet hard gemaakt; de eerste rechter heeft geïntimeerde niet meer rechten gegeven dan deze vervat in de wet, meer bepaald art. 51bis, § 2, W.BTW waarop de vordering zelf niet was gesteund maar waarbij niet kon uitgesloten een zekere analogie, probleem dat omwille van alles wat hierboven is gezegd, niet aan de orde is en niet verder dient onderzocht.

De grief van appellant met betrekking tot het tussenvonnis is derhalve steriel, dit klemt des te meer waar de motieven met betrekking tot het bevelen van de heropening der debatten door het Hof niet worden aangenomen met betrekking tot de bewijslevering van de transactie zelf.

Wel mag gesteld dat op grond van dit tussenvonnis ook de facturen aan de eindverbruiker in het debat zijn wat het Hof toeliet vast te stellen dat deze “eindverkopen” gebeurden voor de controle door de verificateur en derhalve konden worden voorgelegd aan de verificateur - zo die erom had gevraagd - ter aanvulling van bepaalde gegevens op de facturen waarover geding.

6. Appellant is gehouden tot de kosten van beroep.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, op tegenspraak, verwerpend alle meerdere en/of strijdige besluiten als niet dienstig en/of ongegrond, met inachtneming van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

ontvangt het beroep en verklaart het ongegrond;

bevestigt de bestreden vonnissen, weze het op andere gronden;

veroordeelt appellant in de kosten van beroep, begroot in hoofde van geïntimeerde op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van … frank, in hoofde van appellant niet te begroten gezien zij te zijnen laste blijven.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, twintigste kamer, rechtsprekende in burgerlijke zaken, heden ZEVENENTIEN NOVEMBER NEGENTIENHONDERD ZEVENENNEGENTIG, door :

alleenrechtsprekend Raadsheer P. B.,

bijlages aan door Griffier M. O..

M. O. P.B.

Textes cités

2

Décisions similaires

8