Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 18 mars 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2003-03-18-47ea

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
18 mars 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

75 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 18.03.2003

Samenvatting niet Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van Beroep te Gent, 5be Kamer, terechtzitting van 18-03-2003

Belastingen - Verzet dwangbevel BTW en terugvordering

Nr. 1997/AR/1704

In de zaak van :

P. L. S. B. S. NV, met maatschappelijke zetel te … (…), …, ingeschreven in het handelsregister te …, onder het nummer …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. D. S. M., advocaat te …, … en tevens loco Mr. S. K., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer e.a. Inspecteur, BTW­Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Gent 1, wiens kantoren gevestigd zijn te 9000 GENT, Martelaarslaan 23,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. D. C., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 14.10.1988 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent teneinde de verdere tenuitvoerlegging van het dwangbevel uitgevaardigd door de Ontvanger van het BTW-kantoor Gent 1 d.d. 28.9.1988 te horen verbieden, tevens de geïntimeerde te horen veroordelen om het bedrag van … BEF (thans … EUR) aan de appellante te betalen of minstens op te nemen in haar rekening-courant, meer de gerechtelijke intresten vanaf de datum van dagvaarding.

Aldus tekende de appellante verzet aan tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) lastens de appellante voor een saldobedrag van … BEF (thans … EUR) BTW meer intresten en … BEF (thans … EUR) geldboete, uitgevaardigd door de ontvanger van het BTW-kantoor Gent 1 op 29.8.1988 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent op 7.9.1998.

Hierbij vroeg zij tevens het bedrag terug dat de geïntimeerde middels compensatie reeds had geïnd.

In de loop van de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent heeft de appellante haar vordering uitgebreid, en vorderde zij (zie de conclusie van de appellante neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 20.10.1995) de veroordeling van de geïntimeerde om te betalen aan de appellante : … BEF (thans … EUR) meer intresten vanaf dagvaardingsdatum en … BEF (thans … EUR) vanaf datum van betaling (14.3.1993), de verdere tenuitvoerlegging van het dwangbevel te verbieden. Subsidiair, vorderde de appellante de benoeming van een deskundige met opdracht haar bundel overtuigingsstukken te verifiëren en te beoordelen, en nog meer subsidiair de overlegging te bevelen door de geïntimeerde van een aantal stukken.

Bij vonnis van 6.3.1997 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, derde kamer, werd de vordering toelaatbaar doch ongegrond verklaard.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 30.6.1997 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Met haar hoger beroep streeft de appellante de hervorming van het bestreden vonnis na. Zij herneemt haar oorspronkelijke vordering en vordert dat deze ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard.

In haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 22.11.1999 vordert de appellante dat het bestreden vonnis zou worden teniet gedaan en haar oorspronkelijke vordering, houdende verzet op dwangbevel en vordering tot teruggave van alles wat, in weerwil van het verzet, door de Administratie ontvangen en/of toegerekend werd, ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard.

In haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 10.9.2002 wordt bijkomend door de appellante verzocht om zo nodig een deskundige aan te stellen met als opdracht het Hof van advies te dienen, na inzage en toetsing van alle overtuigingsstukken, partijen gehoord zijnde, omtrent de juistheid en de bewijswaarde van de studie van de appellante tot weerlegging van de hoeveelheidscontrole van de BTW-administratie en tot bepaling van de stock per 31.12.1984, meer bepaald t.a.v. het artikelgamma A., B., J., S., V. & Q..

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

2. Volgens het betwiste dwangbevel was de appellante, vóór de door de geïntimeerde doorgevoerde gedeeltelijke compensatie, een bedrag verschuldigd van … BEF (thans … EUR), zoals berekend in de door de zaakvoerder van de appellante op 28.12.1987 ondertekende naheffingsopgave ("procedure-"stuk 1 van de geïntimeerde).

De appellante stelt dat deze naheffingsopgave aangetast is door geweld en door dwaling in feite. Voor de geïntimeerde betreft het een dading die onherroepelijk is Voor de appellante is de naheffingsopgave principieel herroepbaar wegens geweld, dwaling omtrent het recht of omtrent de feiten, bedrog.

Artikel 84, tweede lid BTW-wetboek voorziet dat de Minister van Financiën dadingen treft met de belastingschuldige, voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van de belasting. Waar dit begrip "dading" niet nader wordt omschreven in de desbetreffende fiscale wetgeving moet het opgevat worden in de betekenis die het burgerlijk recht er aan geeft (artikel 2044 e.v. Burg. W.), met dien verstande dat zij niet mag leiden tot vrijstelling of vermindering van de belasting volgens artikel 84 BTW-wetboek.

Er blijkt eerst een douanecontrole lastens de appellante te zijn geweest in 1984 (zie stukken 7 en 8 van de geïntimeerde). Op 17.6.1987 is er dan bij de appellante een controle geweest inzake van BTW (zie de vermelding op het eerste blad van de naheffingsopgave, “procedure-''stuk 1 van de geïntimeerde). Gevolg daaraan wordt door de geïntimeerde op 10.11.1987 aan de appellante een ontwerp van proces-verbaal opgestuurd met verzoek dit na dag- en naamtekening terug te sturen (stuk 1 van de geïntimeerde). In dit proces-verbaal komt de geïntimeerde, door verhoging van de omzet, tot een belastbare basis van … BEF (thans … EUR) belastbaar à 25 % en … BEF (thans … EUR)' belastbaar à 19 %, terwijl de verschuldigde BTW … BEF (thans … EUR) bedraagt. Daarnaast aanvaardt de geïntimeerde in zelfde proces-verbaal niet de aftrek van de BTW met betrekking tot bepaalde facturen, zodat de BTW hierop nl. … BEF (thans … EUR) + … BEF (thans … EUR) volgens de geïntimeerde verschuldigd is.

Hierop antwoordde de appellante bij brief van 3.12.1987 dat zij enkele opmerkingen moest maken, opmerkingen die ongeveer 5 bladzijden beslaan (stuk 2 van de geïntimeerde). Volgens de geïntimeerde werd vervolgens een bespreking gehouden met de appellante en haar fiscaal raadgever op 15.12.1987, waarbij dan een definitieve splitsing gemaakt werd tussen enerzijds goederen waarvan aanvaard werd dat ze nog in stock waren op 31.12.1984 en anderzijds de goederen waarvan de appellante toegaf dat ze niet geboekt werden. Steeds volgens de geïntimeerde resulteerde dit in twee handgeschreven documenten (stukken 9 en 10 van de geïntimeerde) en werd het stuk inzake de omzetverhoging op 15.12.1987 voor akkoord ondertekend door de zaakvoerder van de appellante (stuk 9 van de geïntimeerde).

In het op 15.12.1987 door de zaakvoerder van de appellante ondertekend stuk (stuk 9 recto van de geïntimeerde) wordt de BTW verschuldigd ingevolge omzetverhoging herleid tot … BEF (thans … EUR) (eigenlijk … BEF (thans … EUR), zie "procedure"stuk 1 van de geïntimeerde). Nazicht van het detail van de belastbare basis waarop deze BTW berekend werd (zie dit detail stukken 9 verso en 10 van de geïntimeerde) leert dat bepaalde van de oorspronkelijk weerhouden posten van omzetverhoging (zie bijlage 2 bij het eerste proces-verbaal, stuk 1 van de appellante) niet langer werden weerhouden. Aan de andere kant zijn er ook posten die de appellante had betwist en die behouden bleven (bvb. post 3, 7, 8, 22 in bijlage 2 bij het eerste proces-verbaal, stuk 1 van de appellante).

De BTW volgens het document van 15.12.1987 verschuldigd ingevolge omzetverhoging werd behouden in de naheffingsopgave ondertekend op 28.12.1997, terwijl de BTW verschuldigd ingevolge verworpen bedrijfskosten in zelfde naheffingsopgave werd herleid naar … BEF (thans … EUR).

Op welke wijze de partijen tot dit resultaat gekomen zijn, blijkt echter niet. Zo bepaalde posten werden aangehouden voor de berekening van de BTW en andere niet, kan dit het gevolg geweest zijn van zowel een grondiger, een hernieuwd nazicht door de partijen, mede van nieuwe stukken, als van wederzijdse toegevingen van partijen, als van een combinatie van deze twee mogelijkheden.

Te dezen wordt door de geïntimeerde niet aangetoond dat met de naheffingsopgave van 28.12.1987 betwistingen tussen de partijen beëindigd werden door wederzijdse toegevingen.

De door de zaakvoerder namens de appellante ondertekende naheffingsopgave van 28.12.1987 kan dan ook als niet meer beschouwd worden dan een fiscaal akkoord, waarbij het voor de appellante mogelijk is, ingevolge het karakter van openbare orde van de fiscale wet, aan te tonen dat dit akkoord is aangetast door een dwaling in feite of in rechte dan wel door een ander wilsgebrek.

3. De appellante voert aan dat de namens haar ondertekende naheffingsopgave aangetast is door geweld.

Uit het gegeven dat het de BBI was die tussenkwam en dat de verjaring nakend was, kan te dezen niet zonder meer het voorhanden zijn van geweld worden afgeleid.

Wanneer de appellante het heeft over de "gebruikelijke strategieën'' van de BBI, die volgens de appellante onder meer zouden bestaan in de in de conclusie van de appellante aangehaalde "verbale dreiging'', moet worden vastgesteld dat niet blijkt dat dergelijke dreigingen effectief werden geuit door de BBI-ambtenaren.

Zo de geïntimeerde op zeker ogenblik de appellante er op wees dat de vermindering van de opgelopen geldboeten ondergeschikt was aan de regularisatie in der minne van de begane overtredingen (zie stuk 1 van de geïntimeerde), kan wel aangenomen worden dat hierdoor zekere druk op de appellante werd uitgeoefend, maar is dit niet te beschouwen als geweld van aard om tot vernietiging van het akkoord van de appellante te leiden. Dergelijk geweld dient onrechtmatig of ongeoorloofd te zijn, en dit is niet het geval wanneer de geïntimeerde op de vermelde wijze de appellante ervan inlicht dat haar medewerking aan de regularisatie van aard is om de omvang van de uiteindelijke boete te beïnvloeden.

Dat de appellante zich niet kon veroorloven om te weigeren de naheffingsopgave te ondertekenen omdat zulks zou leiden tot faillissement wordt te dezen evenmin aangetoond.

De appellante was ook bijgestaan door haar fiscaal raadgever bij wie de controleambtenaren zich begaven voor nazicht van de boekhouding (zie de vermelding in de aanvang van de eerste en de tweede naheffingsopgave, ''bewijs"stuk 1 en “procedure”stuk 1 van de geïntimeerde), en die ook na de ondertekening van de naheffingsopgave van 28.12.1987 nog tussenkwam om betalingsfaciliteiten te vragen (zie de brief van 16.2.1988 van de accountant van de appellante, stuk 4a van de geïntimeerde). Er mag derhalve worden aangenomen dat de appellante degelijk werd voorgelicht over haar rechten en verplichtingen.

De stelling van de appellante volgens welke zij onder tijdsdruk diende te handelen en de naheffingsopgave onder die omstandigheid tot stand kwam, wordt ook tegengesproken door de brief van 3.12.1987 door de appellante aan de geïntimeerde gestuurd (stuk 2 van de geïntimeerde). Hierin wordt immers door de appellante gesteld dat :

- zij, vertrekkende vanaf 31.12.1994 een "volledige" samenstelling heeft gedaan van de aangekochte en verkochte toestellen tot en met 30.11.1987 (d.i. over bijna 3 jaar);

- zij tot de in de brief vermelde vaststellingen komt na “nauwkeurige en objectieve controle”;

- de goederen, zowel in showroom als in magazijn “nog zeer goed kunnen gecontroleerd worden”.

In het inleidend dagvaardingsexploot van 14.10.1988 stelt de appellante dat zij een “bijzonder doorgedreven studie” maakte van haar boekhouding, waardoor zij inzicht verwierf in de gebreken in haar boekhouding, tevens dat het bundel betreffende het studiewerk aan de administratie werd overgemaakt op 3.12.1987 (zie de dagvaarding, derde blad).

Uit de bijlagen bij de eerste naheffingsopgave (stuk 1 van de appellante) blijkt dat bij de controle een 54-tal categorieën van producten werden nagezien, en hiervan slechts 30 aanleiding gaven tot een omzetverhoging. In haar brief van 3.12.1987 (stuk 2 van de geïntimeerde) voert de appellante betwisting over een 15-tal producten, hetzij de helft van de voor omzetverhoging weerhouden producten. Waar zij geslaagd is dit te doen in de periode van 10.11.1987 (eerste naheffingsopgave) tot 3.12.1987, dit bovenop betwisting van de inkomende facturen en het commissieloon C., ziet men niet onmiddellijk in waarom dit voor de overige helft niet kon geschieden tegen de datum van de tweede naheffingsopgave (28.12.1987). Noch op 15.12.1981, noch op 28.12.1987 blijkt de appellante bovendien (desnoods onvolledige) gegevens te hebben voorgelegd uit verder onderzoek.

De beweerde tijdsnood blijkt dan ook niet.

Wanneer dan verder in zelfde brief van de appellante gesteld wordt dat de appellante akkoord gaat met de overige gevonden verschillen gezien dit door haar zoniet moeilijk of onmogelijk nog te controleren is, wordt ook niet gesteld dat dit ingevolge tijdsgebrek is. In zelfde brief wordt ook bij bepaalde posten specifiek nog eens opgemerkt dat er "vroegere vergissingen e.d.”, zijn die de appellante op dat ogenblik niet meer kon opsporen (zie de posten "S. 900" en "M. - statieven'', p. 2 van de brief), d.i. om andere redenen dan omwille van tijdsgebrek.

Het door de appellante ingeroepen geweld wordt niet bewezen.

4. De appellante stelt dat de ondertekening van de naheffingsopgave van 28.12.1987 berust op een dwaling in feite. Zij houdt voor dat waar zij eerst een ''retroactieve studie deed van aankoop- en verkoopfacturen en vertrekkend van de inventaris op 30.11.1987" voor bepaalde producten, zij na ondertekening van de naheffingsopgave zelfde studie deed (en meedeelde aan de administratie) met betrekking tot andere producten dan de reeds onderzochte. Volgens de appellante blijkt uit deze studies dat er geen sprake is van niet aangegeven omzet maar van stockonderschatting. Cijfermatig komt zij tot het besluit dat zij slechts een bedrag van … BEF (thans … EUR) aan BTW verschuldigd is, hetzij …BEF (thans … EUR) uit hoofde van niet aangegeven omzet (in plaats van … BEF (thans … EUR)) meer … BEF (thans … EUR) uit hoofde van ten onrechte verrichte aftrek van BTW (zie omtrent dit alles de inleidende dagvaarding).

Zoals reeds hoger aangehaald heeft de geïntimeerde niet zonder meer aangenomen wat de appellante in haar brief van 3.12.1987 (stuk 2 van de geïntimeerde) vooropstelde als ten onrechte belast. Bepaalde posten die in de eerste naheffingsopgave, toegestuurd op 10.11.1987 (stuk 1 van de geïntimeerde), stonden en betwist werden door de appellante in haar brief van 3.12.1987, bleven toch weerhouden in de uiteindelijke naheffingsopgave. De geïntimeerde heeft dan ook niet zonder meer de bij de brief van 3.12.1987 door de appellante toegepaste berekening aanvaard als correct.

De appellante wil thans, om aan te tonen dat de omzetverhoging in de naheffingsopgave van 28.12.1987 onjuist is omdat er stockonderschatting was, vertrekkend van de eindstock per 31.12.1987 en terugrekenend op basis van de aankoop- en verkoopfacturen van 1987, 1986, 1985 de eindstock per 31.12.1984 berekenen (zie onder meer stuk 4 van de appellante). Dergelijke berekening zou maar een correct resultaat kunnen geven mits uiteraard uitsluitend gesteund wordt op betrouwbare gegevens.

Bij de naheffingsopgave van 28.12.1987 werd gedeeltelijk ingegaan op de argumenten van de appellante, verwoord in haar brief van 3.12.1987. Hierbij schreef de appellante zelf (stuk 2 van de geïntimeerde) dat de goederen, zowel in showroom als in magazijn nog zeer goed gecontroleerd konden worden door de diensten van de geïntimeerde. Men kan begrijpen dat zulks wenselijk werd geacht, in acht genomen het feit dat de appellante niet-aangegeven, goederen invoerde in de jaren 1981-1982-1983 (stukken 7 en 8 van de geïntimeerde), een zwart kasboek bijhield voor de periode vanaf haar oprichting in 1981 tot aan de huisvisitatie door de Administratie der Douane en Accijnzen (zie de vermelding in de minnelijke inregelstelling, stuk 30 van de geïntimeerde), en de boekhouding van de appellante gebreken vertoonde (zie zowel de voorgaande elementen als de vermelding van de gebreken in de boekhouding p. 3 van de inleidende dagvaarding).

De stock per 31.12.1987, vertrekbasis voor de berekening van de appellante, is thans - anno 2003 - echter de facto niet meer verifieerbaar. Na de naheffingsopgave van 28.12.1987 heeft de appellante ook niet voorgehouden dat de stock toen was onderschat, maar vroeg haar accountant nog op 16.2.1988 (stuk 4A van de geïntimeerde) om bespreking van een gespreide betalingsregeling. Pas nadien heeft de appellante haar studie opgemaakt om de naheffingsopgave te betwisten (wanneer precies, is niet duidelijk - in de inleidende dasvaarding, betekend op 14.10.1988, stelt de appellante dat zij haar studie aan de geïntimeerde meedeelde, doch niet wanneer/de geïntimeerde van haar kant maakt gewag van betwisting op 28.4.1988, zie p. 3 van haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 22.3.1999).

Het komt ook weinig geloofwaardig over dat de appellante op 28.12.1987 (en ook reeds op 15.12.1987 : zie stuk 9 van de geïntimeerde), op een ogenblik dat de stock nog verifieerbaar is, ten onrechte zou akkoord gaan met een stock die zo onjuist is dat de BTW op de teveel aangerekende omzet een in verhouding zo groot teveel zou opleveren nl. van … BEF (thans … EUR) in plaats van … BEF (thans … EUR), en men vraagt zich toch af hoe de appellante een vergissing van dergelijke omvang zou kunnen hebben begaan.

Uit dit alles dient te worden afgeleid dat de stock per 31.12.1987 zoals gehanteerd door de appellante voor haar berekening een gegeven is dat onvoldoende betrouwbaar is om afbreuk te kunnen doen aan de naheffingsopgave van 28.12.1987. Het door de appellante gevraagde deskundigenonderzoek, waarbij ook de correctheid van de stockbepaling per 31.12.1987 niet zal kunnen nagegaan worden, is niet van aard om hieraan te verhelpen en dient niet bevolen te worden.

Tevergeefs wil de appellante, in het kader van de huidige betwisting aan de geïntimeerde het verwijt maken de eindstock per 31.12.1987 niet te hebben gecontroleerd. De appellante had immers aan de geïntimeerde, tot tweemaal toe, een stuk verschaft waarop de geïntimeerde voor de taxatie kon steunen, zonder te moeten veronderstellen dat zij nog controles diende te doen teneinde de appellante in de mogelijkheid te stellen de inhoud van deze stukken te betwisten.

Waar het aan de appellante is om te bewijzen dat de door haar ondertekende naheffingsopgave van 28.12.1987 aangetast is door dwaling, slaagt zij niet in haar bewijs, zodat moet aangenomen worden dat de geïntimeerde terecht de op basis van deze opgave verschuldigde BTW heeft willen innen door compensatie en via dwangbevel.

De vordering van de appellante werd terecht door de eerste rechter ongegrond verklaard.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.

Ontvangt het hoger beroep, doch verklaart het ongegrond, en bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, als volgt begroot :

• aan de zijde van de appellante : op … EUR rolrecht hoger beroep + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, op ACHTTIEN MAART TWEEDUIZEND EN DRIE.

Aanwezig de heren :

G. T., Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. G. T.

Textes cités

1
CTVA art. 842 occurrences

Décisions similaires

8