Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 29 novembre 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-anvers-2005-11-29-b0b8

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
29 novembre 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

75 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 29/11/2005

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen,. zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2004/AR/548

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de Gewestelijke Directeur Directie BTW, met kantoor gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 73;

appellant,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 9 januari 2004;

vertegenwoordigd· door Meester A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

tegen :

E. K., wonende te …, …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester F. J. loco V Meester L. V., advocaat te …l, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 9 januari 2004 door de Eerste F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwérpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger ·beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 februari 2004;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep :

1.1. De heer E. K., geïntimeerde, was ingevolge de uitgeoefende activiteit van café-uitbating onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Hij was als dusdanig geregistreerd onder nummer BE ….

1.2. In de jaren '80 geraakte geïntimeerde in financiële moeilijkheden als gevolg van de wankele gezondheidstoestand van zijn echtgenote, die gedurende diverse periodes in psychiatrische instellingen diende te worden opgenomen.

1.3. Naar aanleiding van een controle uitgevoerd met betrekking tot de handelingen van het jaar 1985 ondertekende geïntimeerde op 4 februari 1986 een correctieopgave waarbij hij zich akkoord verklaarde de som van … EUR (… BEF) aan BTW verschuldigd te zijn.

Geïntimeerde betaalde op 11 april en 6 juni 1986 telkenmale een bedrag van … EUR (… BEF).

1.4. Bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Turnhout uitgesproken op 14 januari 1987 werd geïntimeerde in staat van faillissement verklaard.

Het faillissement werd afgesloten bij vonnis van deze zelfde rechtbank van 22 maart 1994. Ter gelegenheid van de afsluiting van het faillissement werd aan de Ontvanger van de BTW te Turnhout een dividend van … EUR (… BEF) uitgekeerd, waarvan de som van … BEF als volgt werd aangerekend op de schuld gekend onder artikel met RCIV nr. … : … BEF op de kosten (die fot dit bedrag werden verminderd wegens onvermogen van de schuldenaar), … BEF en … BEF op de interesten, en het saldo ten bedrage van … BEF op de BTW. Aldus bleef nog verschuldigd : … BEF uit hoofde van BTW en … BEF als boete, te vermeerderen met de interesten vanaf 21 januari 1994.

Op 24 januari 1996 werd uitvoerend beslag onder derden gedaan bij de Ontvanger der directe belastingen te Antwerpen. Als gevolg van dit beslag werd een belastingtegoed ten bedrage van … BEF op de intresten van de schuldvordering van het BTW-Ontvangkantoor te Turnhout aangerekend.

Sinds maart 2000 betaalt de NV A. C. de BTW-schuld van geïntimeerde verder af met maandelijkse afkortingen van … EUR (… BEF).

1.5. Bij aangetekend schrijven van 30 januari 2002 betekende de BTW-Ontvanger te Turnhout een hernieuwde kennisgeving van dwangbevel. Uit deze kennisgeving blijkt dat de vordering van de BTW-Ontvanger te Turnhout per 30 januari 2002 nog de volgende sommen bedroeg :

a) BTW : … EUR

b) als verminderde geldboete : … EUR

c) als wettelijke interesten : … EUR

d) als moratoire interesten : … EUR

totaal : … EUR

1.6. Bij aangetekend schrijven van 18 juni 2001 diende geïntimeerde met betrekking tot de schuldvordering van het BTW­Ontvangkantoor te Turnhout (gekend onder het artikel met RCIV nr. …) een gemotiveerd verzoek in (i) tot vrijstelling van nalatigheidinteresten overeenkomstig artikel 84bis W.BTW en (ii) tot kwijtschelding van een BTW-boete in toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.

1.7. Bij brief van 7 februari 2002 liet de gewestelijke directeur van Antwerpen aan geïntimeerde weten dat de gewestelijke directeur van Hasselt had beslist :

- de boete van … EUR (… BEF) krrachtens artikel 9 van het regentbesluit van 18 maart 1831 kwijt te schelden, en,

- op grond van artikel 84bis van het BTW-wetboek, geen vrijstelling te verlenen van de verschuldigde interesten;

Bij brief van 13 september 2002 deelde de· Minister van Financiën aan de raadsman van geïntimeerde mede dat "Rekening houdend met de ernstige financiële moeilijkheden van uw cliënt en met de bereidheid tot afbetaling van de schuld wordt de geldboete van … Euro (of … BEF) van het RCIV-artikel … volledig kwijtgescholden.".

1.8. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 7 oktober 2002 vordert geïntimeerde de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke directeur van Antwerpen van 7 februari 2002 en de verlening van de vrijstelling van nalatigheidinteresten met betrekking tot de BTW-schuld gekend onder artikel RCIV nr. …, en dienvolgens dat appellante zou worden gelast de reeds betaalde interesten over te boeken voor aanzuivering van de verschuldigde BTW.

1.9. Het bestreden vonnis uitgesproken door de Eerste F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 9 januari 2004 oordeelt voor eerst dat de vordering tot vrijstelling van nalatigheidinteresten onmiskenbaar een geschil betreffende de individuele toepassing van een belastingwet betreft, waarvan de beoordelingsbevoegdheid niet expliciet is toegewezen aan de Raad van State, zodat de rechtbank bevoegd is en de vordering toelaatbaar is. De eerste rechter beslist verder dat geïntimeerde zich, gelet op de omvang van de nalatigheidinteresten, de actuele finaciële draagkracht van geïntimeerde, de ouderdom van de schuld die betrekking heeft op de periode van 1 januari 1982 tot 31 december 1984 en de omstandigheden waarin de schuld is ontstaan, in een bijzonder geval bedoeld in artikel 84bis W.BTW bevindt. Het bestreden vonnis verleent derhalve vrijstelling aan geïntimeerde voor alle in artikel 91, § 1 en 2, bedoelde nalatigheidinteresten met betrekking tot de BTW-schuld bekend onder RCIV nr. … en beveelt appellant de reeds betaalde interesten over te boeken voor aanzuivering van de verschuldigde BTW.

1.10. Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 februari 2004.

1.11.·In dit verzoekschrift en in de op 14 juni 2004 neergelegde besluiten voert appellant aan dat artikel 84bis W.BTW·aan de gewestelijke directeur een persoonlijke en exclusieve beslissingsbevoegdheid geeft en dat het Hof zich niet in de plaats van de gewestelijke directeur kan·stellen om vrijstelling van de nalatigheidinteresten toe te staan. Appellant besluit derhalve tot de vernietiging van het bestreden vonnis en de ongegrondheid van de oorspronkelijke vordering.

1.12. Geïntimeerde beaamt zijnerzijds in zijn op 29 maart 2004 neergelegde beroepsbesluiten de redengeving van het bestreden vonnis, doch wijst er tevens op dat de bestreden beslissing onwettig is wegens schending van de motiveringsplicht De gewestelijke directeur heeft immers zonder enige motivering geoordeeld dat geen vrijstelling van nalatigheidinteresten kan worden toegestaan. Bovendien, is de beslissing van 7 februari 2002 inzake het niet toestaan van deze vrijstelling strijdig met artikel 84bis W.BTW en met de eigen administratieve voorschriften. Een vrijstelling van nalatigheidinteresten moet, inderdaad, worden toegestaan ingeval de moeilijke financiële toestand van de belastingplichtige aan een oorzaak buiten zijn wil te wijten is. Een vrijstelling dient eveneens te worden verleend wanneer de financiële toestand van de belastingplichtige zo is dat hij, voor afzienbare tijd, niet in staat zal zijn afbetalingen te verrichten die nauwelijks toereikend zijn om de nalatigheidinteresten te betalen indien deze mochten blijven lopen. Tenslotte, verwijst geïntimeerde ook naar de beslissing van de gewestelijke directeur van 18 april 2001 inzake directe belastingen waarbij geoordeeld werd dat "rekening houdend met de bijzondere omstandigheden" wel vrijstelling van nalatigheidinteresten kan worden verleend. Geïntimeerde besluit derhalve tot bevestiging van het bestreden vonnis met veroordeling van appellant tot de kosten van het hoger beroep.

2. Ten aanzien van het recht :

2.1. Overwegende dat artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals aangevuld bij artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, de rechtbanken van eerste aanleg bevoegdheid geeft voor de beslechting "van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet"; Dat uit de samenlezing van artikel 569, eerste lid, 32°, met artikel 632 van het Gerechtelijk wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de reeds genoemde wet van 23 maart 1999, blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk een onderscheid maakt tussen een geschil met betrekking tot de inning van de belasting en een geschil "dat geen verband houdt met de inning van een belasting" en hiermee derhalve de meest ruime interpretatie aan het begrip ''bestreden beschikking" blijkt te willen geven; Dat een geschil dat betrekking heeft op de toepassing van een belastingwet aldus ook in de meest ruime zin zou moeten kunnen opgevat worden;

Overwegende dat de rechter evenwel slechts recht kan spreken wanneer hij hiertoe de macht heeft; Dat de grondwetgever de beslechting van geschillen waarbij subjectieve (zie VAN GERVEN, W., Algemeen deel, 1973, nr. 87 e.v.) of materiële (DE CORTE, R., "Hoe autonoom is het procesrecht ? Studie van enkele raakvlakken tussen het materieel recht en het gerechtelijk recht", T.P.R., 1980, (1), 2-3, nr. 5) rechten betrokken zijn, expliciet aan de hoven en rechtbanken heeft toevertrouwd, behoudens de bij wet gestelde uitzonderingen (artikelen 144 en 145 G.W.; artikel 556 Ger.W.) (zie o.m. LEMMENS, P., "Le contentieux administratif : fondements et développements", in Le citoyen face à l 'administration, Luik, 1990, (19), 29-44, nr. 8-19); Dat uit het voorgaande volgt dat de overheidsrechter zich slechts bevoegd kan verklaren, wanneer de beslechting van het geschil aan de rechterlijke macht waartoe hij behoort, werd toevertrouwd;

Overwegende dat krachtens het artikel 8 van het Gerechtelijk Wetboek, de bevoegdheid de macht is van de rechter om kennis te nemen van een vordering die voor hem wordt gebracht; Dat krachtens het artikel 144 van de Grondwet geschillen over burgerlijke subjectieve rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van ·de rechtbanken behoren;

Dat appellant in limine litis aanvoert dat de belastingplichtige in artikel 84bis W.BTW geen subjectief recht kan putten om te worden vrijgesteld van zijn wettelijke verplichting om nalatigheidinteresten te betalen; Dat bijgevolg vooreerst dient te worden onderzocht of een gewone rechter op grond van artikel 84bis W.BTW rechtsmacht bezit om zelf de gevraagde vrijstelling toe te kennen, in zoverre de bevoegde gewestelijke directeur dergelijk verzoek zou hebben afgewezen;

Overwegende dat luidens artikel 84bis W.BTW de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen vrijstelling mag verlenen voor alle in artikel 91, §§ 1 en 2, bedoelde interesten of voor een deel ervan; Dat door de administratie aldus van nalatigheidinteresten zal worden afgezien ingeval de moeilijke financiële toestand van de belastingplichtige aan een oorzaak buiten zijn wil te wijten is of wanneer· zijn financiële toestand zo is dat hij, voor afzienbare tijd, niet in staat zal zijn afbetalingen te verrichten die nauwelijks toereikend zijn om de nalatigheidinteresten te betalen indien deze mochten blijven lopen (Com. W.BTW, nr. 84bis/16);

Overwegende dat de beslissing van de gewestelijke directeur, genomen naar aanleiding van het verzoek van de belastingplichtige om vrijstelling van nalatigheidinteresten te bekomen op grond van artikel 84bis W.BTW, geen jurisdictionele beslissing is doch wel tot de vrijwillige rechtspraak behoort; Dat de belastingplichtige, na de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, de betwisting echter wel aan de gewone rechter mag voorleggen om de directoriale beslissing te doen vernietigen indien hij oordeelt dat ze om juridisch onjuiste motieven werd getroffen of om redenen die wettelijk niet mochten in beschouwing worden genomen of nog met machtsoverschrijding; Dat de gewone rechter evenwel niet de plaats van de gewestelijke directeur zou mogen innemen om de beoordelingsmacht te beoefenen die de wet aan de gewestelijke directeur toekomt en om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de belastingplichtige zou kunnen bevrijden van de verplichtingen, die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid;

2.2. Overwegende dat geïntimeerde echter nog vraagt dat de afwijzing van zijn verzoek tot vrijstelling van betaling van nalatigheidinteresten aan artikel 6 E.V.R.M. zou worden getoetst; Dat deze toetsing of "controle met volle rechtsmacht" evenwel slechts mogelijk zou zijn in zoverre de wettelijke verplichting om nalatigheidinteresten te betalen een strafrechtelijk karakter zou hebben; Dat de belastingplichtige enkel in dit geval op grond van artikel 6 E.V.R.M. recht heeft op een rechter die met volle rechtsmacht over de opgelegde sanctie kan oordelen (E.H.R.M., 4 maart 2004, Silvester's Horeca Service, F.J.F., 2004, 528; zie voor een bespreking X., België veroordeeld wegens rechtspraak BTW­boeten, Fiskoloog, 2004, nr. 928, 1-2);

Overwegende dat interesten op grond van artikel 91, § 1, W.BTW van rechtswege verschuldigd zijn en de vergoeding uitmaken wegens de vertraging in de betaling van een schuld; Dat de belastingplichtige door later te betalen immers langere tijd de beschikking heeft over gelden die eigenlijk reeds aan de Schatkist toebehoren; Dat deze interesten aldus niet tot doel hebben de inbreuken begaan door alle belastingplichtigen, zonder enig onderscheid, die de bij dat Wetboek opgelegde verplichtingen niet naleven, te voorkomen en te bestraffen; Dat zij derhalve geen repressief karakter hebben en niet van strafrechtelijk aard zijn in de zin van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens; Dat het aan de rechter bijgevolg niet behoort na te gaan of deze interesten het evenredigheidsbeginsel schenden, temeer de opgelopen vervallen interesten uitsluitend het gevolg zijn van de nalatigheid van geïntimeerde om zijn belastingschuld tijdig te vereffenen; Dat het bestreden vonnis derhalve dient te worden vernietigd, gezien de eerste rechter niet vermocht zelf vrijstelling te verlenen voor de in artikel 91, §§ 1 en 2, W.BTW bedoelde interesten en evenmin te bevelen de reeds betaalde interesten over te boeken voor aanzuivering van de verschuldigde BTW;

2.3. Overwegende dat het wettigheidtoezicht van de bestreden beslissing echter wel inhoudt dat nader dient te worden onderzocht of de directoriale beslissing zoals iedere administratieve akte gebaseerd is op wettelijk gerechtvaardigde en toelaatbare motieven die moeten blijven uit de beslissing zelf of uit het administratief dossier;

Dat, krachtens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van bepaalde besturen, de bestuurshandelingen van bepaalde besturen moeten worden gemotiveerd; Dat, krachtens artikel 3 van diezelfde wet, de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en afdoende moet zijn; Dat met de uitdrukking·"afdoende" bedoeld wordt dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen; Dat het aan de feitenrechter staat te oordelen of de motivering afdoende is, zonder hierbij het wettelijk begrip van de motiveringsplicht van de overheid te schenden;

Overwegende dat de Raad van State met betrekking tot de draagwijdte van de formele motiveringsplicht een onderscheid maakt tussen een gebonden en een discretionaire bevoegdheid (R.v.St., 30 juni 1993, R.W., 1994-95, p. 567); Dat, wanneer het bestuur niets anders doet dan de betrokken regelgeving toepassen (gebonden bevoegdheid), een verwijzing naar de toegepaste wet en een algemene overweging volgens de Raad van State allicht kan volstaan om te voldoen aan het vereiste in artikel 2 van de wet van 29 juli 1991, zoals blijkt uit de commentaren verstrekt tijdens de parlementaire voorbereiding van die wet (Gedr.St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 215/3, blz. 14 en 17); Dat met de afwijzing van het verzoek op grond van artikel 84bis W.BTW tot vrijstelling van de betaling van nalatigheidinteresten door de gewestelijke directeur geen gebonden bevoegdheid wordt uitgeoefend, doch een duidelijke discretionaire beslissing wordt genomen, waarbij het bestuur gebruik maakt van zijn beleidsvrijheid; Dat dergelijke beslissing wil zij "afdoende" gemotiveerd zijn, uitdrukkelijk en nauwkeurig de precieze, concrete gegevens moet vermelden die de beslissing verantwoorden; Dat in de beslissing·derhalve dient te worden aangegeven om welke concrete redenen de vrijstelling niet wordt toegekend; Dat de loutere afwijzing van het verzoek, zoals in casu, geen voldoende motivering is; Dat de bestreden beslissing van de gewestelijke directeur van Antwerpen van 7 februari 2002 derhalve onwettig is bij gebrek aan enige motivering van de afwijzing van het verzoek tot vrijstelling van betaling van de nalatigheidinteresten en bijgevolg dient te worden vernietigd;

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en zoals hierna bepaald gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de vordering toelaatbaar verklaart en appellant veroordeelt tot de kosten van het geding in eerste aanleg;

Doet het bestreden vonnis voor het overige teniet, en opnieuw recht doende,

Verklaart de vordering deels gegrond;

Doet de bestreden directoriale beslissing genomen door de gewestelijke directeur, directie Antwerpen, op 7 februari 2002 teniet, voor zover deze beslissing betrekking heeft op het niet verlenen van vrijstelling van nalatigheidinteresten;

Wijst het anders of meergevorderde als ongegrond af;

Slaat de kosten in hoger beroep tussen partijen om.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van NEGENENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZENDENVIJF,

waar aanwezig waren :

R. T., Voorzitter,

D. W. en

S. B., Raadsheren,

A. V. L., Griffier.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover Raadsheer M. V. D. B., mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt deze magistraat, wettig verhinderd zijnde, vervangen door Raadsheer D. W. hiertoe aangewezen, overeenkomstig artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, bij beschikking van de heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep te Antwerpen in datum van 29 november 2005.

A.V. L. S. B. D. W. R. T.

Textes cités

1
CTVA art. 84bis1 occurrence

Décisions similaires

8