Paiement de l'impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 5 mars 2013

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-tribunal-gand-2013-03-05-e3ce

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
5 mars 2013

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

89 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 05.03.2013

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 5 MAART 2013

Rolnummer AR 10/4515/A

In de zaak van :

K.-S. BVBA, met zetel te …, …, met ondernemingsnummer …;

eiseres,

vertegenwoordigd door Mter J. L., advocaat, met kantoor te …, …;

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, waarvan de burelen gevestigd zijn te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat nr. 4 bus 2;

verweerder,

voor wie optreedt mevr. N. V., e.a. verificateur en mevr. F. D. R., e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. De rechtspleging

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 5 februari 2013 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift d.d. 31 december 2010 en de laatste (regelmatig neergelegde) conclusies van de partijen (artikelen 747, § 2 en 748bis Ger. W.

2. De vordering

De eiseres verhaalt zich tegen het op 17 augustus 2010 lastens haar uitgevaardigde dwangbevel door mevrouw V. V., e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, op 23 augustus 2010 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, te Antwerpen. Dit dwangbevel werd aan de eiseres betekend bij aangetekend brief van 30 september 2010.

De eiseres vraagt de rechtbank om het bestreden dwangbevel teniet te doen en te zeggen voor recht dat de eiseres is ontheven van de in het dwangbevel opgenomen BTW, geldboete en intresten. De eiseres vordert tevens de veroordeling van de verweerder tot de gerechtskosten, aan de zijde van de eiseres bestaande uit de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 2.750,00 EUR.

3. De relevante feiten en het geschil

3.1.

De eiseres, de BVBA K.-Systems is sedert 1 mei 2005 voor BTW-doeleinden geregistreerd onder het nummer BE … voor de activiteit van vervaardiging van machines en werktuigen voor de land- en bosbouw.

De eiseres is producent van hagelkanonnen; dit zijn drukgolfgeneratoren die energierijke schokgolven naar buiten brengen, die onweerswolken en de vorming van hagelstenen tegengaan. Deze kanonnen worden gebruikt in de fruitteelt om te verhinderen dat een kortstondige hagelbui het fruit vernielt.

3.2.

Mevrouw V., fiscaal deskundige verbonden aan het BTW­controlekantoor Temse, nam op 11 februari 2010 contact op met het boekhoudkantoor van de eiseres, namelijk de CVBA V. H. & Partners, met het oog op een controle van de boekhouding naar aanleiding van de aanvraag tot teruggave van de BTW uit het vierde kwartaal 2009. Op 19 februari 2010 vond een fiscale controle plaats met betrekking tot het eerste kwartaal 2008 tot en met het vierde kwartaal 2009. Er werden in vijf inbreuken op de BTW-wetgeving vastgesteld, voor in totaal 47.446,90 EUR aan BTW.

Er werd tussen de partijen omtrent deze inbreuken geen minnelijke regeling bereikt.

Vervolgens werden de inbreuken opgenomen in het proces-verbaal van 22 maart 2010. De verschuldigde bedragen, namelijk 47.446,90 EUR BTW, 9.230,00 EUR boete en de intresten vanaf 21 januari 2010, werden ingevorderd onder het RCIV-nummer ….

Op 17 augustus 2010 wordt door de raadsman van de eiseres bezwaar ingediend tegen de vordering. De eiseres heeft zich bij dit bezwaar enkel verzet tegen de gevorderde BTW ten bedrage van 33.600 EUR, die volgens de administratie verschuldigd is voor de levering van vier anti-hagelmachines aan de BVBA S..

Bij brief d.d. 30 september 2010 werd het bezwaar door de administratie afgewezen. Per aangetekende brief d.d. 30 september 2010 heeft de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Sint-Niklaas aan de eiseres een dwangbevel overgemaakt.

De eiseres heeft op 31 december 2010 het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie en het geschil aan deze rechtbank voorgelegd.

4. Beoordeling

4.1. Voorafgaandelijk : weren van conclusies

4.1.1.

De verweerder heeft op de openbare terechtzitting van 5 februari 2013 de rechtbank verzocht de syntheseconclusie voor de eiseres, ter griffie neergelegd op 28 december 2012, uit de debatten te weren omdat deze syntheseconclusie werd neergelegd na de conclusietermijnen overeenkomstig het gezamenlijk verzoek van de beide partijen tot de vaststelling van de rechtsdag overeenkomstig artikel 747, § 2 Ger. W.

4.1.2.

Krachtens artikel 747, § 2, lid Ger. W. worden de conclusies, neergelegd na het verstrijken van de termijnen uit de debatten geweerd.

4.1.3.

De rechtbank stelt vast dat overeenkomstig de beschikking d.d. 9 november 2011, de eiseres haar laatste conclusie kon neerleggen op uiterlijk 30 september 2012.

De syntheseconclusie voor de eiseres werd ter griffie werd neergelegd op 28 december 2012, zijnde na 30 september 2012, dient in toepassing van artikel 747, § 2, 6de lid Ger. W. uit de debatten te worden geweerd.

4.2. Beoordeling ten gronde

4.2.1.

Volgens de eiseres betreft de in de boekhouding van de BVBA S. aangetroffen factuur van de anti-hagelkanonnen uitgaande van de eiseres, slechts een pro forma factuur die kadert in het verkrijgen van een krediet van een bankinstelling.

Eiseres stelt dat de anti-hagelkanonnen niet door haar aan de BVBA S. werd geleverd, maar wel door haar buitenlandse zuster­vennootschap C.-Systems BV met zetel in NL - … (NL …). Het bewijs daarvan blijkt volgens de eiseres uit de factuur en voorgelegde vervoersdocumenten.

De eiseres voert aan dat de administratie zich steunt op het bewijs door vermoedens, doch daarbij het feitelijke gegeven negeert dat door de BVBA S. nooit een recht op aftrek werd uitgeoefend met betrekking tot de 'pro forma' factuur.

4.2.2.

Artikel 51, § 1, 3° W.BTW stelt dat diegene die BTW vermeldt op een factuur er ook de schuldenaar van wordt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.

4.2.3.

De administratie verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ, 18 juni 2009, zaak C-566/07, http://curia.europa.eu. ).

Het Hof oordeelde in deze zaak omtrent de problematiek van de opgestelde factuur en (eventueel zonder) de belastbare handeling, als volgt :

"26. Daarnaast moet worden benadrukt dat artikel 21, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn bepaalt dat eenieder die op een factuur of een als zodanig dienstdoend document BTW vermeldt, die belasting verschuldigd is. Meer bepaald is deze persoon de op een factuur vermelde BTW verschuldigd ongeacht of BTW verschuldigd is op grond van een aan BTW onderworpen handeling (zie in die zin arresten van 13 december 1989, Genius, C-342/87, Jurispr. blz. 4227, punt 19; 19 september 2000, Schmeink & Cofreth en Strobel, C-454/98, Jurispr. blz. I-6973, punt 53, en 15 maart 2007, Reemtsma Cigarettenfabriken, C-35/05, Jurispr. blz. I-2425, punt 23).

27. Anders dan het geval is bij een belastingschuld die eventueel op grond van een aan BTW onderworpen handeling ontstaat, is bijgevolg de plaats van verrichting van de diensten die aan de oorsprong liggen van een factuur, niet relevant voor het ontstaan van de belastingschuld als voorzien in artikel 21, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn, die enkel verschuldigd is vanwege de vermelding van de BTW op die factuur.

28. Door te bepalen dat de op de factuur vermelde BTW verschuldigd is ongeacht of BTW moet worden voldaan op grond van een aan BTW onderworpen handeling, beoogt artikel 21, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn het gevaar uit te schakelen dat als gevolg van het in artikel 17 van de Zesde richtlijn voorziene recht op aftrek belastinginkomsten verloren gaan (zie in die zin arrest Schmeink & Cofreth en Strobel, reeds aangehaald, punten 57 en 61; arrest van 6 november 2003, Karageorgou e.a., C-78/02-C-80/02, Jurispr. blz. I-13295, punten 50 en 53, en arrest Reemtsma Cigarettenfabriken, reeds aangehaald, punt 23).

29. Ook al bestaat dit recht op aftrek enkel voor belastingen die verband houden met een aan BTW onderworpen handeling (zie arrest Genius, reeds aangehaald, punt 13), is het gevaar voor verlies van belastinginkomsten in beginsel immers niet geheel uitgeschakeld zolang de ontvanger van een factuur waarop ten onrechte BTW is vermeld, deze overeenkomstig artikel 18, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn nog voor de uitoefening van dat recht kan gebruiken (zie in die zin arrest Schmeink & Cofreth en Strobel, reeds aangehaald, punt 57).

30. Ingevolge deze bepaling kan een belastingplichtige, wanneer hij in het bezit is van een overeenkomstig artikel 22, lid 3, van die richtlijn opgestelde factuur, bij de belastingadministratie zijn recht op BTW-aftrek doen gelden. Zoals de Nederlandse en de Duitse regering hebben opgemerkt, kan echter niet worden uitgesloten dat complexe omstandigheden en rechtsbetrekkingen eraan in de weg staan dat de belastingadministratie tijdig vaststelt dat andere overwegingen zich tegen de uitoefening van het recht op aftrek verzetten.

31. Aangezien het risico op verlies van belastinginkomsten dat de uitoefening van het recht op aftrek van de ontvanger van de factuur kan meebrengen, wordt gedragen door de lidstaat waarvan de BTW op de betrokken factuur vermeld staat, wordt de BTW op grond van artikel 21, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn in die lidstaat verschuldigd.

32. Het staat aan de verwijzende rechter om met inachtneming van alle relevante omstandigheden na te gaan, aan welke lidstaat de op de betrokken factuur vermelde BTW verschuldigd wordt. Daarbij kunnen met name relevant zijn het vermelde tarief, de munteenheid waarin het te betalen bedrag is uitgedrukt, de taal waarin de factuur is opgesteld, de inhoud en de context van de betrokken factuur, de vestigingsplaatsen van de opsteller van die factuur en van de ontvanger van de verrichte diensten, alsook het gedrag van deze beiden.

33. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 21, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de BTW uit hoofde van die bepaling verschuldigd wordt in de lidstaat waarvan de BTW op de factuur of een als zodanig dienstdoend document vermeld staat, ook wanneer de betrokken handeling in die lidstaat niet belastbaar was. Het staat aan de verwijzende rechter om met inachtneming van alle relevante omstandigheden na te gaan, van welke lidstaat de BTW op de betrokken factuur vermeld staat. Daarbij kunnen met name relevant zijn het vermelde tarief, de munteenheid waarin het te betalen bedrag is uitgedrukt, de taal waarin de factuur is opgesteld, de inhoud en de context van de betrokken factuur, de vestigingsplaatsen van de opsteller van die factuur en van de ontvanger van de verrichte diensten, alsook het gedrag van deze beiden.

“

Deze rechtspraak deed zich voor in een andere concrete context, doch bevestigt artikel 51, § 1, 3° W.BTW en stelt evenmin een recht op aftrek als voorwaarde voor de vordering van de op de factuur vermelde BTW.

In het voormelde arrest wordt deze regeling concreet gemotiveerd door het vermijden van een onterechte uitoefening van een recht op aftrek, en een vereiste afweging, door de rechter, van de concrete elementen van elke dossier.

Wat betreft de concrete omstandigheden van het geschil, worden de volgende vaststellingen en overwegingen gemaakt.

4.2.4.

De betrokken factuur van de eiseres aan de BVBA S. vermeldt niet dat het een 'pro forma' factuur zou zijn. De factuur bevat de handgeschreven vermelding "voor éénsluidend verklaard afschrift van de originele factuur".

De noodzaak van het verkrijgen van een krediet door de BVBA S. met het oog op de aankoop van de goederen bij de Nederlandse vennootschap BV C.-SYSTEMS, verschaft geen redelijke motivering voor de tussenkomst van de eiseres, noch voor het opstellen door de eiseres van een 'pro forma' factuur. Het relaas van de eiseres is niet verzoenbaar met het concrete feit dat de factuur werd opgesteld.

De eiseres verklaart dat het door BVBA S. verkregen krediet gestort werd op de bankrekening van de eiseres. Bij de overschrijving van de krediet verschaffende bankinstelling werd het factuurnummer vermeld. Deze feitelijk gegevens wijzen uit dat de factuur wel degelijk als een normale factuur werd opgesteld en gebruikt. De factuur werd opgenomen in de boekhouding van de BVBA S..

De eiseres legt een uittreksel voor van een bankrekening van de BV C.­Systems waaruit moet blijken dat de betaling (vanwege de bank) werd doorgestort door haar aan de BV C.-Systems. Dit overzicht vermeldt meerdere betalingen van diverse bedragen, doch zonder enige mededeling van de reden en zonder dat de totale prijs van 160.000 EUR wordt bereikt.

De voorgelegde afschriften van vervoerdocumenten (CMR's) werden tweemaal ondertekend door dezelfde persoon wiens naam niet wordt vermeld. Er staat geen datum van vervoer (wel van levering) op vermeld, noch wie de vervoerder is. Deze documenten betreffen geen verifieerbare stukken en kunnen eenzijdig opgesteld zijn.

Door de Nederlandse BV C.-Systems werd de levering pas in haar intracommunautaire opgave opgenomen, nadat de Nederlandse fiscus haar vragen had gesteld omtrent deze transactie.

De heer V. P. is zowel zaakvoerder van de eiseres, namelijk de BVBA K. Systems, als van de Nederlandse BV C.-Systems.

Door de administratie werd informatie ingewonnen bij de zaakvoerder van de BVBA S.. Hiervan werd een proces-verbaal van vaststelling opgemaakt dat werd bijgebracht. De zaakvoerder van de BVBA S., de heer F. E., bleek niet volledig op de hoogte te zijn van deze transactie. Op 17 februari 2010 heeft deze heer E. verklaard dat de heer V. P., die een vriend van hem is, hem een voorstel had gedaan om machines van hem te kopen en deze weer aan hem verder te verhuren met winst. Waar de machines zich bevonden en hoe ze daar terecht zijn gekomen, verklaarde de heer E. niet precies te weten. Hij zei te denken dat ze alle in Nederland stonden, maar verklaarde eigenlijk met de heer V. P. te moeten overleggen om hierover de correcte inlichtingen te kunnen verschaffen.

De heer E. heeft op geen enkele wijze aangegeven dat hij of zijn BVBA S. het vervoer van de anti-hagelkanonnen vanuit Nederland zou hebben verricht op 12 en 19 november 2008 of dat deze door de BV C.­Systems op die dagen naar zijn adres zouden zijn gebracht.

In deze concrete omstandigheden werd door de administratie correct toepassing gemaakt van artikel 51, § 1, 3° W.BTW. en is de vordering van de eiseres niet gegrond.

4.3. Met betrekking tot de gerechtskosten

De eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162, 4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

Aangezien de Belgische Staat niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, is evenmin een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt : 0 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op vijf maart tweeduizend dertien, waar aanwezig waren :

de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. S. R.

Textes cités

9

Décisions similaires

8