Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 15 mars 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-disposition-penale-amende-tribunal-bruxelles-2002-03-15-42a2

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
15 mars 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

89 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 15.03.2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel, 33ste Kamer

AR 96/7968/A/

Fiscaal geschil - Douane en Accijnzen

Eindvonnis in eerste aanleg en op tegenspraak

Inzake van :

De BV A. N., voorheen D. A. N. BV, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel aan de … te …, … en ingeschreven bij de Kamer van koophandel te Rotterdam onder het nummer …,

eiseres,

vertegenwoordigd door Mr. A. V. H. in eigen naam en loco Mr. J. S., advocaten, met kantoor te …, ….

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur van het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kantersteen 47,

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. V. H. loco Mr. N. D. advocaat met kantoor te …, …

In deze zaak in beraad genomen op 22 februari 2002, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

- het exploot van dagvaarding van gerechtsdeurwaarder H. C. te …, houdende verzet tegen dwangbevel, betekend op 19 juni 1996, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

- de beschikking "art. 750, § 2 Ger. W." van deze rechtbank van 5 oktober 2001,

- de besluiten, aanvullende en tweede aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 10 juni 1998, op 26 maart 1999 en op 13 december 2001;

- de besluiten en aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 10 december 1998 en op 3 december 2001.

Verweerder vraagt de wering van de laattijdig neergelegde aanvullende besluiten van eiseres niet.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 22 februari 2002, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

ll. FEITEN EN RETROACTEN

Op 19 november 1989 (een zondag) werden door de BV A. N. (voorheen BV D. A. N.), huidige eiseres, goederen vanuit Nederland in België ingevoerd, volgens de BV A. N. met het oog op het inrichten van een stand op de vakbeurs Aqua-Expo 89, die op maandag 20 november 1989 een aanvang nam.

Aan de Nederlands-Belgische grens bood de BV A. N. zich aan het douanekantoor aan, maar verklaarden de douaneambtenaren dat zij 's zondags hun medewerking niet konden verlenen, maar dat zij dat de daaropvolgende dag zouden doen, en vroegen zij de BV A. N. terug te keren naar Nederland.

Deze laatste ging daar evenwel niet op in en reed door zonder dat de douaneformaliteiten vervuld waren.

Volgens de Belgische Staat, huidig verweerder, ging het om een sluikinvoer.

Op 2 augustus 1990 schreef de hoofdcontroleur een brief aan de BV A. N., waarin hij erkende dat, aangezien het een zondag was, de goederen op 19 november 1989 niet konden worden ingeklaard, en waarin bij vroeg waarom toch werd doorgereden niettegenstaande het bevel terug te rijden.

Op 17 augustus 1990 en 3 oktober 1990 antwoordde de BV A. N. dat het niet ging om handelsgoederen maar wel om tentoonstellingsmateriaal, dat na afloop van de beurs onmiddellijk terug naar Nederland was uitgevoerd.

Op 21 november 1990 stuurde de gewestelijke directeur van Antwerpen aan op een afhandeling op administratieve wijze, waarop de BV A. N. op 12 december 1990 antwoordde dat zij daarop niet kon ingaan.

Op 16 september 1991 stuurde de inspecteur der douane nogmaals aan op een minnelijke regeling.

Op 13 december 1991 zette de BV A. N. nogmaals uiteen waarom zij niet kon ingaan op dit voorstel tot minnelijke regeling.

Op 29 mei 1992 werd door de administratie der douane en accijnzen te Meer proces-verbaal opgemaakt van de beweerde overtreding.

Deze beweerde overtreding werd overgenomen in het proces-verbaal van 20 mei 1994 opgesteld door de heer D. P., controleur verbonden aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen.

In dit proces-verbaal werden de volgende bedragen lastens de BV A. N. gevorderd :

- als BTW : 2.540,56 euro (102.486 BEF);

- als boeten op grond van art 70, § 1 W.BTW en krachtens tabel A, tweede afdeling, punt VII, 3° van het KB nr. 41 : 2.528,51 euro (102.000 BEF), te verhogen met 50 % in geval van kennisgeving of betekening van een dwangbevel;

- als interesten bedoeld in art. 91, § 1, 1° W.BTW : 0,80 % per maand te rekenen op de verschuldigde BTW vanaf 20 november 1989.

Met betrekking tot de in het proces-verbaal van 20 mei 1994 verschuldigde bedragen werd op 26 september 1994 een dwangbevel uitgevaardigd.

Naast de in het proces-verbaal opgenomen bedragen werden in het dwangbevel tevens gevorderd :

- de interesten bepaald in art. 91, § 4 W.BTW, te berekenen op de verschuldigde boete vanaf de betekening van het dwangbevel;

- de vervolgingskosten.

Op 7 oktober 1994 werd het dwangbevel betekend aan de BV A. N..

Op 19 oktober 1994 tekende de BV A. N. bij exploot verzet aan tegen het dwangbevel, en werd de administratie gedagvaard voor de beslagrechter bij deze rechtbank.

Bij vonnis van 16 april 1996 verklaarde de beslagrechter zich onbevoegd om uitspraak te doen over het al of niet verschuldigd zijn van de belasting, en werd het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk, doch ongegrond verklaard.

Op 19 juni 1996 ging de BV A. N. over tot betekening van een exploot houdende verzet tegen dit dwangbevel bij deze rechtbank.

III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseres vraagt haar verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens

- in hoofdorde -

- te zeggen dat de aanspraken van verweerder inzake achterstallige BTW, interesten, boetes en aankleven onverschuldigd zijn;

- bijgevolg aan verweerder te bevelen iedere verdere tenuitvoerlegging van het dwangbevel stop te zetten en dit zonder verder voorwerp te verklaren, minstens op te schorten;

- in ondergeschikte orde - : te zeggen voor recht dat zij hoogstens kan worden bestraft met een geldboete variërend tussen 24,79 euro (1.000 BEF) en 247,89 euro (10.000 BEF)

Verweerder vraagt de vordering van eisers ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

B. BEOORDELING

B.1. Wat de vordering van eiseres in hoofdorde betreft

Eiseres stelt dat verweerder zijn stelling dat zij is overgegaan tot een sluitinvoer, baseert op art. 51 (oud) W.BTW en op de in dat kader genomen uitvoeringsbesluiten, meer bepaald de artikelen 1 en 2 van het KB nr. 7 (oud) en het MB nr. 18 (oud).

Volgens eisers ziet verweerder evenwel over het hoofd dat art. 25, § 1 van het KB. nr. 7 (oud) een vrijstelling bepaalde voor de tijdelijke invoer van goederen afkomstig van een andere lidstaat van de EEG. Naar het oordeel van eiseres beantwoordden de litigieuze goederen aan alle in deze bepaling gestelde voorwaarden.

In deze omstandigheden diende volgens haar, zowel in het kader van de tijdelijke invoer in België, als in het kader van de kort daarop volgende wederuitvoer naar Nederland, geen toepassing te worden gemaakt van de Opgave Benelux 50 betreffende de intra-Beneluxhandel, waarvan sprake in het MB nr. 18 (oud). In punt B.1 van Bijlage 3 aan dit MB wordt immers uitdrukkelijk bepaald dat het gebruik van de opgave geen toepassing vindt wanneer het gaat om goederen die tijdelijk worden ingevoerd met vrijstelling van BTW.

Nu zij zich, naar haar oordeel, niet bezondigd heeft aan sluikinvoer aangezien zij er niet toe gehouden was de door verweerder ten onrechte opgeëiste Opgave Benelux 50 in te dienen, meent eiseres dat haar verzet gegrond dient te worden verklaard.

Nochtans dient de rechtbank vast te stellen dat eiseres zich wel degelijk heeft schuldig gemaakt aan sluikinvoer, d.w.z. een invoer in België zonder dat de douaneformaliteiten werden nageleefd.

Ten onrechte houdt eiseres voor dat de Belgische douaneambtenaren blijk hebben gegeven van onwil om de goederen in te klaren.

Uit het MB van 14 april 1977 betreffende de invoer en de uitvoer over de Belgisch-Nederlandse grens, genomen in uitvoering van art. 1 van het KB nr. 7 en van art. 2 van het KB nr. 18, die zelf werden genomen in uitvoering van o.m. art. 51 W.BTW, blijkt dat de openingsdagen en -uren, waarop de goederen op een douanekantoor voor inklaring moeten of kunnen worden aangeboden, wettelijk zijn vastgelegd. Tevens blijkt daaruit dat inklaring op het kantoor, waar eiseres zich op zondag 19 november 1989 heeft aangeboden. op dat ogenblik niet mogelijk was.

Bovendien blijft eiseres in gebreke aan te tonen dat bij de wederuitvoer van de goederen naar Nederland de douaneformaliteiten werden vervuld. Maar zelfs indien dit op een voldoende wijze zou zijn aangetoond, kan dit de onregelmatige invoer niet ongedaan maken.

Ten slotte beroept eiseres zich ten onrechte op de vrijstelling bij tijdelijke invoer. Dergelijke vrij stelling is immers afhankelijk van het vervullen van de in artikel 2bis, § 1, lid 3 en § 3 van het KB nr. 7, enerzijds, en in de artikelen 1, 2 en 4 van het MB van 14 april 1977, anderzijds, bepaalde formaliteiten, en het zijn juist deze formaliteiten die eiseres in casu niet is nagekomen.

Derhalve dient de vordering van eiseres, zoals geformuleerd m hoofdorde, te worden afgewezen.

B.2. Wat de vordering van eiseres in subsidiaire orde betreft

Indien de rechtbank zou oordelen dat zij toch een Opgave Benelux 50 had dienen in te dienen, stelt eiseres dat het niet naleven van deze formaliteit wettelijk niet kan worden bestraft met een weigering van de BTW-vrijstelling op grond van tijdelijke invoer. De enige mogelijke sanctie bestaat naar haar oordeel in het opleggen van een boete. Derhalve meent eiseres dat verweerders aanspraak op vermeend achterstallige BTW aan een bedrag van 2.540,56 euro (102.486 BEF) en op moratoire interesten desbetreffend in alle opzichten ongegrond dient te worden verklaard.

Eiseres meent dat de door verweerder ingeroepen bepaling, nl. art. 70, § 1 (oud) W BTW niet kan worden toegepast omdat de aldaar voorziene boete enkel geldt "voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen". Ter zake meent zij dat zij geen enkele verplichting had de BTW te voldoen aangezien er op grond van het regime van de tijdelijke invoer een vrijstelling van BTW gold.

Derhalve meent zij dat haar hoogstens een boete kan worden opgelegd in uitvoering van art. 70, § 4 (oud) W.BTW (van 24,79 euro (1.000 BEF) tot 247,89 euro (10.000 BEF)).

Nu de rechtbank hiervoor onder B.1. tot het besluit kwam dat de BTW-vrijstelling op grond van tijdelijke invoer in casu niet kon worden genoten, was de BTW wel degelijk verschuldigd, en was krachtens art 70, § 1 W.BTW. een boete verschuldigd.

Deze boete is voor iedere verplichting de belasting te voldoen gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. In casu werd de boete oorspronkelijk tot de helft herleid, en werd zij bij de betekening van het dwangbevel verhoogd met 50 % conform art. 2, van het KB nr. 41.

Derhalve werd de boete overeenkomstig de wettelijke bepalingen berekend, en dient ook de vordering van eiseres, zoals geformuleerd in subsidiaire orde, te worden afgewezen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van de BV A. N. ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt de BV A. N. tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat op 327,22 euro rechtsplegingsvergoeding, en ten aanzien van haarzelf op 479,50 euro (327,22 euro rechtsplegingsvergoeding + 152,28 euro dagvaardingskosten en rolstelling).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 15 maart 2002.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer V., alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw V., adjunct-griffier.

V. V.

Textes cités

6
AR no 7 art. 12 occurrences
AR no 18 art. 21 occurrence
AR no 41 art. 21 occurrence
AR no 7 art. 21 occurrence
AR no 7 art. 251 occurrence
AR no 7 art. 2bis1 occurrence