Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 25 février 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-importation-operation-intracommunautaire-tribunal-hasselt-2009-02-25-f08b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
25 février 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

72 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 25.02.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE A.R. nr. 02/2169/A

E. A., wonende te …, ….

eiser

vertegenwoordigd door mr. S. C. loco mr. S. H., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder

vertegenwoordigd door mr. D. D. loco mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het exploot van gerechtsdeurwaarder D. V. te … van 18.10.2002 waarbij verzet werd aangetekend tegen het dwangbevel uitgevaardigd door F. H., e.a. inspecteur a.i. van het eerste ontvangkantoor van de BTW te Hasselt op 03.04.2000, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 06.04.2000 door F. S., e.a. inspecteur van het eerste controlekantoor van de BTW te Beringen aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt;

- de conclusies, synthesebesluiten, tweede syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van eiser.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiser is geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) met als economische activiteit van groothandelaar in computer en aanverwanten en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Na voorafgaande verwittiging heeft F. S., e.a. inspecteur a.i. bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen op 16.03.1999 een controle doorgevoerd teneinde de toepassing van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten na te gaan met betrekking tot de periode vanaf 01.01.1995 tot en met 31.12.1998.

De controle behelsde onder meer uitgaande handelingen van eiser, meer bepaald verkopen aan SA O. S. gevestigd in het …. Eiser paste op deze verkopen de vrijstelling van de Belgische BTW wegens intracommunautaire leveringen toe (art. 39 bis W.BTW).

Bij de controle stelde de administratie dat de voorwaarden tot het bekomen van voornoemde vrijstelling niet waren voldaan, en meer bepaald dat het bewijs van de echtheid van het vervoer of de verzending niet werd geleverd.

Deze vaststellingen leidden tot een proces-verbaal van 29.02.2000 waarin gesteld werd dat eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- … BEF (thans … euro) BTW;

- … BEF (thans … euro) geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW verminderd en afgerond overeenkomstig art. 1 van KB nr. 41 van 30.01.1987 (tabel G, afdeling 1, rubriek VII);

- wettelijke intresten overeenkomstig artikel 91, § 1 van het W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.1999 over de som van … BEF (thans … euro) (zie stuk 1, bundel verweerder).

Op 03.04.2000 werd lastens eiser een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 29.02.2000. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 06.04.2000 (zie stuk 2, bundel verweerder). Bij exploot van gerechtsdeurwaarder P. W. van 29.05.2000 werd het dwangbevel aan eiser betekend, samen met bevel tot betaling (zie stuk 3, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder D. V. te Hasselt van 18.10.2002 werd door eiser bij deze rechtbank verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 03.04.2000.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. Aangaande de verjaring

Eiser is vooreerst de mening toegedaan dat de BTW-vordering verjaard is omdat er sedert de betekening van het dwangbevel bij exploot van gerechtsdeurwaarder P. W. te Hasselt op 29.05.2000, geen verjaringsstuitende daad meer heeft plaatsgevonden.

Art. 83, § 1 W.BTW bepaalt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten, de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.

Nu er bij dagvaarding van 18.10.2002 een rechtsgeding werd ingeleid, kan er dus geen verjaring van de vordering zijn ingetreden op 29.05.2005 zoals eiser voorhoudt.

2.2. Artikel 39bis W.BTW en KB nr. 52 van 29.12.1992

In toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 10 W.BTW draagt eiser de bewijslast dat hij de voorwaarden vervulde om de geleverde goederen aan de afnemer SA O. S. gevestigd in het …, te factureren met vrijstelling van Belgische BTW in het kader van intracommunautaire leveringen.

Artikel 39bis, eerste lid, 10 W.BTW stelt immers dat van de belasting zijn vrijgesteld :

"de leveringen van goederen door de verkoper andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, (...)“

Art. 39bis, tweede lid W.BTW heeft aan de Koning opgelegd de beperkingen en voorwaarden te bepalen die voor de toepassing van deze vrijstelling moeten worden nageleefd, hetgeen Hij deed bij KB nr. 52 van 29.12.1992.

Overeenkomstig voornoemd KB nr. 52 is de vrijstelling van art 39 bis, eerste lid, 10 W.BTW afhankelijk van de volgende voorwaarden :

- de goederen moeten geleverd worden door de verkoper;

- het bewijs dient geleverd te worden dat de goederen verzonden of vervoerd zijn, buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1), en de verkoper, in casu eiser, moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; die stukken zijn ondermeer de contracten, de bestelbons, de vervoersdocumenten en de betalingsstukken (artikel 3);

- het bewijs dient geleverd te worden dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat (artikel 2).

Eiser, die zich beroept op de vrijstelling, dient een dubbel bewijs te leveren, enerzijds dat de goederen die het voorwerp vormen van de beweerde intracommunautaire levering (ingevolge verkoop), het Belgische grondgebied hebben verlaten en aangekomen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, en anderzijds dat de levering is geschied voor een belastingplichtige die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

Verweerder werpt in besluiten niets op aangaande het tweede deel van het bewijs met name dat de levering is geschied voor en belastingplichtige die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere lidstaat.

Verweerder betwist wel dat aan de eerste bewijsvoorwaarde is voldaan, met name dat is aangetoond dat de goederen werkelijk door de afnemer of voor zijn rekening vanuit België zijn verzonden of vervoerd naar het ….

Krachtens artikel 3 van het KB nr. 52 van 29.12.1992 is de bewijsvoering vrij, in die zin dat alle nuttige documenten "waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer blijkt" voor de invulling van de bewijslast in aanmerking komen.

De BTW-administratie moet zich door middel van een sluitend geheel van bewijselementen kunnen vergewissen van het feit dat de goederen werkelijk het grondgebied hebben verlaten en zijn aangekomen in een andere lidstaat.

In het proces-verbaal van 29.02.2000 staat te lezen dat de controleambtenaar vaststelde dat buiten de verkoopfacturen gericht aan de Luxemburgse firma, er geen andere stukken konden worden voorgelegd waaruit de echtheid van levering blijkt.

Ook thans worden er geen stukken overlegd aan de rechtbank.

De rechtbank dient dan ook vast te stellen dat eiser faalt in de aan hem opgelegde bewijslast.

Derhalve moet worden vastgesteld dat de door eiser verrichte leveringen, leveringen op het grondgebied van België zijn, zodat verweerder terecht krachtens art. 15, § 2 W.BTW daarover de BTW heeft gevorderd en de door eiser ingeroepen vrijstelling heeft verworpen.

De vordering van eiser is derhalve ongegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt de wettigheid van de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.

Deze vordering is niet in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om afte wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Dispositif

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak :

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, begroot aan de zijde van eiser op … euro dagvaardingskosten en aan de zijde van verweerder op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 25.02.2009, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De heer L. P., griffier.

L. P. M. C.

Textes cités

2
AR no 41 art. 11 occurrence
AR no 52 art. 31 occurrence