Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 2 janvier 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaireTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-importation-operation-intracommunautaire-tribunal-anvers-2012-01-02-a5d6

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
2 janvier 2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

52 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 02.01.2012

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op twee januari tweeduizend en twaalf in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, waar zetelden :

L. B., rechter,

N. V., griffier,

Inzake AR nr. 07/1553/A

BVBA B., ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester P. W. loco meester F. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier van de rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 8 maart 2007,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 23 april 2010,

- de conclusies en stukken van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 5 december 2011.


Een ter zake BTW bevoegd ambtenaar verrichtte in februari 2006 controle bij zusterfirma van eiseres (en tegelijk klant) BVBA A. C. E. B. (in 't ACEB) op het zelfde adres.

In proces-verbaal van 13 oktober 2006 werd gesteld dat eiseres zich ten onrechte beriep op de vrijstelling voor leveringen onder art. 42, § 1, 2° Wetboek BTW.

Het formuleerde van daar uit naheffing van rechten, tot 10 % herleide boete en intrest vanaf 21 juni 2005 op de rechten.

Eiseres had, tevoren, op zicht van een correctieopgave deze stellingneming betwist.

De Ontvanger verzond op 16 oktober 2006 een verzoek tot betaling.

Bij gebrek aan voldoening stelde hij op 27 februari 2007 dwangschrift op.

Het vordert bijkomend ook intrest op de boete en ook vervolgingkosten.

Het werd op 27 februari 2007 uitvoerbaar verklaard.

Het werd middels exploot van 6 maart 2007 aan eiseres betekend.

Raadsman legde op 8 maart 2007 verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie.

Afschrift van het dwangschrift met aangehecht proces-verbaal en van het exploot zijn gehecht aan het gedinginleidend verzoekschrift.

Elke gedingpartij legde in de loop van 2011 een syntheseconclusie neer.

Toelaatbaarheid van de rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.

Eiseres draagt de bewijslast van de door haar voorgehouden vrijstelling.

Haar hoger vermelde (zusterfirma ACEB) klant heeft geen eigen personeel.

De betwisting loopt over die gevallen (facturen) waar eiseres bouwde met eigen materiaal en ACEB dan een volledige, afgewerkte, kraan afnam.

Afnemer zuster ACEB is in dat geval geen bouwer in de zin van art. 42, § 1, 2° Wetboek BTW.

Waar eiseres nog art. 42, § 1, 3 ° Wetboek BTW naar voren schuift, blijkt dat deelartikel te gaan over loutere diensten (prestaties) waar te dezen bepaaldelijk (kranen) werd(en) geleverd.

De toegepaste geldboete beloopt gemoduleerd 10 % conform Tabel G, Afdeling 1, Rubriek VII van KB 41 inzake BTW.

Deze boete is geenszins onevenredig met de feiten.

Partijen namen gelijklopend stelling in over het bedrag der rechtsplegingvergoeding.

Het wordt wettelijk berekend tegen 110 %.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de rechtsvordering toelaatbaar, maar ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten,

Vereffent de kosten in hoofde van verweerder op 1.320,00 (dertienhonderd twintig) EUR bij wijze van rechtsplegingvergoeding.

N. V. L. B.

Textes cités

1
CTVA art. 422 occurrences

Décisions similaires

8