Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 03.02.2009
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
HOF VAN BEROEP GENT, terechtzitting van 3/02/2009
Nr. 2007/AR/2556
in de zaak van :
T. Y. BVBA, met maatschappelijke zetel te … (…), …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,
appellante,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. B. L., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, BTW-Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, wiens kantoren gevestigd zijn te 9100 SINT-NIKLAAS, Driekoningenstraat 4/2,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. G. loco mr. V. A. E., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. De procedure voor het Hof
Bij verzoekschrift van 18 oktober 2007 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 15 maart 2007 werd uitgesproken.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 6 januari 2009, waarna het debat werd gesloten. Het Hof nam vervolgens de zaak in beraad. De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis op 19 september 2007 werd betekend op verzoek van de geïntimeerde en de appellante voegt een exemplaar van het exploot van betekening bij haar stukken.
Het Hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellante is een BTW-belastingplichtige die actief is in de transportsector.
Begin 2001 werd bij de appellante een BTW-controle uitgevoerd. Daaruit kwamen twee correctieopgaven. Voor de ene correctieopgave werd een akkoord bereikt. De andere correctieopgave had betrekking op de verkoop van tweedehandse opleggers en trekkers.
De controledienst stelde immers vast dat er in 1998 door de appellante bepaalde opleggers en trekkers tweemaal gefactureerd waren.
• Een eerste keer waren in april en augustus 1998 opleggers en trekkers gefactureerd aan de NV T. H.; dat gebeurde voor een totaal bedrag van … frank (… euro) meer … frank (… euro) BTW. De facturen werden manueel, met een tekstverwerkingsprogramma gemaakt en niet via het geautomatiseerd boekhoudprogramma. De factuurnummers maakten evenwel dubbel gebruik uit met andere facturen die wel via het geautomatiseerd boekhoudprogramma werden gemaakt. Bovendien heeft de appellante de facturen aan de NV T. H. niet opgenomen in haar periodieke BTW-aangifte zodat langs die weg de door de NV T. H. aan de appellante betaalde BTW niet aan de Schatkist werd afgedragen.
• Een tweede keer, in december 1998 werden dezelfde opleggers en trekkers nogmaals gefactureerd aan Nederlandse ondernemingen (V. d. W. L.). Vermits het om intracommunautaire leveringen ging werd met verwijzing naar artikel 39bis W.BTW vrijstelling van BTW toegepast. Deze facturen werden door de appellante wel in haar periodieke belastingaangifte opgenomen. Uit onderzoek is gebleken dat V. d. W. L. beiden de betreffende goederen en facturen nooit ontvangen hebben.
In de correctieopgave werd, behoudens het bedrag van … frank (… euro) BTW ook een boete opgelegd van … frank (… euro). In de correctieopgave wordt verwezen naar artikel 70, § 1 W.BTW dat voorziet dat overtredingen op het voldoen van de BTW met een boete van 200 % worden bestraft en op het feit dat de schaal voor de vermindering van de boeten niet toepasselijk is op overtredingen begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
De appellante tekende voor akkoord met de gevraagde BTW maar maakte voorbehoud voor de boete waarvoor zij een vermindering vroeg.
Op 5 juni 2001 diende de appellante een verzoek in tot kwijtschelding van de boete. De bevoegde directeur onderzocht het verzoek en besliste op 6 november 2001 om de boete tot 60 % te verminderen, namelijk tot een bedrag van … frank (… euro).
Bij gebrek aan betaling en in het bijzonder om reden dat door notaris Janssens overeenkomstig artikel 93ter W.BTW bericht gelaten werd van een kredietopening met bezwaring door hypotheek van een aantal onroerende goederen, werd op 28 februari 2002 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel voor … euro BTW, … euro verminderde boete, de wettelijke interest zowel op de BTW als op de boete en de vervolgingskosten.
Met een dagvaarding van 19 maart 2002 stelde de appellante haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. De appellante vorderde dat de rechtbank zou zeggen dat de boete ten onrechte was opgelegd, minstens de boete zou verminderen.
In het vonnis van 15 maart 2007 heeft de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de vordering van de appellante ongegrond verklaard en de appellante veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten.
Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
3. De grieven, vorderingen en standpunten van de partijen
3.1. Stelling van de appellante
Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het uitspraak doet in de volgende zin :
De vordering ontvankelijk te verklaren en te zeggen voor recht dat de opgelegde Administratieve verhoging niet kan worden opgelegd, in hoofdorde, omdat het onderliggende dwangbevel nietig is wegens schending van de motiveringsvereiste, ondergeschikt, omdat ze niet gegrond is;
Ondergeschikt, de opgelegde belastingverhoging substantieel te verminderen tot een redelijk niveau rekening houdend met de aard van de overtreding, zijnde een pure materiële misslag van appellante,
De appellante vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.
De appellante voert aan dat het dwangbevel geen afdoende motivering bevat voor het opleggen van een boete van 200 % wegens fraude. Volgens de appellante volstaat het niet dat wordt weergegeven dat verkeerde facturen worden uitgereikt, ogenschijnlijk dubbele facturen of verkeerde facturen worden opgenomen in de boekhouding om tot fraude te besluiten. Dat zou geen rekening houden met de mogelijkheid van een materiële misslag. De appellante stelt dat effectief moet worden aangetoond dat er opzet was om de belastingen te ontduiken. Had de geïntimeerde dat opzet willen aantonen, dan zou volgens de appellante kunnen verwezen zijn naar het foutief inroepen van de vrijstelling van artikel 39bis W.BTW, maar die verwijzing zou ontbreken. Uit het enkele feit van de verkeerde uitgaande facturatie frauduleuze intenties afleiden, zonder dat er sprake is van bedrieglijk inzicht of opzet om belastingen te ontduiken is naar het oordeel van de appellante geen afdoende motivering van de opgelegde boete.
Subsidiair voert de appellante aan dat het daadwerkelijk om een materiële misslag ging. Ze verduidelijkt dat haar boekhoudprogramma werkt met de automatische aanmaak van facturen ingeval van het inboeken van transportprestaties. Andere prestaties zoals de verkopen van opleggers en trekkers zouden niet langs de weg van de automatische facturatie verlopen; daarvoor zouden de facturen manueel moeten gemaakt worden. De bediende die de facturen maakte zou de factuurnummers genomen hebben die volgden op de laatste factuur die via de boekhouding was gecreëerd maar de bediende die vervolgens de gewone transportprestaties ingaf, zou geen rekening gehouden hebben met de extra facturen voor de verkoop van de opleggers en de trekkers. De betaling door de NV T. H. zou met een cheque gebeurd zijn en de bediende die de betaling moest afpunten zou in de boekhouding geen toewijsbare prestatie gevonden hebben en de bedragen daarom overgeboekt hebben op een wachtrekening zoals dat gebruikelijk is.
Op het einde van het jaar pas zou zijn vastgesteld dat er nog een bedrag op de wachtrekening stond. De bediende die dat moest in orde brengen, zou gedacht hebben dat het om verkopen ging aan V. d. W. L. en zou in die zin facturen opgemaakt hebben.
De appellante benadrukt in elk geval haar goede trouw. Ze stelt dat ze onmiddellijk akkoord ging met het feit dat ze een inbreuk had begaan en met het betalen van de BTW. De vertraging in de betaling zou slechts verband houden met de moeilijke economische omstandigheden en de liquiditeitsproblemen die ze daardoor ondervindt. Ze vraagt daarom een aanzienlijke vermindering van de boete.
3.2. Stelling van de geïntimeerde
De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. Bovendien vraagt hij de veroordeling van de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.
De geïntimeerde voert aan dat de dubbele facturatie en de uitgestelde aanwending van het bedrag van de verkoopprijs voor de opleggers en de trekkers niet kan verklaard worden door een fout in het computersysteem. Deze feiten zouden daarentegen het bewijs leveren van de intentie van degene die de betaling boekt en die de facturen aan de Nederlandse afnemers opstelt om de BTW die aan de NV T. H. in rekening was gebracht, niet aan de Schatkist te betalen.
Volgens de geïntimeerde staat ook vast dat de facturen aan de Nederlandse ondernemingen nooit werden verzonden. Die facturatie zou bewust gekozen zijn omdat ze met vrijstelling van BTW kon gebeuren.
Daarom zou er geen sprake zijn van een materiële misslag en zou de boete correct zijn bepaald.
Met betrekking tot de motivering stelt de geïntimeerde dat het dwangbevel verwijst naar de ondertekende minnelijke inregelstelling waarin duidelijk verwezen wordt naar de toepasselijke wetsbepalingen en waarin staat dat de boete op 200 % wordt bepaald omdat de overtredingen werden begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken.
4. Beoordeling
4.1. Motivering van het dwangbevel
Een dwangbevel moet voldoen aan de motivering plicht voorzien in de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Dat veronderstelt dat het dwangbevel de overwegingen in feite en in rechte bevat die de beslissing dragen. De motivering moet afdoende zijn. Dat betekent dat de feitelijke en juridische overwegingen moeten volstaan om tot de beslissing te komen; dat er geen bijkomende elementen (achteraf) moeten worden bijgedragen als ondersteuning van die beslissing.
Het bestreden dwangbevel verwijst naar zijn bijlagen. Daartoe behoort onder andere de 'minnelijke inregelstelling'. De motivering van die 'minnelijke inregelstelling' behoort tot de motivering van het bestreden dwangbevel.
Die 'minnelijke inregelstelling' bevat een overzichtelijke opsomming van de feiten, namelijk de verschillende facturaties en de opnames ervan in de BTW-aangiften; daarnaast worden de wetsbepalingen vermeld die doen besluiten dat het om inbreuken gaat en voor welk bedrag de BTW verschuldigd is.
Om de boete (van 200 %) te verantwoorden vermeldt de 'minnelijke inregelstelling' - die als een erkenning door de appellante is opgesteld - de volgende passus :
Hij weet dat de wettelijke boete, verschuldigd krachtens artikel 70, § 1 van het BTW-Wetboek tweemaal de verschuldigde rechten bedraagt. Overeenkomstig artikel 1 in fine van het koninklijk besluit nummer 41 van 30 januari 1987 is er geen vermindering van de boeten voorzien ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
Bijgevolg wordt de wettelijke boete toegepast zijnde tweemaal de verschuldigde rechten of :
… F x 2 = … F.
Op die manier werd aan de appellante in duidelijke bewoordingen ter kennis gebracht dat de controleambtenaar het inzicht had dat de elders beschreven inbreuken begaan werden met het oogmerk om de belasting te ontduiken. Uit de met de hand toegevoegde reactie van de appellante blijkt ook dat zij goed begrepen heeft wat daarmee bedoeld werd; zij heeft meteen geantwoord waarom er volgens haar geen oogmerk om de belasting te ontduiken aanwezig was.
De weergegeven feitelijke en juridische overwegingen vormen een afdoende motivering; er zijn geen andere overwegingen nodig om de beslissing te dragen.
De weergave van de feiten en de rechtsbepalingen werd gevolgd door de conclusie dat voor een bepaald bedrag BTW niet was aangegeven en door de overwegingen om de boete van 200 % te verantwoorden, voegde de controleambtenaar er aan toe dat het volgens hem moedwillig was gebeurd. Anders dan de appellante wil doen aannemen was het niet nodig dat de controleambtenaar nog meer in detail uiteenzette waar volgens hem precies het frauduleus element gelegen was en/of waaruit dat het bleek.
Deze grief is dus ongegrond.
4.2. Het al dan niet bestaan van het oogmerk om de belasting te ontduiken
De argumentatie van de appellante overtuigt niet.
Er kan wel worden aangenomen dat het facturatiesysteem van de appellante in die zin was opgevat dat uitzonderlijke prestaties niet op de gebruikelijke manier konden gefactureerd worden zodat de facturen voor de verkoop van trekkers en opleggers afzonderlijk moesten opgemaakt worden via het tekstverwerkingsprogramma. Ook kan nog worden aangenomen dat de persoon die dagelijks de prestaties aan de klanten boekt (de interne boekhouder) en aldus via het geautomatiseerd systeem facturen aanmaakt, niet werd ingelicht van de bijkomende factuurnummers zodat die persoon gewoon bleef doornummeren. Minder waarschijnlijk is het evenwel dat dit fenomeen zich twee keer voordoet, namelijk een eerste keer in april en een tweede keer in augustus van hetzelfde jaar. Na die eerste keer valt te verwachten dat de interne boekhouder immers toch weet gekregen heeft van het probleem van de dubbele factuurnummers. Er waren immers betalingen binnengekomen vanwege de NV T. H. waarvan - volgens de eigen uitleg van de appellante - de interne boekhouder niet zou geweten hebben wat hij ermee moest doen. Het ging nochtans niet om geringe bedragen (… frank of … euro, meer … frank of … euro). Vermits moet verwacht worden dat een boekhouder nauwgezet tewerk gaat, is het ongeloofwaardig dat deze geen navraag zou gedaan hebben om te weet te komen waarop die betalingen betrekking hadden. Er kan worden aangenomen dat het computersysteem niet onmiddellijk toeliet om de betalingen correct te imputeren (daartoe was het nodig om een bijkomende klantenrekening te openen enz.), maar dat belet niet dat moet vermoed worden dat de interne boekhouder op de hoogte was van het feit dat er op 10 april 1998 vier facturen gemaakt waren buiten het geautomatiseerd boekhoudsysteem. Die facturen moesten evengoed een factuurnummer hebben en bij de uitgaande facturen worden bijgehouden. De overlapping van de factuurnummers kan de interne boekhouder dus niet onbekend zijn gebleven. Bovendien moet hij beseft hebben dat de facturen ook bijkomend in de BTW-aangifte moesten opgenomen worden. Het is tegen die achtergrond dan ook moeilijk te geloven dat bij de tweede facturatie, namelijk voor … frank (… euro) meer … frank (… euro) BTW, op 14 augustus 1998 nogmaals dezelfde fout, namelijk de overlapping van de BTW-nummers begaan werd; het viel eerder te verwachten dat men de facturatie in het automatisch systeem zou aanpassen door twee factuurnummers over te slaan (wat moet mogelijk zijn door twee nihilfacturen op te maken, waarop zelfs kan verwezen worden naar de extern opgemaakte facturen).
Wanneer zelfs nog zou moeten rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat er in werkelijkheid toch zoveel onachtzaamheid plaats vond en/of dat de interne boekhouder werkelijk geen enkele technische oplossing kon bedenken om de dubbele factuurnummering te vermijden, dan nog geven de transacties die door de appellante boekhoudkundig zijn uitgevoerd op 10 en 31 december 1998 onmiskenbaar blijk van een bewuste ontduiking van de belasting.
Het is immers totaal ongeloofwaardig wat de appellante gedaan heeft om af te raken van de betalingen die door T. H. waren gedaan en in april en augustus 1998 door de interne boekhouder op een wachtrekening werden geboekt (techniek die in de praktijk vaak onvermijdelijk is en op zich niet op fraude hoeft te wijzen). Het Hof hecht immers niet het minste geloof aan de versie van de appellante dat haar werknemer niet zou geweten hebben vanwaar dat - niet geringe - bedrag (in het totaal toch … euro) kwam of dat niet minstens op dat moment zou uitgezocht en achterhaald hebben. Waar de appellante zelf een beroep doet op haar goede trouw, moet immers verwacht worden dat zij voor het voeren van haar boekhouding beroep doet op personen die met de meest mogelijke nauwgezetheid hun werk vervullen. Tegen die achtergrond is het onverklaarbaar dat niet het nodige werd gedaan om de wachtrekening weg te werken door de creatie van de nodige posten waarmee de verkopen van de trekkers en de opleggers aan de NV T. H. als zodanig geboekt werden.
Dat niet dat gebeurde maar wel een facturatie aan twee buitenlandse bedrijven waardoor de BTW door de appellante niet aan de Schatkist zou moeten worden afgedragen, is op zich het duidelijke bewijs van fraude. Het verhaal van de appellante als zou de persoon die de facturen opmaakte zich vergist heeft en dacht dat de gelden afkomstig waren van die Nederlandse bedrijven wordt met niets aannemelijk gemaakt; uit onderzoek door de geïntimeerde is immers gebleken dat V. d. W., noch L. iets met de verkopen te maken hadden en de appellante bewijst zelfs niet dat ze met die bedrijven ooit op een andere manier zaken deed.
In die omstandigheden beroept de appellante zich ten onrechte op haar goede trouw.
Ook met de financiële moeilijkheden waarop de appellante zich beroept om bijkomende vermindering van de boete te bekomen, kan - afgezien van de vaststelling dat zij van haar financiële toestand geen bewijs voorlegt - geen rekening worden gehouden. Het bedrag van de verminderde boete is zelfs ingeval de appellante door een financieel en/of economisch lastige periode moet, nog altijd niet overdreven gelet op de aard en de omvang van de vastgestelde inbreuken.
Het hoger beroep is dus ongegrond.
5. De gerechtskosten
De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.
Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, hebben de partijen verklaard akkoord te gaan met de toepassing van de basisbedragen.
Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 10.000,01 tot 20.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.
Dispositif
OP DIE GRONDEN,
HET HOF,
recht doende op tegenspraak;
verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;
veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van deze aanleg, vastgesteld als volgt :
- aan de kant van de appellante :
• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR
- aan de kant van de geïntimeerde :
• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op DRIE FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN.
Aanwezig de Heren :
D. V., Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,
M. V., griffier.
M. V. D. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.