Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 04.02.2009
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, heeft het hiernavoIgend vonnis verleend :
In de zaak 08/847/A Rep. nr.2009/1678
de NV O., (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …
eiseres,
voor wie optreedt Meester G. P., advocaat met kantoor te …, …
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en lnkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het 2e BTW-Ontvangkantoor te 8500 KORTRIJK, Hovernierstraat 31,
verweerder,
voor wie is opgetreden Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,
I. Rechtspleging
Gelet op het fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 7 maart 2008,
De rechtbank nam kennis van het dossier der rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 7 januari 2009.
Artikel 2 en volgende van de· wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. Bijzonderste gegevens der zaak
Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …. voor de economische activiteit van algemene bouwonderneming. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 2 mei 2007 werd door D. L. adjunct-fiscaal deskundige bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW, verbonden aan het BTW-controlekantoor van Izegem een toezicht uitgeoefend over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2004 tot 30 juni 2005.
Op 19 november 2007 werd door voormelde ambtenaar een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 29 november 2007 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde eerstaanwezend inspecteur M. C. van het tweede BTW-ontvangkantoor van Kortrijk een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 3 december 2007 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de bevoegde inspecteur daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW te Brugge en op grond van artikel 85, § 1 W.BTW ter kennis gebracht van eisers.
Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 7 maart 2008 werd verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel.
Eiseres vraagt dat : het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dat de in het bestreden dwangbevel opgenomen heffing vernietigd wordt en onwettig en van generlei waarde verklaard wordt en dat bijgevolg de vordering ten bedrage van € 9053,73 en de administratieve boete ad € 900,00 geannuleerd worden en de nalatigheidsintresten kwijtgescholden, minstens passende ontlastingen toegestaan worden en verweerder veroordeeld wordt om aan eiseres terug te betalen alle uit hoofde ten onrechte betaalde en/of ingehouden sommen zoals vermeld in het dwangbevel verhoogd met de moratoriumintresten en subsidiair, dat het bestreden dwangbevel wordt vernietigd in de mate dat een administratieve geldboete wordt nagevorderd; en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.
Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en dat eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten.
III. Beoordeling
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. nopens de bewijskracht van het proces-verbaal
Artikel 59, § 1, laatste alinea bepaalt dat het proces-verbaal opgesteld door de bevoegde ambtenaar bewijskrachtig is tot het bewijs van het tegendeel. Deze bewijskracht is beperkt tot de materiële vaststellingen door deze ambtenaar gedaan in vervulling van zijn opdracht en strekt zich niet uit tot de deducties die de ambtenaar uit zijn vaststellingen doet.
Door de bevoegde ambtenaar werd in het proces-verbaal van 19 november 2007 vastgesteld dat :
- NV O. gebouwen verkoopt
- De grond waarop deze gebouwen staan verkocht wordt door de NV D.
- De BTW geheven over bepaalde kosten inzake commissies, publiciteitsbrochures en folders, publiciteitpanelen, borden, affiches en publiciteitsadvertenties door de NV O. volledig in aftrek werd gebracht
- Dat deze kosten zowel betrekking hebben op de verkoop van de grond door NV D..
Al deze materiële vaststellingen gelden tot bewijs van het tegendeel. Dit geldt inzonderheid voor de vaststellingen gedaan door de verbalisant in het proces-verbaal aan de hand van de hem voorgelegde stukken. De realiteit ervan wordt niet weerlegd. Er is dan ook geen schending van artikel 59 W.BTW.
3.2.2. nopens de motivatie van het dwangbevel
Het dwangbevel inzake BTW vormt de eerste rechtsdaadwaardoor het bestaan van de verschuldigde rechten lastens een bepaalde belastingplichtige in een wettelijk vorm wordt vastgelegd en waardoor de Belgische Staat in de regel tot dadelijke uitwinning kan overgaan.
Het dwangbevel inzake BTW is een beslissing van een administratieve overheid, die gezegshalve, zonder toestemming vat) de betrokkenen, rechten en verplichtingen schept, en eenzijdig verbindend en uitvoerbaar is. Het is derhalve een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991.
De wet van 29 juli 1991 legt a.an alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hen uitgaande éénzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurders, uitdrukkelijk te motiveren.
Artikel 3 van voormelde wet stelt hieromtrent het volgende : "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; zij moet afdoende zijn". Uitdrukkelijk motiveren betekent het opgeven van de redenen van de rechtshandeling, zodat de (bestaande) materiële met een formele motiveringsplicht werd aangevuld.
Daaruit vloeit voort wat onder de opgelegde motivering moet worden verstaan : 'de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen', die ook nog 'afdoende' moeten zijn. De drieledige inhoud van de materiële motiveringsplicht behoort dus integraal tot de formele motiveringsplicht : de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van de beslissing moeten worden vermeld.
In het wetsvoorstel dat tot de Wet van 29 juli 1991 heeft geleid werd dit onder woorden gebracht met het "duidelijk, nauwkeurig, volledig en waarheidsgetrouw vermelden van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen”. De tekstwijziging, en vooral het gebruik van het woord 'afdoende', was bedoeld om het 'evenredigheidsbeginsel' onder woorden te brengen. De wetgever was immers van mening dat de omvang van de motivering aangepast moest zijn aan het belang van de beslissing. Uiteindelijk stelde hij echter - terecht - vast dat met het begrip 'afdoende' ook het 'draagkracht-vereiste' tot uitdrukking werd gebracht : de ingeroepen redenen moeten pertinent zijn en de beslissing verantwoorden. Vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg is uit den boze, en er werd dan ook gewaarschuwd voor gelijke of gestandaardiseerde motiveringen.
De motivering moet dus opgevat worden als een resultaats- en niet als een inspanningsverbintenis van het bestuur. Zij moet alle elementen bevatten om de legaliteit van de bestuurshandeling aan te tonen. Indien daartoe achteraf een bijkomend element moet worden aangevoerd, dat niet in de motivering is opgenomen, is een substantiële vormvereiste geschonden en de beslissing onwettig. En daarbij moeten zowel de juridische als de feitelijke overwegingen worden vermeld (Van Orshoven, P., "Uitdrukkelijke motivering van "fiscale bestuurshandelingen", De Fiscale Koerier, 91/506).
Eiseres stelt dat het dwangbevel niet voldoende gemotiveerd is.
In casu stelt de rechtbank vast dat het dwangbevel verwijst naar het bijgevoegde proces-verbaal (stuk 2 - verweerder). Het dwangbevel waaruit de belastingschuld moet blijken is in casu gemotiveerd op grond van een bijgevoegd voor eensluidend verklaard afschrift van het kwestieuze proces-verbaal de dato 19 november 2007. Dit proces-verbaal dat overeenkomstig artikel 59, § 1 W.BTW geldt tot bewijs van het tegendeel maakt een onafscheidelijk deel uit van het dwangbevel en maakt de juridische grondslag uit van de vordering van de administratie.
Aldus zijn in casu het dwangbevel en het proces-verbaal voldoende gemotiveerd.
Eiseres voert vervolgens aan dat het proces-verbaal de dato 19 november 2007 niet mee betekend werd met het dwangbevel. Het proces-verbaal waarvan, zoals uit de bewoordingen van het dwangbevel blijkt, een voor eensluidend verklaard afschrift bijgevoegd was aan het dwangbevel, (stuk 2 - verweerder) en aldus deel uitmaakt van het dwangbevel werd aldus samen met het dwangbevel van 29 november 2007 bij aangetekend schrijven de dato 5 december 2007 aan eiseres betekend (stuk 3 - verweerder).
Het middel van eiseres is niet gegrond.
3.2.3. nopens de aftrekbaarheid van de BTW
a. Eiseres, die een beroepsoprichter is, heeft de BTW met betrekking tot kosten inzake commissies en publiciteit, die zowel verband hield met de verkoop van grond als met de constructiewaarde van gebouwen volledig in aftrek gebracht.
Bij toepassing van artikel 45, § 1, eerste lid W.BTW heeft verweerder de BTW-aftrek die door eiseres werd uitgeoefend voor voormelde kosten beperkt het recht op aftrek werd in hoofde van eiseres toegestaan voor zover de kosten betrekking hebben op de met BTW-belaste verkoop van de gebouwen door NV O.. Voor het gedeelte verkoop van grond door NV D. werd er door verweerder geen recht op aftrek toegestaan omdat deze verkoop vrijgesteld is krachtens artikel 44, § 3, 1°, a W.BTW en 'dus geen BTW-belastbare handeling uitmaakt.
b. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte uitsplitsing van de kwestieuze kosten maakt tussen de grond enerzijds en het gebouw anderzijds en steunt zich hiervoor op de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie.
c. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 1° W.BTW kan alleen een "nieuw gebouw", onder de BTW-heffing worden gebracht, nooit het erbij behorend terrein. Dit heeft tot gevolg dat de BTW op uitgaven specifiek gedaan betreffende de verkoop van de grond niet aftrekbaar is indien deze grond samen met een nieuw gebouw wordt verkocht, zoals in casu.
Het Hof van Justitie besliste in het arrest Breitsohl (H.v. 8 juni 2000, Breitshohl; http://curia.eur.int. ) dat de keuze voor belastingheffing bij leveringen van gebouwen·of gedeelte van gebouwen, en het erbij behorend terrein, zoals dit is bepaald in artikel 12 van de Richtlijn 2006/112/EG, betrekking moet hebben op gebouwen of gedeelten van gebouwen en, onlosmakend daarmee verbonden, het erbij horend terrein. De vrijstelling van BTW van een erbij .behorend terrein dat samen met een nieuw gebouw wordt geleverd is niet in overeenstemming met de Richtlijn 2006/112/EG.
Uit voormeld arrest van het Hof van Justitie kan worden afgeleid dat gebouwen of gedeelten van gebouwen en het erbij behorend terrein volgens het Hof niet van elkaar kunnen worden gescheiden voor de heffing van de BTW.
Het BTW-wetboek, meer bepaald artikel 44, § 3, 1° W.BTW blijkt dan ook niet in overeenstemming te zijn met de Europese Rechtspraak, waarop eiseres zich beroept.
Voormeld principe, zoals beslist door het Hof van Justitie aangaande de heffing der BTW voor gebouwen en het erbij behorend terrein, geldt evenzeer voor de aftrek der BTW.
In casu staat vast dat eiseres een BTW-belastingplichtige is en de voorwaarden voor rechtsgeldige aftrek van de BTW vervuld zijn.
Verweerder heeft aldus ten onrechte het recht op aftrek niet toegestaan voor het gedeelte verkoop van de grond door de NV D..
Het middel is gegrond.
De overige grieven van eiseres dienen niet te worden onderzocht nu het eventueel gegrond verklaren ervan niet tot een ruimer voordeel voor eiseres kan leiden.
3.3. nopens de kosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld.
Overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Gerechtelijk Wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.
Eiseres begroot de kosten op € 1.100,00 rechtsplegingsvergoeding.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.
Zegt voor recht dat het dwangbevel nietig is en als onbestaande moet worden beschouwd;
Veroordeelt dienvolgens verweerder tot terugbetaling van het bedrag dat door hem reeds zou geïnd zijn ten nadele van eiseres, vermeerderd met de moratoire intrest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW en dit te rekenen vanaf de inning ervan tot op de datum van volledige terugbetaling.
Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en in hoofde van eiseres begroot op € 1.100,00.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag vier februari tweeduizend en negen.
Aanwezig zijn :
H. A., alleenrechtsprekend rechter;
S. C., griffier.
S. C. A. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.