Exonération, autre exemption, droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 8 octobre 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, autre exemption, droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-autre-exemption-droit-deduction-tribunal-bruges-2008-10-08-b539

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
8 octobre 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

63 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 08.10.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 07/1055/A Rep.nr.2008/13.667

de NV C. T., (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

eiseres,

voor wie optreedt Meester S. V., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, Belastingen en Invordering, Administratie- van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Controlekantoor TIELT, met kantoor te 8700 TIELT, Tramstraat 50,

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

I. Rechtspleging

Gelet op het fiscaal verzoekschrift de dato 6 april 2007 strekkende tot vernietiging of minstens stuiting der tenuitvoerlegging van het dwangbevel uitgevaardigd door de e.a. Inspecteur van de BTW-Ontvangkantoor te Roeselare op 6 februari 2007 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 8 februari 2007 door de gevolmachtigde van de gewestelijke directeur van de administratie van de Belastingen op de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Brugge, dat samen met het proces-verbaal van 4 oktober 2006 betekend werd aan eiseres bij gerechtsdeurwaardersexploot de dato 20 februari 2007 ter invordering van volgende bedragen : BTW : € 19.295,79; boete : € 1.920,00 en intresten : pro memorie.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 10 september 2008.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. Bijzonderste gegevens van de zaak

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE … ingevolge de economische activiteit van de exploitatie van een reisbureau en meer in het bijzonder de organisatie en verkoop van reizen, alsook het bemiddelen bij de verkoop van reizen, alsook het verstrekken van alle diensten die hiermee enigszins verband houden.

Op 13 februari 2006 werd dooreen ambtenaar van het controlekantoor te Tielt een summier nazicht verricht omtrent de gegrondheid van het BTW-tegoed als gevolg van een aanvraag tot teruggaaf BTW van het op 31 januari 2006 in de BTW-rekening courant aanwezige saldo van € 55,317,66.

Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en reglementering inzake de belasting op de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door J. O. op 4 oktober 2006, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 1 eiseres).

Wegens niet betaling werd op 6 februari 2007 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 8 februari 2007 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard (zie stuk 1 eiseres).

Dit dwangbevel werd bij exploot de dato 20 februari 2007 betekend aan eiseres.

2.2. Eiseres vraagt dat : het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, dat dienvolgens het dwangbevel nietig, minstens ongegrond verklaard wordt en gezegd wordt voor recht dat de in het dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn en dat de terugbetaling bevolen wordt van alle bedragen die op grond van het aldus vernietigde dwangbevel werden betaald of ingehouden verhoogd met de wettelijke moratoriumintresten en dat verweerder veroordeeld wordt tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding geraamd op het basis bedrag ad € 2.000,00.

2.3. Verweerder vraagt dat : het verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en dat eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten begroot op € 2.000,00 rechtsplegingsvergoeding.

III. Beoordeling

A. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

B. nopens de grond

1. Eiseres kocht blijkens akte verleden voor het ambt van notaris W. met kantoor te … de dato 29 augustus 2005 het vruchtgebruik voor een periode van 20 jaar van een gebouw gelegen te …, …. De aankoopprijs voor het vruchtgebruik bedraagt € 424.000,00. Tevens was een bedrag van € 89.040,00 BTW verschuldigd. Eiseres bracht de BTW ten bedrage van € 50.590,89 verschuldigd voor de aankoop van het vruchtgebruik in aftrek.

2. Na controle wees verweerder de door eiseres toegepaste berekeningswijze van de aftrekbare BTW, geheven van de vestiging van het vruchtgebruik van het hiervoor beschreven onroerend goed volgens het criterium van de huurwaarde van de hand wegens het subjectieve karakter ervan. Verweerder weerhield de berekening op basis van de verhouding tussen de oppervlakte aangewend voor de aan de BTW onderworpen activiteit en de totale oppervlakte van het gebouw. Op grond hiervan stelt verweerder dat slechts in totaal € 31.295,10 BTW aftrekbaar is van de in totaal € 89.040,00 naar aanleiding van de aankoop betaalde BTW. Uit hoofde hiervan wordt een bedrag van € 19.295,79 aan BTW nagevorderd meer een boete ad 10 % en nalatigheidsintresten.

3. Eiseres stelt dat verweerder de artikelen 45, § 1, artikel 46, § 2 BTW-wetboek alsmede het bestemmingsbeginsel schendt door beide vruchtgebruiken als een geheel te aanzien en aldus als één gemengde en ondeelbare kost die zowel betrekking heeft op de uitbating van het reisagentschap als op de van de BTW vrijgestelde verhuuractiviteit.

4. Bij toepassing van artikel 45, § 1 W.BTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

Artikel 46, § 1 W.BTW bepaalt dat wanneer de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 aanspraak op aftrek bestaat, de belasting terzake van de voor die activiteit gebruikte goederen en diensten in aftrek wordt gebracht naar verhouding van de breuk gevormd door het bedrag van de laatstbedoelde handelingen en het totale bedrag van de door de betrokkene verrichte handelingen.

Artikel 46, § 2 W.BTW stelt dat in afwijking van § 1 door of vanwege de Minister van Financiën aan de belastingplichtige, op zijn verzoek, vergunning kan worden verleend om het recht op aftrek uit te oefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en de diensten of vaneen deel daarvan. De belastingplichtige kan door of vanwege de Minister van Financiën worden verplicht op die wijze te handelen, wanneer de aftrek naar verhouding van de in § 1 genoemde breuk leidt tot ongelijkheid in de heffing van de belasting.

5. Eiseres die naast het uitbaten van een reisbureau eveneens onroerende goederen verhuurt voor privégebruik is een gemengde belastingplichtige, feit waarover tussen partijen geen betwisting bestaat.

Eveneens zijn partijen het erover eens dat eiseres, gelet op de onderscheiden handelingen die zij stelt, nl. enerzijds de handelingen die aan de BTW onderworpen zijn en waarvoor recht op aftrek van de voorbelasting geldt (exploitatie van een reisbureau) en anderzijds handelingen die bij toepassing van artikel 44, § 3, 2° W.BTW buiten de werkingssfeer van de BTW vallen (verhuur van onroerend goed voor privébewoning), de regel van het werkelijk gebruikt hanteert.

De betwisting heeft de omvang van het recht op aftrek van de BTW die eiseres heeft voldaan bij de aankoop van het vruchtgebruik van het onroerend goed gelegen te …, met betrekking tot het gedeelte van het gebouw dat voor de uitoefening van haar economische activiteit als BTW-belastingplichtige wordt aangewend.

Eiseres past voor de bepaling van de aftrekbare BTW de regel van het werkelijk gebruik toe en hanteert hiervoor het criterium van de huurwaarde.

Verweerder stelt het oppervlaktecriterium voorop.

6. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte het vruchtgebruik als één gemengde en ondeelbare kost aanziet. Volgens eiseres betreft het in casu twee duidelijk onderscheiden kosten nl. de eerste kost betreft de aankoop van het vruchtgebruik op het beroepsgedeelte en de tweede kost de aankoop van het vruchtgebruik op het woongedeelte.

In casu stelt de rechtbank vast dat de notariële akte de dato 29 augustus 2005 verleden voor het ambt van notaris A. W. met standplaats te … onder de hoofding "voorwerp van de verkoop" stipuleert : "Het vruchtgebruik ingaande op heden voor een termijn van twintig jaar, van volgend onroerend goed : Stad Tielt, derde afdeling : een gebouw gelegen aan de …. .." (stuk 9 bundel verweerder). De factuur de dato 29 augustus 2005 uitgaande van de verkopers gericht aan eiseres vermeldt .., "Verkoop vruchtgebruik onroerend goed gelegen te …, …, volgens modaliteiten notariële akte de dato 29.08.2005 verleden voor notaris A. W. met standplaats … voor de som van € 424.000,00 + BTW 21 % € 89.040,OO = € 513.040,00" (stuk 1 bundel verweerder).

De stelling van eiseres dat de bepaling van voormelde gezamenlijke prijs voor het vruchtgebruik gebeurde door de samenstelling van enerzijds de huuropbrengst voor het beroepsgedeelte (€ 15.000,00) en anderzijds de huuropbrengst voor het woongedeelte (€ 11.400,00) vindt geen steun in voormelde stukken van verkoop van vruchtgebruik en factuur ter betaling van de verkoopprijs. Uit voormelde stukken kan niet afgeleid worden dat het zou gaan om twee onderscheiden gedeeltes van het gebouw waarop telkens een vruchtgebruik werd gevestigd. De door eiseres voorgebrachte waardebepaling van het vruchtgebruik levert dit bewijs evenmin (stuk 3 bundel eiseres).

7. De door eiseres gemaakte opsplitsing van de kost van het vruchtgebruik in een deel van de kost dat betrekking heeft op het vruchtgebruik op het beroepsgedeelte (ad € 240.909,09) en een deel van de kost dat betrekking heeft op het vruchtgebruik op het woongedeelte (ad € 183.090,91) is niet gestoeld op verifieerbare objectieve gegevens en kan niet weerhouden worden.

8. Eiseres beweert dat het door verweerder berekende aftrekbaar gedeelte op basis van de vloeroppervlakte onhoudbaar is.

De rechtbank stelt vast dat het criterium van de huurwaarde dat eiseres hanteert niet op objectieve controleerbare gegevens berust. De jaarlijkse forfaitaire huurwaarde van € 15.000,00 voor het beroepsgedeelte en € 11.000,00 voor het woongedeelte is tot stand gekomen ingevolge een door de betrokken partijen gemaakte schatting waarbij de huurwaarde, zonder dat gebruik gemaakt werd van enig deskundig advies, forfaitair bepaald werd. Dergelijke forfaitaire raming is niet gestoeld op verifieerbare, objectieve gegevens.

Verweerder heeft teneinde het aftrekbaar gedeelte vast te stellen, de verhouding genomen tussen de oppervlakte van het beroepsgedeelte waarop het vruchtgebruik is gevestigd in verhouding tot de totale·oppervlakte van het gebouw waarop het vruchtgebruik is gevestigd. Deze berekeningsmethode is in de rechtspraak meermaals aanvaard.

De vordering van eiseres dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

C. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld en moet conform artikel 1017, 1° lid van het Gerechtelijk Wetboek de gerechtskosten dragen. In hoofde van verweerder worden zij begroot op € 2.000,00 zijnde het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op € 2.000,00 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag acht oktober tweeduizend en acht.

Aanwezig zijn :

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. A. H.

Textes cités

1
CTVA art. 461 occurrence

Décisions similaires

8