Établissement de la taxe, champ d'application, service · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 7 décembre 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Établissement de la taxe, champ d'application, serviceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/etablissement-taxe-champ-application-service-cour-appel-anvers-2010-12-07-dfda

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
7 décembre 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

65 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 07.12.2010

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, zesde bis kamer, recht doende in burgerlijke zaken heeft volgend arrest gewezen :

In zake 2010/AR/204

1 De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën in persoon van de Minister van Financiën met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12;

2 De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van de BTW-controlekantoor te 3850 Beringen, Harmoniestraat 9;

appellante,

- vertegenwoordigd door Mr. V. L. d. J. A., advocaat te …, …

- tegen het vonnis gewezen door de 11de kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt de dato 12 november 2009 gekend onder het rolnummer …

tegen :

Meester B. T., advocaat met kantoor te …, … - curator, in diens hoedanigheid van curator van het faillissement van de O. BVBA in vereffening, met ondernemingsnummer … met zetel gevestigd te …, … hiertoe aangesteld bij vonnis van de Rechtbank van koophandel te Hasselt op 5 juni 2008.

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. V. H., advocaat te …, …


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 12 november 2009, waarvan geen betekening voorligt.

Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 20 januari 2010, waarbij tijdig en naar de vorm geldig hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

Voorwerp van de betwisting.

De betwisting tussen partijen is beperkt tot de betwisting van de opgelegde geldboete.

Geïntimeerde vordert de kwijtschelding van deze geldboete.

De BVBA O. was ingevolge de door haar uitgeoefende beroepsactiviteit van het verrichten van technische studies en ingenieursactiviteiten geregistreerd als BTW-belastingplichtige en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Op 22 februari 2007 heeft men een beperkte controle uitgevoerd inzake de BTW voor de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2006. Deze controle resulteerde in een correctieopgave met voorstel tot minnelijke regeling inzake een belastingschuld van … EUR (BTW) … EUR (geldboete) vermeerderd met intresten vanaf 12 januari 2007.

Op 31 januari 2007 sloot de BTW-administratie de rekening courant van de BVBA O. af met een bedrag in haar voordeel t.b.v. … EUR. Op 30 april 2007 sloot de BTW-administratie de rekening courant van de BVBA O. af met een bedrag in haar voordeel t.b.v. … EUR. Voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt heeft de BVBA O. de terugbetaling van het ingehouden bedrag van … EUR te vermeerderen met de intresten en kosten gevorderd. Tijdens het geding betwist de BVBA O. niet langer het bedrag van … EUR aan BTW verschuldigd te zijn.

2. Procedure voor de eerste rechter.

De eerste rechter zegt voor recht dat de door de administratie opgelegde geldboete van … EUR niet verschuldigd is en beveelt de terugbetaling van alle bedragen die reeds werden betaald en/of ingehouden m.b.t. deze boete.

De eerste rechter overweegt dat geïntimeerde met reden erop wijst dat zij op geen enkele wijze BTW heeft ontdoken, maar de BTW over zijn verrichtingen heeft afgedragen aan de BS. Van enige nadelige gevolgen in hoofde van het algemeen belang wordt geen bewijs voorgelegd. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat de opgelegde boete op geen enkele wijze wordt gemotiveerd.

3. Procedure voor het hof van beroep.

Het hoger beroep van de administratie strekt ertoe het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht sprekende de door de BVBA O. ingestelde vordering bij verzoekschrift d.d. 24 september 2007 ongegrond te verklaren.

Geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het eerste vonnis.

4. Beoordeling

Tijdens de controle werd vastgesteld dat de BVBA O. in haar boekhouding 2 aankoopfacturen heeft opgenomen uitgaande van E. AND T. W. T. LTO gevestigd te Dubai. Deze facturatie betreft de overdracht van gegevens m.b.t. potentiële klanten.

Art. 2 van het Wetboek BTW bepaalt dat een dienst die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, aan de belasting is onderworpen, wanneer ze in België plaatsvindt.

Art. 21, § 3, 7° W.BTW is van toepassing omdat aan de criteria bepaald in art. 21, § 3, 7° voldaan is, te weten :

- er een dienst werd verleend aan geïntimeerde bedoeld in art. 21, § 3, 7°, nl. de overdracht van gegevens met betrekking tot potentiële klanten;

- geïntimeerde, de ontvanger van de dienst een belastingplichtige is die in de Gemeenschap, nl. België, is gevestigd en handelde voor doeleinden van haar economische activiteit.

- de dienstverrichter gevestigd is in Dubai, dus buiten het land van de ontvanger van de dienst.

Op grond van deze hogervermelde bepaling was geïntimeerde de BTW in België verschuldigd over de aan geïntimeerde verleende diensten, zijnde … EUR x 21 % : … EUR.

Tijdens het geding in eerste aanleg betwiste geïntimeerde niet langer het verschuldigd zijn van de BTW.

5. Geïntimeerde stelt anderzijds wel dat er reden is tot kwijtschelding van de boete van 20 %. Ze is niet afdoende gemotiveerd en staat niet in verhouding tot de gepleegde inbreuk. Minstens is er sprake van een betwisting van principiële aard.

6. De correctieopgave d.d. 16.03.2007, opgesteld ingevolge de door F. S., wnd. e.a. Inspecteur van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het eerste BTW-controlekantoor van Beringen, vermeldt : "Men erkent ervan te zijn in kennis gesteld dat de op grond van art. 70 en/of 71 van het BTW-wetboek opgelopen proportionele geldboeten, die in principe gelijk zijn aan tweemaal de verschuldigde BTW, verminderd werden conform de bepalingen van het KB nr. 41 d.d. 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW tot … EUR."

De feiten die de overtreding opleveren blijken uit de bijlage bij correctieopgave.

De administratie benadrukt dat de BVBA OPTUPA ten onrechte stelt dat zij op geen enkele wijze BTW heeft ontdoken, maar de BTW over zijn verrichtingen heeft afgedragen aan de Belgische Staat.

De BVBA O. was verplicht de factuur d.d. 10 december 2005 op te nemen in haar BTW-aangifte van het 4de kwartaal 2005 en de factuur d.d. 10 december 2005 op te nemen in haar BTW-aangifte van het 1ste kwartaal hetgeen ze heeft nagelaten.

7. Het is de rechter toegelaten een sanctie die het karakter heeft van een strafsanctie in de zin van art. 6 EVRM met volle rechtsmacht te toetsen; Dit impliceert dat de rechter de interne en externe wettigheid van de sanctie nagaat en dus controleert of er geen sprake is van machtsoverschrijding of machtsafwending en of er geen inbreuk werd gemaakt op de algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. In het laatste Cassatiearrest van 13 februari 2009 wordt erkend dat de feitenrechter, mits voldoende motivering, een proportionele BTW-boete kan verminderen. De feitenrechter mag binnen het kader van de evenredigheidstoetsing rekening houden met bepaalde omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie op grond van voormeld art. 70 W.BTW te toetsen, mag de wettelijkheid van de sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete; hierbij mag hij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de opgelegde sanctie; Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

8. De BVBA O. heeft de verschuldigd geworden BTW niet opgenomen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar is geworden. Anderzijds heeft de BVBA O. wel de BTW, die zij nog niet heeft voldaan, in aftrek gebracht in haar BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van het 3de kwartaal 2007 t.b.v. … EUR. De BVBA O. ontvangt de BTW van de Belgische Staat door deze in aftrek te brengen terwijl ze anderzijds deze BTW nooit heeft aangegeven. Er is dus wel degelijk sprake van BTW­ontduiking.

In tegenstelling tot de eerste rechter oordeelt het Hof dat de belastingverhoging evenredig is met de gepleegde inbreuk en dat er geen reden is om ze te verminderen of kwijt te schelden.

9. De rechtsplegingsvergoeding

Partijen zijn het erover eens dat de rechtsplegingsvergoeding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep moet worden vastgesteld overeenkomstig de wet van 21 april 2007, uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007.

De Belgische Staat werd in eerste aanleg niet vertegenwoordigd door een raadsman.

Volgens de administratie betreft het een niet in geld waardeerbare vordering, daar waar de belastingplichtigen stellen dat de vordering wel in geld waardeerbaar is.

Op basis van art. 559 Ger.W. waarnaar wordt verwezen in art. 2 van het KB van 26 oktober 2007, dient aangenomen te worden dat de waarde van de vordering in onderhavig geval kan bepaald worden op het bedrag van de betwiste belastingschuld (hoofdsom, geldboeten, verhogingen en intresten tot op de dag van het instellen van procedure in rechte). Er wordt niet betwist dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding aldus … EUR bedraagt en er is geen reden om van dit basisbedrag af te wijken.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak;

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, en gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis en opnieuw recht sprekende verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde q.q. ontvankelijk doch ongegrond.

Verwijst geïntimeerde q.q. in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van appellante begroot op … EUR, rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van ZEVEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN

waar aanwezig waren :

M. D., Alleenzetelend Raadsheer

F. H., Griffier.

F. H. M. D.

Textes cités

1
CTVA art. 21 occurrence

Décisions similaires

8