Enquête bancaire, Droit de déduction · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 2 juin 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Enquête bancaire, Droit de déduction

https://juriel.be/fr/jurisprudence/enquete-bancaire-droit-deduction-tribunal-bruges-2025-06-02-6993

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
2 juin 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

91 paragraphes

Fiche du SPF Finances

WF 714-15-23/025941 - Finaliti 55455291/01

[ Jugement favorable ]

Taxe sur la valeur ajoutée – Enquête bancaire – Droit de déduction

Dispositions légales

Art. 62bis CTVA, art. 45 CTVA

Résumé du jugement

1. Faits

La requérante est enregistrée comme assujettie à la TVA pour l'activité de holdings et est active depuis le 15 février 2019. Pour la période du 1er janvier 2020 au 30 septembre 2020, la requérante a déposé des déclarations nulles. Depuis le 1er octobre 2020, aucune déclaration de TVA n'est plus déposée. Après une demande de renseignements adressée à un client de la requérante, une demande de renseignements est envoyée à la requérante le 26 avril 2022. La requérante n'y répond pas. Après une demande de renseignements adressée aux banques et la réponse à celle-ci, un procès-verbal est établi le 12 octobre 2022.

Selon l'administration, la requérante n'a pas déclaré son chiffre d'affaires et est redevable des montants suivants : 88 782,50 EUR au titre de la TVA, 177 560,00 EUR au titre de l'amende proportionnelle et des intérêts sur le montant de la TVA. La dette est inscrite au registre de perception et de recouvrement, qui est déclaré exécutoire le 1er décembre 2022.

La requérante n'ayant pas marqué son accord, elle a formé opposition par requête déposée au greffe le 28 avril 2023.

2. La décision

Le fait de ne pas avoir déposé ou d'avoir déposé de manière incorrecte les déclarations de TVA pendant des années ne peut en aucun cas être le résultat de simples erreurs ou négligences. De plus, il est établi que la requérante a réalisé un chiffre d'affaires et a facturé et perçu la TVA pendant les périodes concernées. La requérante n'a pas non plus répondu à une demande de renseignements. Il est indéniable que la requérante n'a pas déclaré ou a déclaré de manière incorrecte la TVA dans le but d'échapper à l'impôt.

Le défendeur a épuisé tous les moyens légaux pour obtenir les informations souhaitées, à l'exception du droit de visite, et a interrogé la requérante (sans résultat). Le défendeur pouvait donc invoquer l'article 62bis CTVA.

Dans ses conclusions, la requérante a joint une liste des biens et services qui lui ont été fournis au cours des années 2020 et 2021 et pour lesquels elle estime avoir droit à la déduction de la TVA.

La requérante ne prouve toutefois en aucune manière que les conditions d'exercice du droit à déduction de la TVA sont remplies en ce qui concerne les biens et services énumérés. En outre, le droit à déduction s'exerce par le biais des déclarations de TVA. Le délai pour exercer le droit à déduction est également limité. Cela était possible jusqu'au 31 décembre 2023 (TVA due en 2020) ou jusqu'au 31 décembre 2024 (TVA due en 2021). Apparemment, la requérante a omis de le faire.

Le fait de ne pas avoir déposé ou d'avoir déposé de manière incorrecte les déclarations de TVA pendant des années ne peut en aucun cas être le résultat de simples erreurs ou négligences. La requérante n'a pas non plus répondu à une demande d'informations. La requérante a activement pris des mesures pour frauder le fisc. Les problèmes de santé du dirigeant et/ou une procédure judiciaire ne sont pas prouvés. La pandémie de coronavirus ne justifie pas la non-déclaration ou la déclaration erronée de la TVA.

L'infliction de l'amende est justifiée dans cette affaire et n'est pas disproportionnée par rapport aux infractions. Le tribunal ne voit aucune raison d'accorder un sursis. Les intérêts de retard ne constituent pas une sanction, mais une compensation pour le paiement tardif.

La requérante a fait appel de ce jugement.

Texte intégral

Corps de la décision

Vonnis rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge dd. 02.06.2025 -

23/1443/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer B.10, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak : 23/ 1443/A

Hoofdzaak :

X. (KBO: …), maatschappelijke zetel te …,

eisende partij,

hebbende als raadsman meester W.B., advocaat te …

(ref.: 08-319/BW -…).

tegen :

de BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum KORTRIJK 762, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

verwerende partij,

voor wie optreedt mevrouw D.J., attaché (ref.: …)

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 28 april 2023.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord op de zitting van 5 mei 2025.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE0719252228, voor de activiteit van holdings. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Eiseres is sedert 15 februari 2019 actief. Voor de periode van 1 januari 2020 tot 30 september 2020 heeft eiseres nihil-aangiften ingediend. Sedert 1 oktober 2020 worden geen BTW-aangiften meer ingediend. Na een vraag om inlichtingen aan een klant van eiseres, wordt op 26 april 2022 een vraag om inlichtingen verzonden aan eiseres. Door eiseres wordt niet gereageerd. Op 13 juni 2022 wordt een verslag opgemaakt teneinde conform artikel 62bis, tweede lid WBTW beschikbare gegevens bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België op te vragen. De gegevens worden bekomen en machtiging wordt verleend om het bankgeheim op te heffen betreffende 2 bankrekeningen op naam van eiseres. Na een vraag om inlichtingen aan de banken en het antwoord daarop, wordt op 12 oktober 2022 een proces-verbaal opgesteld. Volgens de administratie heeft eiseres haar omzet niet aangegeven en is zij verschuldigd als BTW 88.782,50 EUR, als proportionele geldboete 177.560,00 EUR en intresten op het BTW-bedrag. Op 28 november 2022 wordt de schuld (met nummer 500261808127) opgenomen in het innings- en invorderingsregister, welk uitvoerbaar wordt verklaard op 1 december 2022. Op 1 december 2022 wordt een innings- en invorderingsbericht aan eiseres verzonden.

Door eiseres wordt fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 28 april 2023.

2.Eiseres vraagt dat:

de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

het proces-verbaal d.d. 12 oktober 2022 en het innings- en invorderingsregister (schuldnummer

500261808127) worden vernietigd, minstens ongegrond worden verklaard;

de geldboete wordt kwijtgescholden, minstens wordt verminderd;

verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle onterecht betaalde bedragen, te

vermeerderen met de moratoriumintresten;

verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de

rechtsplegingsvergoeding.

3.Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Artikel 62bis WBTW

Conform artikel 62bis, tweede en derde lid WBTW heeft de administratie de machtiging om, wanneer zij over aanwijzingen van belastingontduiking beschikt, de in artikel 322 §3, eerste lid WIB 1992 bedoelde beschikbare gegevens over een schuldenaar op te vragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België.

De machtiging wordt slechts verleend als alle andere wettelijke middelen voor het bekomen van de gewenste informatie, behoudens het visitatierecht, uitgeput zijn en na bevraging van de schuldenaar. Bij die bevraging wordt aan de schuldenaar meegedeeld dat bij gebreke aan antwoord het vermelde contactpunt zal worden geraadpleegd.

Op 19 april 2022 werd een vraag om inlichtingen gesteld aan de BV Sigma Conso, zijnde een klant van eiseres. Uit het antwoord bleek dat eiseres facturen met BTW had opgemaakt op naam van haar klant en dat deze werden betaald. Eiseres had deze omzet en BTW niet opgenomen in haar BTW-aangiften.

Op 26 april 2022 werd een vraag om inlichtingen (verkoopjournalen, financieel dagboek en rekeninguittreksels) gesteld aan eiseres. In het schrijven wordt verwezen naar artikel 62bis WBTW. Deze vraag werd niet beantwoord door eiseres. Eiseres stelt deze vraag om inlichtingen niet te hebben ontvangen. Uit de gegevens van het dossier blijkt evenwel dat de vraag om inlichtingen aangetekend en per gewone post werd verzonden aan het correcte adres van eiseres. De aangetekende zending werd niet terugbezorgd aan verweerder.

Voor de periode van 1 januari 2020 tot 30 september 2020 heeft eiseres nihil-aangiften ingediend. Sedert 1 oktober 2020 worden geen BTW-aangiften meer ingediend. Uit het antwoord op de vraag om inlichtingen aan een klant van eiseres blijkt dat eiseres in vermelde periode wel gefactureerd heeft met BTW. De omzet en de BTW werden niet opgenomen in de BTW-aangiften. Eiseres geeft dit ook toe en geeft toe dat dit verkeerd was. Eiseres heeft niet geantwoord op een vraag om inlichtingen.

Het jarenlang niet of niet correct indienen van de BTW-aangiften kan onmogelijk het gevolg zijn van eenvoudige vergissingen of slordigheden. Bovendien staat vast dat eiseres in de betreffende periodes wel omzet heeft gerealiseerd en BTW heeft aangerekend en ontvangen. Eiseres heeft ook niet geantwoord op een vraag om inlichtingen. Eiseres heeft onmiskenbaar de BTW-aangiften niet of niet correct ingediend met het opzet om de belastingen te ontduiken.

Verweerder heeft alle andere wettelijke middelen voor het bekomen van de gewenste informatie, behoudens het visitatierecht, uitgeput zijn en eiseres (zonder resultaat) bevraagd. Verweerder kon derhalve toepassing maken van artikel 62bis WBTW.

2. Aftrek BTW

Verweerder stelt dat de door haar betaalde BTW ten onrechte niet werd afgetrokken door verweerder.

Op grond van artikel 45 t.e.m. 49 WBTW mag een belastingplichtige onder voorwaarden de BTW op de aan hem geleverde goederen en diensten in aftrek brengen. De voorwaarden en modaliteiten voor het uitoefen van het recht op aftrek zijn opgenomen in KB nr. 3 van 10 december 1969.

In besluiten heeft eiseres een lijst opgenomen van aan haar geleverde goederen en diensten tijdens de jaren 2020 en 2021 waarvoor zij volgens haar recht op aftrek van BTW heeft.

Eiseres bewijst evenwel op geen enkele manier dat de voorwaarden voor recht op aftrek van BTW wat betreft de opgelijste goederen en diensten voldaan zijn. Bovendien wordt het recht op aftrek uitgeoefend via de BTW-aangiften. De termijn om het recht uit te oefenen is ook beperkt. Dit was mogelijk tot 31 december 2023 (BTW verschuldigd in 2020) of 31 december 2024 (BTW verschuldigd in 2021). Blijkbaar heeft eiseres nagelaten dit te doen.

3. Geldboete

Een geldboete van 200 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met voile rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met voile rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt mag niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Uit het dossier en het voorgaande blijkt dat eiseres jarenlang omzet niet heeft aan te geven, onterecht nihil-aangiften heeft ingediend en onterecht geen BTW-aangiften heeft ingediend. Het jarenlang niet of niet correct indienen van de BTW-aangiften kan onmogelijk het gevolg zijn van eenvoudige vergissingen of slordigheden. Eiseres heeft ook niet geantwoord op een vraag om inlichtingen. Eiseres heeft actief handelingen verricht om op een bedrieglijke wijze belasting te ontduiken.

Gezondheidsproblemen van de bestuurder en/of een gerechtelijke procedure worden niet bewezen. De coronapandemie is geen reden om geen of foutieve BTW-aangiften in te dienen.

De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuk vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het relatief hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van de boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuken.

De rechtbank ziet geen enkele reden om een uitstel te verlenen. Er is geen enkel reden die een uitstel zou kunnen verantwoorden.

De geldboete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar hebben ook een bestraffend en afradend karakter.

De nalatigheidsintresten betreffen geen straf, maar zijn een vergoeding voor de laattijdige betaling.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij de gerechtskosten dragen.

Aangezien verweerder niet bijgestaan wordt door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, in haar hoofde niet to begroten aangezien ze haar ten laste blijven en in hoofde van verweerder begroot op 00,00 EUR.


Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op maandag twee juni tweeduizend vijfentwintig waar zitting hadden:

L.D., rechter

J.T., griffier

Note du SPF Finances

Référence WF

WF 714-15-23/025941 - Finaliti 55455291/01

Textes cités

2
CTVA art. 62bis7 occurrences
CTVA art. 452 occurrences

Décisions similaires

8