Droit à déduction de la TVA en amont · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 7 septembre 2007

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de la TVA en amontTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-tva-amont-tribunal-bruxelles-2007-09-07-670d

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
7 septembre 2007

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

59 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 07.09.2007

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL 33ste Kamer

A.R. 2005/5385/A

Inzake van:

De N.V. G. P., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen .onder het nummer …,

Eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. S. D. loco Mr. S. B., advocaat te …, … (ref. …),

Tegen :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Brussel IV, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat 7, Verwerende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. F. M. loco Mr. A. D., advocaat te …, … (ref. : …),

In deze zaak, in beraad genomen op 1 juni 2007, spreekt de rechtbank het

navolgend vonnis uit :

Gelet op :

• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385 decies van het Gerechtelijk Wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 29 januari 2005,

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 12 september 2005,

• de conclusie en aanvullende conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie respectievelijk op 29 september 2005 en op 30 december 2005·,

• de conclusie, aanvullende conclusie en tweede aanvullende conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 3 juni 2005, 15 november 2005 en op 28 november 2005.

Nadat de raadslieden van partijen werden gehoord eiseres haar bundel met de stavingstukken heeft neergelegd, werd de zaak in beraad genomen.


1. FEITEN

Eiseres is onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde met BTW­ nummer BE ….

De BTW-administratie heeft op 31 oktober 2003 bij eiseres een controle uitgevoerd met betrekking tot de periode 2001-2002.

De tijdens deze controle vastgestelde inbreuken werden opgenomen in een regularisatieopgave van 8 juli 2004, waarbij onder meer de aftrek van de BTW op de aankoop van een tractor (2001) en op de kosten van aanleg en onderhoud van verschillende gronden (2002) geweigerd werd daar het volgens de administratie ging om goederen en diensten die niet bestemd waren voor de doeleinden van de gevoerde economische activiteit.

In haar antwoord van 24 augustus 2004 meldde eiseres akkoord te gaan met de verwerping van bepaalde posten, doch betwistte anderzijds de verwerping van de aftrek van de BTW op de aankoop van de tractor en de kosten voor het onderhoud van voormelde onroerende goederen.

Een proces-verbaal werd opgesteld op 3 december 2004 en dezelfde dag ter kennis gebracht van eiseres.

Op 8 december 2004 werd aan eiseres een dwangbevel verzonden, uitgevaardigd op 6 december 2004 en geviseerde en uitvoerbaar verklaard op 7 december 2004.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

De vordering strekt ertoe het dwangbevel van 6 december 2004 te horen vernietigen en verweerster te horen veroordelen tot terugbetaling van de som van € …, te vermeerderen met de moratoire interesten vanaf 4 mei 2005 tot de datum van de algehele betaling.

Bijkomend wenst eiseres verweerster te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten belope van de. kosten en erelonen betaald aan haar belastingconsulent en haar advocaat, samen € … alsmede verweerster te horen bevelen de bijzondere rekening-courant op te heffen die naar aanleiding van het tussen partijen gerezen geschil zou zijn in gesteld.

Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Eiseres is van oordeel dat het dwangbevel niet voldoet aan motiveringsplicht die aan de administratie wordt opgelegd op grond van artikel 3 van de wet 29 juli 1991 en dus nietig is. Met name zou het dwangbevel geen melding hebben gemaakt van de informatie die verkregen werd van de fiscale administraties van Leuven en Charleroi, noch rekening hebben gehouden met de ·opmerkingen van eiseres op de regularisatieopgave.

De verplichting tot motivering van het dwangbevel kan nochtans niet worden gesteund op de wet van 29 juli 1991, die overeenkomstig haar artikel 1, tweede gedachtestreepje, slechts van toepassing op administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Nu tegen het dwangbevel geen voorziening openstaat bij de Raad van State doch wel bij de rechtbank van eerste aanleg, zijn de ambtenaren die het dwangbevel hebben uitgevaardigd, dan wel geviseerd en uitvoerbaar verklaard hebben, geen overheden in de zin van voormelde wet op de motivering van bestuurshandelingen (vgl. Cass. 23 oktober 2003, arrest RC00AN3 1, www.cass.be, waarin het Hof van Cassatie oordeelde dat de gewestelijke directeur die uitspraak. doet krachtens artikel 377 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 geen bestuurlijke overheid is in de zin van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur).

Uit de beginselen van behoorlijk bestuur, waaraan elke overheid is onderworpen, volgt anderzijds wel dat de belastingplichtige tegen wie een dwangbevel wordt uitgevaardigd, voldoende geïnformeerd wordt opdat hij de redenen zou kunnen begrijpen waarom de maatregel werd genomen, de gegrondheid van de maatregel zou kunnen onderzoeken en desgevallend de rechtsmiddelen zou kunnen aanwenden die hem ter beschikking staan.

3.2. In casu verwijst het dwangbevel naar het bijgevoegd proces-verbaal van 3 december 2004, dat op zijn beurt verwijst naar artikel 45, § 1 van het BTW­wetboek op grond waarvan het recht op aftrek van voorbelasting voorbehouden is voor - onder meer - de belasting geheven op goederen en diensten die de belastingplichtige heeft bestemd voor belaste handelingen, waardoor de aftrek van de belasting op goederen en diensten bestemd voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan de economische activiteit wordt uitgesloten.

Nu uit artikel 45, § 1 van het BTW-wetboek volgt dat de belastingplichtige zelf het bewijs moet leveren dat het recht op aftrek bestaat, dit wil zeggen dat de door hem ontvangen leveringen en diensten gebruikt werden voor het verrichten van handelingen die het recht op aftrek verlenen (zie o.m. TIBERGHIEN, Handboek voor fiscaal recht, 5714.), volstaat het dat de administratie in het proces-verbaal vaststelt dat het bestaan van het recht op aftrek niet voldoende werd aangetoond voor de welbepaalde goederen en/of diensten die aldaar zijn omschreven.

In dit geval beschikt de belastingplichtige immers over de mogelijkheid om alsnog de nodige bewijzen neer te leggen waaruit blijkt dat de goederen en diensten wel degelijk werden aangewend in het kader van de economische activiteiten.

3.3. De informatie die de administratie bekwam via de afdelingen van Leuven en Charleroi hebben enkel bevestigd dat eiseres tijdens de betrokken periode geen landbouwactiviteiten uitoefende, hetgeen reeds was vastgesteld tijdens de controle uitgevoerd op 31 oktober 2003. De aldus verkregen informatie vormt derhalve geen bijkomende grond waarop de uitvaardiging van het proces-verbaal of dwangbevel is gesteund en diende dus niet noodzakelijk in het proces-verbaal te worden vermeld.

Overigens dient te worden opgemerkt dat de gevolmachtigde van eiseres in zijn antwoord dd. 8 juli 2004 op de regularisatieopgave zelf uitdrukkelijk stelde dat de vennootschap bijna drie jaar na de aankoop van de tractor nog steeds geen enkele landbouwactiviteit had opgestart. De tractor werd volgens de mandataris van eiseres immers aangekocht om de landbouwgronden 'te onderhouden' om 'de kansen op het starten van een rendabele landbouwexploitatie in de nabije toekomst' niet te hypothekeren. Zulks wordt - nog een jaar later - door eiseres overigens uitdrukkelijk herhaald in haar conclusie van 28 november 2005.

Nu eiseres de feitelijke vaststellingen van de administratie minstens impliciet heeft bevestigd zonder dat zij nieuwe argumenten of bewijzen heeft ingeroepen, was de administratie er zeker niet toe gehouden voormelde opmerkingen op de regularisatieopgave afzonderlijk te bespreken in het proces-verbaal.

3.4. Noch het feit dat het maatschappelijk doel van eiseres onder meer het beheer van onroerende goederen zou omvatten, noch het feit dat zij eigenaar was van verschillende percelen landbouwgrond, volstaan om te besluiten tot het bestaan van een economische activiteit onderworpen aan de BTW.

Eiseres toont niet aan ooit de intentie te hebben gehad een dergelijke activiteit uit te bouwen. Van de zogenaamde onderhandelingen die zij zou hebben gevoerd met verschillende landbouwers met het oog op de gezamenlijke exploitatie van de gronden, wordt niet het minste stuk neergelegd. Op het ogenblik waarop deze zaak werd in beraad genomen, zowat 6 jaar na de aankoop van de tractor, kon nog steeds geen bewijs worden geleverd van een zelfs recentelijk opgestarte uitbating, noch van enige realistische poging daartoe.

Bijgevolg toont eiseres niet aan dat zij recht had op de aftrek van belasting, noch dat de administratie enige fout zou hebben begaan in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

De vordering is ongegrond.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot betaling van de gedingkosten, begroot op € … rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van eisende partij en op € … rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van verweerster.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 7 september 2007.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer P. H. rechter

Mevrouw I. D. griffier

I.D. P. H.

Textes cités

1
CTVA art. 452 occurrences

Décisions similaires

8