Droit à déduction de la TVA en amont · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 18 mai 1998

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de la TVA en amontTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-tva-amont-impot-cour-appel-anvers-1998-05-18-5dbd

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
18 mai 1998

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

100 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 18.05.1998

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

Eindarrest

Zitting van : 18 MEI 1998

Inzake : 1996/AR/1695

S. D. – L. P. NV, … te …;

appellante,

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, 5e kamer, d.d. 29 april 1996;

vertegenwoordigd door Mr. H. V., advocaat te …, …;

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor Bree, met kantoor te Bree, Grauwe Torenwal 2;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. P. B. loco Mr. P. V. D. S., advocaat te …, …;

Het bestreden vonnis, waarvan geen akte van betekening wordt voorgebracht heeft op tegenspraak de vordering van appellante ontvankelijk verklaard en alvorens ten grande recht te doen een belastingconsulent als deskundige aangesteld met als opdracht een gemotiveerd advies te verstrekken betreffende twee vragen :

1° stelde eiseres in 1991 tot en met 1994 twee soorten handelingen zoals voorzien in de nationale wet en de Zesde Richtlijn ?

2° was het verweerder in gegeven omstandigheden al dan niet materieel mogelijk om een berekening te maken van de aftrekbare BTW cfr. art. 45, § 1 van het BTW-Wb. en dit voor genoemde periode ?

De uitspraak over de kosten werd aangehouden ende zaak werd verzonden naar de bijzondere rol.

Appellante heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 15 mei 1996. Zij vordert het eerste vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering toe te wijzen en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

Overwegende dat uit de debatten blijkt dat de aanvullende conclusies van appellante met instemming van geïntimeerde zijn neergelegd op 27 maart 1997 en dus niet ambtshalve uit de debatten worden geweerd;

Overwegende dat niet wordt betwist dat appellante een paardenhandel en dekstation voor paarden uitbaat en dat de paarden die als dekhengsten op koopwaar worden gebruikt, ook getraind en uitgebracht worden in wedstrijden en dat er prijzen worden mee gewonnen;

Overwegende dat geïntimeerde argumenteert dat :

• de beperking van aftrek in hoofde van appellante gesteund is op artikel 45, § 1 van het BTW-Wb.,

• de deelname aan paardensportwedstrijden geen handelingen zijn zoals opgesomd in dit artikel en de aftrek van belasting geheven van·de haar geleverde goederen en verleende diensten met betrekking tot deze handelingen in elk geval is uitgesloten,

• de kosten zonder onderscheid en tegelijk zowel worden gebruikt voor belastbare als voor niet belastbare handelingen en niet kan uitgemaakt worden·welke kosten uitsluitend betrekking hebben op handelingen bedoeld in artikel 45, § 1 waarvoor volledig recht op aftrek bestaat en welke kosten uitsluitend betrekking hebben op handelingen die buiten de werkingssfeer van de BTW vallen en waarvoor bijgevolg geen recht op aftrek bestaat,

• de onmogelijkheid de aftrekbare BTW te bepalen in functie van het werkelijk gebruik van de door appellante aangekochte goederen er toe geleid heeft dat voor de uitsplitsing van de aftrekbare en niet aftrekbare BTW een berekeningswijze werd toegepast naar analogie met de bij artikel 46 ingestelde wettelijke regeling die wat het principe van de gedeeltelijke aftrek dezelfde doelstellingen beoogt en dat de aanstelling van een deskundige nuttig is;

Overwegende dat de BTW geheven van geleverde goederen en verleende diensten overeenkomstig artikel 45, § 1, 1° van het BTW-Wb aftrekbaar is in de mate dat die goederen en diensten worden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen;

Dat geïntimeerde niet betwist dat de deelname aan de wedstrijden plaatsvond als promotie voor de verkoop van paarden;

Dat deelname aan wedstrijden en het behalen van prijzen inderdaad een wijze is om de paarden bekendheid te doen krijgen en de verkoopwaarde ervan te verhogen;

Dat het deelnemen aan wedstrijden en het ontvangen van prijzengelden, ongeacht de bedragen, aldus kaderen in en dienen ter bevordering van de uitoefening van de economische activiteit van paardenhandel en dekstation en daar één geheel mee vormt zodat zij voor de totaliteit onderworpen zijn aan de BTW;

Dat er te dezen dus geen sprake is van twee soorten handelingen waarvan zowel artikel 46 BTW-Wb. als artikel 17, 5° van de Richtlijn gewag maken, namelijk, enerzijds handelingen waarvoor recht op aftrek, bestaat en , anderzijds andere handelingen;

Dat de eerste rechter niet kan gevolgd worden waar deze een belastingconsulent heeft aangesteld om advies te geven omtrent de vraag of appellante twee soorten handelingen heeft gesteld zoals voorzien in de nationale wet en de Zesde Richtlijn daar het in casu geen technisch advies betreft zoals bepaald in artikel 962 van het gerechtelijk wetboek maar een rechtskwestie betreft op te lossen door de rechter zelf;

Dat de opdracht aan de deskundige met betrekking tot de tweede vraag geen nut heeft gezien er geen onderscheid dient te worden gemaakt tussen aangekochte en afgenomen diensten die betrekking hebben op de verkoop van paarden en goederen en diensten die betrekking hebben op deelname aan wedstrijden zoals hoger uiteengezet;

Dat de in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel niet wordt bevestigd;

Overwegende dat appellante overeenkomstig artikel 45 §1,1 een volledig recht op aftrek van voorbelasting heeft ongeacht of artikel 46 in strijd zou zijn met de Zesde Richtlijn zoals zij beweert;

Overwegende dat niet wordt ingegaan op het verzoek van geïntimeerde om de mogelijkheid te krijgen conclusies ten gronde neer te leggen indien het hof de in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel niet zou bevestigen; dat in het verzoekschrift de uitgestrektheid van het hoger beroep werd aangeduid; dat het niet aan geïntimeerde toekomt het debat eenzijdig te beperken tot één of meerdere van de aangevoerde grieven; dat hij de kans heeft gehad zijn middelen te ontwikkelen;

Overwegende dat appellante de uitvoerbaarheid bij voorraad niettegenstaande voorziening en zonder zekerheidsstelling vordert van het arrest; dat evenwel enkel verzet en hoger beroep de tenuitvoerlegging van vonnissen schorst (cfr. art. 1397 Ger. W.) en het verzoek tot uitvoerbaarheid bij voorraad van het arrest geen zin heeft;

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op art. 24 der wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Wijzigt het beroepen vonnis;

Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk en gegrond;

Veroordeelt geïntimeerde om aan appellante te betalen de som van twee miljoen éénendertigduizendzevenhonderd en tien frank, meer de wettelijke intresten;

Verleent appellante voorbehoud voor de ondertussen reeds ingehouden bijkomende bedragen;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten der beide aanleggen, deze tot op heden aan de zijde van appellante niet begroot bij gebrek aan opgave.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van achttien mei negentienhonderd achtennegentig,

waar aanwezig waren :

de heren E. H., wnd. Voorzitter,

F. P., Raadsheer,

H. V., Raadsheer,

Mevrouw G. V., Griffier.

G. V. H. V. F. P. E. H.

Décision jointe par le SPF

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, VIJFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE AR NR : 95/771/A

S. D. L. P., NV, …, …, voorheen NV L. P. D. L., …, …, ingeschreven in het handelsregister te Tongeren onder het nummer …, BTW-nummer …,

eiseres,

vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. V., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor Bree, wiens kantoor gelegen is te Bree, Grauwe Torenwal 2,

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. Y. D., advocaat, te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Bij geregistreerd exploot van plv. gerechtsdeurwaarder D. P. te … d.d. 7.4.1995 liet eiseres verweerder dagvaarden in terugbetaling van 1.540.296 fr, meer de gerechtelijke intresten en de kosten.

Eiseres houdt voor dat dit bedrag op 16.3.1995 ten onrechte werd ingehouden door verweerder.

Bij besluiten wordt thans 2.031.710 fr gevorderd daar na 16.3.1995 nog bedragen werden ingehouden.

Standpunt van eiseres

1. Art. 46 BTW-Wb. is onwettig.

2. Art. 46 BTW-Wb. is terzake niet toepasselijk omdat zij geen gemengde belastingplichtige is. In ieder geval vallen de prijzengelden niet onder de BTW.

Het verweer

1. Art. 46 BTW-Wb. is niet In strijd met art. 17 van de Zesde Richtlijn.

2. Eiseres is een gemengde belastingplichtige omdat zij handelingen stelt met recht op aftrek en zonder recht op aftrek van de BTW. De gewonnen prijzengelden dienen te worden opgenomen in de breuk voor de berekening van het verhoudingsgetal zoals voorzien in genoemd art. 46. Aanvullend wordt gesteld dat zelfs zo eiseres geen gemengde belastingplichtige zou zijn zij nog geen recht heeft op de volledige aftrek van de BTW.

Beoordeling

De gevolgtrekkingen dewelke eiseres meent te mogen afleiden uit een Arrest van het Hof van Justitie van 6.4.1995 kunnen niet worden aangenomen.

De nationale wet zowel als de zesde richtlijn maken gewag van het verrichten van twee soorten handelingen, namelijk enerzijds handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat en anderzijds andere handelingen. Terecht stelt eiseres dat de soorten inkomsten geen rol spelen bij het nagaan of iemand een gemengde belastingplichtige is. Anderzijds kan het standpunt van verweerder worden bijgetreden waar deze besluit dat "gemengde kosten" slechts kunnen bestaan wanneer de belastingplichtige handelingen stelt met hetzelfde gemengd karakter.

Van deze principes werd niet afgeweken door voormelde uitspraak. Blijft evenwel te onderzoeken of verweerder ten deze een juiste toepassing deed van art. 46 BTW-Wb.

De bewering dat dit art. onwettig zou zijn is uiteraard heel wat anders en dient om hogervermelde redenen te worden verworpen.

Eiseres stelt in haar aanvullende besluiten op p. 5 "concluant heeft in feite maar één activiteit nl. paardenhandel. De wedstrijden zijn slechts een promotie van paarden, beiden blijven dus één geheel vormen. Derhalve kan er geen sprake zijn van gemengde belastingplicht want er zijn geen gescheiden activiteiten". Volgens haar dient er derhalve een nieuwe afrekening te worden gemaakt in functie van de bestemming der kosten overeenkomstig art. 45 BTW-wetboek.

Het standpunt van verweerder in derde aanvullende besluiten is niet zo duidelijk waar voorgehouden wordt dat er geen toepassing kon gedaan worden van art. 45 omdat : "... die goederen en diensten zonder onderscheid en tegelijkertijd zowel voor belastbare als voor niet belastbare handelingen wordt gebruikt." Dit zou de reden zijn waarom een praktische toepassing werd gedaan van art. 46, § 2 BTW-Wb.

Ten gronde stellen zich voorafgaandelijk twee vragen :

1° is eiseres te beschouwen als een gemengde belastingplichtige in de zin van art. 46, § 1 BTW-Wb. en van art. 17, lid 5 van de Zesde Richtlijn ?

2° was het voor verweerder onmogelijk zoals wordt voorgehouden om de toegelaten BTW-aftrek te bepalen cfr. art. 45, § 1 BTW-Wb. ?

De rechtbank is van mening terzake geen standpunt te kunnen innemen op basis van de voorgelegde stukken zodat het aangewezen voorkomt om het advies te verzoeken van een deskundige waarna het mogelijk zal zijn terzake een verantwoorde beslissing te nemen.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de eis ontvankelijk, doch alvorens verder ten gronde te statueren stelt aan als deskundige de heer L. V. C., belastingconsulent, …, …, met als opdracht : "Partijen en de rechtbank op te roepen conform art. 965 Ger. W. op een plaats door hem te bepalen.

Rekening houdend met de verklaring van partijen, de voorgelegde stukken en alle andere terzake dienende gegevens, een gemotiveerd advies te verstrekken betreffende :

1° stelde eiseres in 1991 tot en met 1994 twee soorten handelingen zoals voorzien in de nationale wet en de Zesde Richtlijn ?

2° was het verweerder in de gegeven omstandigheden al dan niet materieel mogelijk om een berekening te maken van de aftrekbare BTW cfr. art. 45, § 1 van het BTW-Wb. en dit voor genoemde periode ?

Een voorlopig verslag over te maken aan partijen en hun opmerkingen te beantwoorden. Het behoorlijk beëdigd verslag (art. 979 Ger. W.) neer te leggen ter griffie dezer rechtbank binnen de drie maanden van de ontvangst van de gerechtsbrief, waarmede hem het vonnis wordt medegedeeld, inhoudende zijn aanstelling als deskundige.

De staat van kosten en ereloon onderaan het verslag te stellen.”

Houdt de uitspraak over de kosten aan en verzendt de zaak naar de bijzondere rol van deze kamer.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vijfde kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 29 ARPIL 1996, alwaar zetelden :

De Heer R. S., Ondervoorzitter,

De Heer R. D., Griffier.

R. D. R. S.

Textes cités

2

Décisions similaires

8