Droit à déduction, Prorata de déduction, Opérations financières · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 4 février 2021

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction, Prorata de déduction, Opérations financières

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-prorata-operations-financieres-tribunal-hasselt-2021-02-04-5b43

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
4 février 2021

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

154 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance du Limbourg, division Hasselt du 04.02.2021

WF 711-15-18/062765

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à déduction – Prorata de déduction – Opérations financières

Dispositions légales

Article 44, §3, 5°, article 45 en article 46 du Code de la TVA

Articles 12 et 13 de l’arrêté royal n° 3 du décembre 1969, relatif aux déductions pour l'application de la taxe sur la valeur ajoutée

Résumé

1) Les faits et les antécédents de procédure

L’assujettie exerce quatre activités : l'octroi de droits (royalty’s), le prêt d’argent provenant de son propre fonds moyennant la perception d’une indemnité, la mise à disposition d’un bâtiment entièrement équipé et la location de biens immobiliers.

Deux contrôles sur place ont été effectués chez l’assujettie. Le premier contrôle concernait la demande de restitution d’un crédit-TVA. Lors de ce contrôle, des erreurs matérielles ont été constatées : notamment la double comptabilisation d'un certain nombre de factures. L’assujettie a accepté de conclure un accord à l'amiable avec l'administration sur ce point.

Lors du deuxième contrôle, il a été constaté que toutes les activités de l’assujettie ne donnaient pas le droit d’exercer la déduction de la TVA. Or l’assujettie a déduit la totalité de la TVA grevant les factures d'achat. Afin de régler à l'amiable le litige, l'administration a fait une proposition dans laquelle le droit à déduction était calculé sur la base d’un prorata de déduction. Aucun accord n'ayant pu être trouvé avec l’assujettie, un procès-verbal a été dressé et sur base de ce procès-verbal, une contrainte rendue exécutoire a été notifiée.

L’assujettie a déposé une requête contradictoire au greffe du tribunal de première instance d’Hasselt.

2) le jugement rendu par le tribunal de première instance

* L’octroi de crédit en tant qu’activité économique

L’assujettie considère que, dans son cas, l'octroi de crédits et de prêts n'est qu'une forme passive de gestion d'actifs.

Toutefois le tribunal constate que l’assujettie accorde annuellement des prêts à d'autres sociétés moyennant le versement d’une indemnité. Par conséquent, l'octroi de prêts constitue une activité économique exercée par l’assujettie en sa qualité d’assujettie.

Ainsi, les intérêts perçus relèvent du champ d'application de la TVA car ils ne résultent pas de la simple propriété du bien mais constituent la rémunération de la mise à disposition du capital à un tiers. En outre, cette activité est également explicitement décrite dans la raison sociale de l’assujettie et a également été mentionnée par l’assujettie dans une demande de décision anticipée.

Par conséquent on peut effectivement admettre qu’il s’agit d’une « activité économique spécifique à caractère immobilier ou financier » visée à l'article 13, 2° de l’arrêté royal n° 3.

Toutefois, l'octroi de crédits et de prêts est exempté de TVA sur la base de l'article 44, §3, 5°, du Code de la TVA. Par conséquent, cette opération ne donne pas droit à une déduction de la TVA. Le chiffre d'affaires de cette activité doit, en principe, être inclus dans le dénominateur du prorata de déduction. Toutefois, il peut y être dérogé si l’assujettie démontre que l'octroi de prêts et de crédits ne constitue qu'une « opération financière accessoire ».

Cependant, l'assujettie n'y parvient pas. Par conséquent, le tribunal constate que le prorata de déduction a été correctement calculé par l'administration et il déclare la demande de l’assujettie non fondée.

Remarque

L’assujettie a acquiescé au jugement.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg LIMBURG, Afdeling Hasselt, sectie· burgerlijk, 11A-kamer

Eindvonnis van 04/02/2021

Rol: 18/2507/A

INZAKE:

C.C.. V. met zetel te ..., ondernemingsnummer 0405...77 - eiseres - Tijdens de zitting vertegenwoordigd door meester ..., advocaat te ...

tegen:

DE BELGISCHE STAAT. FOD Financiën, met ondernemingsnummer 0252.796.351, in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106. - verweerder - Tijdens de zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde de heer X, attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt

I. PROCEDURE

De zaak werd ingeleid via een verzoekschrift op tegenspraak in fiscale zaken neergelegd op 7 december 2018.

Met toepassing van artikel 747 Gerechtelijk Wetboek werden conclusietermijnen bepaald en een pleitdatum vastgelegd.

Beide partijen hebben conclusies en een bundel met overtuigingsstukken neergelegd.

De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 7 januari 2021 waarop de advocaat van eiseres en de gevolmachtigde van verweerder hebben gepleit. De zaak werd in voorzetting gezet naar de zitting van 14 januari 2021, enkel voor neerlegging van stukken en werd op die zitting in beraad genomen.

De Wet van 15 juni 1935 inzake het gebruik van talen in gerechtszaken - in het bijzonder de artikelen 2, 30 tot en met 37 en 41 - werd nageleefd.

ll. SAMENVATTING VAN DE FEITEN

Eiseres C.C. heeft vier activiteiten: het verlenen van rechten (royalty's), het uitlenen van eigen geld tegen een vergoeding, het ter beschikking stellen van een gebouw met uitrusting en het verhuren van onroerende goederen.

In de loop van 2018 werd er door de fiscale administratie bij eiseres een controle uitgevoerd in het kader van "btw-krediet" voor de periode 1 januari 2015 tot 31 december 2016. Deze controle leidde tot de ondertekening door eiseres van een (eerste) correctieopgave op 8 maart 2018. Daarin ging eiseres er mee akkoord dat zij, als gevolg van materiële vergissingen, een foutief bedrag aan btw in aftrek had gebracht. Het ging meer bepaald om twee facturen die elk in meer dan één maand waren opgenomen.

Daarna volgde nog een tweede controle, dit keer in het kader van het detecteren van mogelijk misbruik. De administratie stelde in het kader van die controle vast dat niet alle activiteiten van eiseres recht gaven op een aftrek van btw en dat eiseres alle btw toch volledig in aftrek had gebracht. Meer bepaald voor het verlenen van kredieten was er geen recht op aftrek. De administratie berekende het verhoudingsgetal tussen het gedeelte waarop recht op aftrek bestond en het totaal op basis van verhouding tussen de omzet van de activiteiten onderworpen aan de btw en de totale omzet en dit voor de jaren 2015 en 2016. Volgens de administratie leidde dit tot een totaal aan terug te storten btw van 22.998,83 euro. De administratie nam dit op in een tweede correctieopgave.

Eiseres ging niet akkoord met deze tweede correctieopgave.

Na briefwisseling over en weer stelde de administratie op 13 november 2018 een proces­ verbaal van regularisatie op en vervolgens werd op 14 november 2018 een dwangbevel uitgevaardigd.

III. DE VORDERINGEN

Eiseres C.C. vraagt om:

- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het dwangbevel en het pv tot regularisatie te vernietigen;

- de Belgische staat te veroordelen tot terugbetaling van 29.355,07 euro die op grond van het dwangbevel is geïnd vermeerderd met nalatigheidsintresten en moratoriumintresten;

- de Belgische staat te veroordelen tot de kosten van het geding;

- het te vellen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niettegenstaande alle verhaal en zonder enige borgstelling noch kantonnement.

De Belgische staat vraagt om:

- het door eiseres ingediende verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- eiseres in haar eisen af te wijzen en haar te veroordelen tot betaling van de door de administratie gevorderde bedragen opgenomen in het dwangbevel uitgevaardigd d.d. 14 november 2018 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard d.d. 16 november 2018;

- eiseres te veroordelen tot alle kosten van het geding.

IV. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK

A. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist.

De rechtbank bemerkt geen gronden van onontvankelijkheid die zij zelf moet opwerpen. De vordering is ontvankelijk.

B. Grond van de zaak

1. Het akkoord in de correctieopgave ondertekend op 8 maart 2018

Eiseres stelt terecht dat de ondertekende (eerste) correctieopgave een fiscaal akkoord is dat beide partijen bindt, dus ook de Belgische staat.

Maar het akkoord bindt de partijen enkel over de punten waarover er een akkoord was.

De correctieopgave ondertekend op 8 maart 2018 ging enkel over het herstel van materiële vergissingen, namelijk facturen die in meer dan één maand waren opgenomen. Over het verhoudingsgetal werd niets vermeld. Het verhoudingsgetal maakte dus geen onderdeel uit van het akkoord. De vermelding in het akkoord over "nieuwe elementen" verandert daar niets aan.

In het huidige geschil gaat het over het verhoudingsgetal en niet over facturen die in meer dan één maand werden opgenomen.

De correctieopgave ondertekend op 8 maart 2018 verhindert dus niet dat de Belgische staat zich nog kan beroepen op de wettelijke regels over de beperking van het recht op aftrek en over het verhoudingsgetal.

Er is geen schending van het vertrouwensbeginsel.

2. De kredietverlening als economische activiteit

2.1. Toepasselijke Wetgeving

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde ("Btw-Richtlijn") bepaalt:

Artikel 173

1. Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor de in de artikelen 168, 169 en 170 bedoelde handelingen, waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wordt aftrek slechts toegestaan voor het gedeelte van de BTW dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen (evenredige aftrek).

Het aftrekbare gedeelte wordt overeenkomstig de artikelen 174 en 175 bepaald voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen.

2. De lidstaten kunnen de volgende maatregelen nemen:

a) de bèlastingplichtige toestaan een aftrekbaar gedeelte te bepalen voor iedere sector van ziji bedrijfsuitoefening, indien voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding word gevoerd;

b) de belastingplichtige verplichten voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening ee, aftrekbaar gedeelte te bepalen en voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding t, voeren;

c) de belastingplichtige toestaan of ertoe verplichten de aftrek toe te passen volgens he gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan;

d) de belastingplichtige toestaan of ertoe verplichten de aftrek toe te passen volgens de in lid .1 eerste alinea, vastgestelde regel voor alle goederen en diensten die zijn gebruikt voor al/. daarin bedoelde handelingen;

e) bepalen dat, indien de BTW die niet door de belastingplichtige kan worden afgetrokker. onbeduidend is, hiermee geen rekening wordt gehouden.

Artikel 174

1. Het aftrekbare gedeelte is de uitkomst van een breuk, waarvan:

a) de teller bestaat uit het totale bedrag van de per jaar berekende omzet, de BTW nie inbegrepen, met betrekking tot handelingen waarvoor overeenkomstig de artikelen 168 e, 169 recht op aftrek bestaat, en

b) de noemer bestaat uit het totale bedrag van de per jaar berekende omzet, de BTW nie inbegrepen, met betrekking tot de handelingen die in de teller zijn opgenomen en d, handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat.

De Udstaten kunnen in de noemer het bedrag van andere subsidies opnemen dan die welke rechtstreeks verband houden met de in artikel 73 bedoelde prijs van de handelingen.

2. In afwijking van lid 1 worden voor de berekening van het aftrekbare gedeelte de volgende bedragen buiten beschouwing gelaten:

a) de omzet met betrekking tot de levering van investeringsgoederen die door' d, belastingplichtige in het kader van zijn onderneming worden gebruikt;

b) de omzet met betrekking tot bijkomstige handelingen ter zake van onroerende goederen ei bijkomstige financiële handelingen;

c) de omzet met betrekking tot de in artikel 135, lid 1, punten b) tot en met g), bedoeld, handelingen die bijkomstig zijn.

3. Indien de lidstaten gebruikmaken van de in artikel 191 geboden mogelijkheid geen herziening voor investeringsgoederen te eisen, mogen zij de opbrengst van de verkoop van investeringsgoederen opnemen in de berekening van het aftrekbare gedeelte.

Artikel 46 Btw-Wetboek bepaalt:

§1 Wanneer de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 aanspraak op aftrek bestaat, wordt de belasting ter zake van de voor die activiteit gebruikte goederen en diensten in aftrek gebracht naar verhouding van de breuk gevormd door het bedrag van de laatstbedoelde handelingen en het totale bedrag van de door de betrokkene verrichte handelingen.

§2 In afwijking van §1 kan door of vanwege de Minister van Financiën aan de belastingplichtige, op zijn verzoek, vergunning worden verleend om het recht op aftrek uit te oefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan. De belastingplichtige kan door of vanwege de Minister van Financiën worden verplicht op die wijze te handelen, wanneer de aftrek naar verhouding van de in § genoemde breuk leidt tot ongelijkheid in de heffing van de belasting.

In het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (versie die gold op het moment van de betrokken aftrek door eiseres) wordt in Afdeling IV het volgende bepaald over de aftrek volgens het algemeen verhoudingsgetal.

Artikel 12

Het bij artikel 46, § 1, van het Wetboek bedoelde algemeen verhoudingsgetal is een breuk:

1°met als teller, het totaalbedrag, vastgesteld per kalenderjaar, van de handelingen, waarvoor aanspraak op aftrek bestaat;

2 °met als noemer, het totaalbedrag, vastgesteld per kalenderjaar, zowel van de handelingen opgenomen in de teller als van de handelingen waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat.

De van de handelingen geheven belasting is niet begrepen in de bedragen bedoeld in 1° en 2°.

Het algemeen verhoudingsgetal wordt uitgedrukt in percenten. De wijze van berekening en afronding ervan wordt bepaald door of 'vanwege de Minister van Financiën.

Artikel 13

In afwijking van het vorige artikel worden voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal niet in aanmerking genomen:

1°de opbrengst van het afstoten van bedrijfsmiddelen die door de belastingplichtige in zijn bedrijf werden gebruikt;

2°de opbrengsten van en de inkomsten uit onroerende en uit financiële verrichtingen, tenzij die verrichtingen behoren tot een specifieke economische activiteit van dien aard;

3°het bedrag van de handelingen in het buitenland, wanneer ze worden verricht door een bedrijfszetel die onderscheiden is van de in België gevestigde zetel en de uitgaven met betrekking tot die handelingen niet rechtstreeks door deze laatste zetel worden gedragen.

(...)

2.2 Principes bij financiële handelingen

Er moet in de eerste plaats worden vastgesteld of de financiële handelingen waar het om gaat al dan niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen. De handelingen die niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen en dus geen recht op aftrek geven, moeten worden uitgesloten van de berekening van het verhoudingsgetal van de aftrek.

Alleen betalingen die de tegenprestatie vormen van een handeling of van een economische activiteit, vallen binnen de werkingssfeer van de btw.

Een persoon verricht een dienst in de hoedanigheid van een btw-belastingplichtige wanneer hij handelingen stelt die het rechtstreekse, duürzame en noodzakelijke verlengstuk van zijn belastbare activiteit vormen. Dit is nog des te meer het geval wanneer de betrokken handelingen bedrijfsmatig of met een commercieel oogmerk worden verricht, onder andere gekenmerkt door het streven naar een maximaal rendement van het geïnvesteerde kapitaal.

Wanneer iemand fondsen die tot zijn/haar vermogen behoren, gebruikt om diensten te verrichten die een "economische activiteit" in de zin van de BTW-Richtijn vormen, handelt de betrokkene als btw-belastingplichtige.

Indien de handelingen binnen de werkingssfeer van de btw vallen, dan moet worden nagegaan of de financiële handelingen zijn vrijgesteld van btw.

Indien dat het geval is en de belastingplichtige goederen en/of diensten waarover hij reeds btw heeft betaald, zowel gebruikt heeft voor handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat als voor (vrijgestelde) handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, moet vervolgens het verhoudingsgetal voor de toe te passen aftrek worden berekend.

Als het gaat om financiële handelingen die in principe onder de werkingssfeer. van de btw vallen maar die vrijgesteld zijn, dan moet bij de berekening van het verhoudingsgetal van de aftrek worden onderzocht of de betrokken financiële handelingen al dan niet kunnen worden beschouwd als "bijkomstige handelingen", aangezien in dat geval de omzet met betrekking tot dergelijke handelingen toch buiten beschouwing moet worden gelaten voor de berekening van het verhoudingsgetal (artikel 174.2.b Btw-Richtlijn).

Er is sprake van een "bijkomstige financiële handeling" indien de verkrijging van de opbrengsten van die financiële handeling ofwel geen gebruik impliceert van goederen of diensten waarvoor btw verschuldigd is ofwel slechts een zeer beperkt gebruik van die goederen of diensten impliceert.

De omvang van de opbrengsten van de financiële handelingen kan er op wijzen dat deze handelingen niet "bijkomstig" zijn. Dat er meer inkomsten uit dergelijke financiële handelingen worden gehaald dan uit de activiteit die de betrokken onderneming als hoofdactiviteit beschouwt, betekent op zich echter niet automatisch dat de financiële handeling niet "bijkomstig" kan zijn (vergelijk HvJ 29 april 2004, nr. C-77/01, Empresa de Desenvolvimento Mineiro SGPS (EDM) / Fazenda Publica).

Het criterium is dus of de betrokken financiële handeling (al dan niet) slechts een zeer beperkt gebruik impliceert van goederen of diensten waarvoor BTW verschuldigd is. Indien dat het geval is, dan moet de opbrengst van deze handeling worden uitgesloten uit de noemer van de breuk die wordt gebruikt voor de berekening van het verhoudingsgetal van de aftrek.

2.3 Concrete toepassing

Eiseres verstrekte in de betrokken periode kredieten/leningen. Eiseres stelt dat dit geen "beroepsactiviteit" is maar slechts een passieve vorm van vermogensbeheer. Uit de conclusie van eiseres leidt de rechtbank af dat:

- eiseres betwist dat het verstrekken van leningen wat haar betreft kan worden beschouwd als een economische activiteit die (in principe) btw-plichtig is;

- volgens eiseres uit artikel 13 2° van het KB nr. 3 volgt dat de opbrengst van de leningen niet in aanmerking mag worden genomen voor de berekening van het verhoudingsgetal, omdat de leningen niet kaderen in een "specifieke economische activiteit van dien aard";

- volgens eiseres het verstrekken van leningen een "bijkomstige handeling" is en minstens daarom buiten beschouwing moet worden gelaten bij de berekening van het aftrekbaar gedeelte.

Er moet in de eerste plaats worden vastgesteld of de leningen waar het hier om gaat al dan niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen.

Eiseres maakt de vergelijking met een natuurlijke persoon die zijn privévermogen beheert. Eiseres is echter geen natuurlijke persoon maar een rechtspersoon. Eiseres heeft dus geen "privéleven" dat een natuurlijke persoon wel heeft.

Het ontvangen van rente (als vergoeding voor leningen die eiseres heeft verstrekt) valt onder de werkingssfeer van de btw, aangezien de betaling van deze rente niet het gevolg is van de enkele eigendom van de zaak, maar een vergoeding vormt voor de terbeschikkingstelling van kapitaal aan een derde.

De beleggingen van gelden die eiseres eerder heeft ontvangen, zijn het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van een belastbare activiteit.

Eisers handelt als btw-belastingplichtige wanneer zij tegen vergoeding leningen verstrekt aan andere vennootschappen. Dit ongeacht of deze leningen worden verstrekt als economische steun aan die vennootschappen, als beleggingen van kasoverschotten dan wel om andere redenen (vergelijk HvJ 29 april 2004, nr. C-77/01, Empresa de Desenvolvimento Mineiro SGPS (EDM) / Fazenda Publica).

Het toestaan van leningen of kredietopeningen aan vennootschappen, onder om het even welke vorm, staat bovendien uitdrukkelijk vermeld in het maatschappelijk doel van eiseres. Dit wordt ook bevestigd in een aanvraag tot voorafgaande beslissing die eiseres deed in 2016 (stuk 16 van de Belgische staat).

Het jaarlijks verstrekken van leningen tegen vergoeding door eiseres aan andere vennootschappen, vormt dus een economische activiteit die wordt verricht door eiseres waarbij zij in haar hoedanigheid van belastingplichtige handelt.

Hieruit volgt ook dat er sprake is van een "specifieke economische activiteit van dien aard" in de zin van artikel 13 2° van het KB nr. 3.

Het verlenen van kredieten/leningen is vrijgesteld van btw (artikel 44 §3 5°) Btw-Wetboek). Het is dus geen handeling die recht geeft op aftrek.

Het gaat dus om een financiële handeling die in principe onder de werkingssfeer van de btw valt, maar die vrijgesteld is. De omzet van deze handeling moet dus in principe (als omzet van handelingen waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat) worden meegerekend in de noemer van het verhoudingsgetal van de aftrek.

Voor de berekening van dit verhoudingsgetal moet echter nog onderzocht worden of het verstrekken van de leningen een "bijkomstige financiële handeling" is (indien ja, dan moet de omzet van de lening/het-krediet toch buiten beschouwing worden gelaten voor de berekening van het verhoudingsgetal).

Eiseres wil een recht op aftrek bekomen. Het is dus eiseres die moet aantonen dat het effectief gaat om een "bijkomstige handeling". Eiseres moet dus aantonen dat het verstrekken van de leningen slechts een zeer beperkt gebruik impliceert van goederen of diensten waarvoor btw, verschuldigd is.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres dit bewijs niet levert. Eiseres verduidelijkt onvoldoende in welke mate de goederen of diensten waarop btw verschuldigd is (voornamelijk de kosten aangerekend door zaakvoerder C.C. Management bvba) al dan niet betrekking hebben op de leningen dan wel op de andere activiteiten. Er blijkt dus niet dat het voor wat betreft de leningen slechts gaat om een zeer beperkt gebruik.

Bovendien verklaarde eiseres dat

- de heer Klein zich onder meer bezighield met "aanwending van het kapitaal (de liquiditeiten)" van eisers en met het onderzoeken en analyseren van verschillende investeringsdossiers;

- dat de heer P. de overige twee zaakvoerders ondersteunde (klaarblijkelijk in zeer algemene zin, dus niet beperkt tot andere aspecten dan de leningen) en

- dat de heer T. zich bezighield met dagelijkse en praktische taken (klaarblijkelijk ook in zeer algemene zin, dus niet beperkt tot andere aspecten dan de leningen).

Er blijkt dus geenszins dat prestaties geleverd in het kader van de leningen maar een zeer beperkt deel uitmaken van de taken uitgevoerd door C.C. Management bvba.

Als de prestaties van zaakvoerders van C.C. Managemenet bvba geen betrekking hadden op de leningen, dan moet het voor eiseres toch mogelijk zijn .om voldoende in detail aan te tonen waarop deze prestaties dan wel betrekking hadden. Eiseres levert dat bewijs niet.

Ook de opbrengsten uit de leningen wijzen er geenszins op dat er voor wat betreft de leningen sprake is van een zeer beperkt gebruik in bovenvermelde zin.

Het verhoudingsgetal werd door de administratie dus correct berekend.

3. De btw-eenheid

Voor de periode waar het hier om gaat, was er geen btw-eenheid. Eiseres kan zich dus ook niet op de aanwezigheid van een btw-eenheid beroepen.

4. Besluit

De vordering van eiseres is ongegrond.

V. KOSTEN VAN DE PROCEDURE

Eiseres werd in het ongelijk gesteld en moet de kosten van de procedure betalen.

Dispositif

BESLISSING

De rechtbank beslist in eerste aanleg en op tegenspraak.

De rechtbank verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot betaling van de kosten van de procedure, door de rechtbank voor verweerder vereffend op nul euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A-kamer in het gerechtshof te Hasselt, op 4 FEBRUARI 2021 alwaar zetelden: ...

Ondertekeningen

Textes cités

5
CTVA art. 464 occurrences
AR no 3 art. 133 occurrences
AR no 3 art. 122 occurrences
CTVA art. 441 occurrence

Décisions similaires

8