Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel de Gand du 24.12.2019
WF 709-15-16/053963
[Favorable à l’Etat Belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à déduction – Preuve du droit à déduction – Condition de l’exercice du droit à déduction – Mentions sur la facture
Dispositions légales
Article 45, § 1er du Code de la TVA
Synthèse
1) Les faits et la procédure en première instance
L’assujettie est identifiée à la TVA pour une activité de développement de projet de constructions résidentielles. Elle était propriétaire d’un nouveau bâtiment qui a été mis à la disposition d’un exploitant d’hôtels et de restaurants. Le 5 août 2009, une convention « d’octroi d’exercer une activité professionnelle » a été conclue avec cet exploitant.
Lors d’un contrôle fiscal l’administration a constaté que les déclarations-TVA des troisième et quatrième trimestres 2013 mentionnaient en case 62 un crédit en faveur de l’assujettie d’un montant de 28.899,05€. L’administration a constaté qu’un montant important de la TVA ayant grevé la fourniture de services et d’équipements d’intérêt général avait été déduite. Selon l’administration, ces coûts concernaient l’exploitation de l’hôtel et du restaurant dont la TVA portée en compte en vertu de la convention avait été déduit à tort par l’assujettie. L’administration a constaté d’autres infractions relatives à la détention de factures irrégulières.
Le 2 août 2016, l’administration a notifié une contrainte. Par le biais d’une requête contradictoire datée du 15 novembre 2016, l’assujettie a introduit une action en justice. Le tribunal de première instance a déclaré la demande de l’assujettie recevable mais non fondée. L’assujettie a déposé un recours en appel contre ce jugement.
2) L’arrêt de la cour d’appel
a) La déduction de la TVA ayant grevé les coûts de la fourniture de services et d’équipements d’intérêt général au restaurant et à l’hôtel, les coûts sanitaires et les produits alimentaires
L’assujettie (l’appelante) souligne que dans la convention susmentionnée un montant forfaitaire a été déterminé et que les parties étaient d’accord sur le fait qu’il s’agissait d’un prix tout compris incluant la fourniture de services et d’équipements d’intérêt général à l’hôtel et au restaurant.
La cour juge que les accords se rapportent à des rémunérations auxquelles l’assujettie a droit en vertu de l’exécution de la convention. Les coûts de la fourniture de services et d’équipements d’intérêt général ne peuvent pas y être compris. Ces coûts ne peuvent pas être considérés comme la rémunération de la mise à disposition d’espaces déterminés mais concernent la fourniture de services publics à l’exploitant de l’hôtel et du restaurant. La convention ne contient aucune clause relative à la refacturation des frais concernant la fourniture de ces services publics.
L’article 45, § 1er, du Code de la TVA édicte que la TVA ayant grevé les biens et les services qui ont été fournis à l’assujettie n’est déductible que si ces biens et services sont affectés à son activité économique. L’assujettie souhaite déduire la TVA grevant des frais concernant une activité économique d’exploitant d’un hôtel-restaurant.
Concernant également les autres frais, l’administration considère à raison que les conditions reprises à l’article 45, §1er, du Code de la TVA ne sont pas satisfaites.
Ces frais ont été à juste titre rejetés.
b) La présentation de factures irrégulières
L’administration a également rejeté la déduction de la TVA reprise sur certaines factures en raison en raison de l’absence de mentions spécifiques devant être mentionnées sur ces factures. Il ressort de l’analyse de ces factures faites par l’administration qu’il ne s’agit pas d’irrégularités négligeables mais d’irrégularités graves qui rendent le contrôle de ces factures impossible. Ces irrégularités consistent notamment en l’absence du nom de l’assujettie contrôlée, de la date et du numéro de la facture. Par ailleurs des déductions ont été opérées sur base de bons de livraison, de bons de commande, de quittances d’assurances ou de tickets de caisse. L’assujettie n’est pas capable de produire les factures correspondantes et n’apporte pas la preuve, qui est à sa charge, que les conditions prescrites à l’article 45, § 1er, du Code de la TVA sont satisfaites.
L’assujettie ne fait pas droit à ses prétentions et doit, dès lors, supporter les frais judiciaires de la procédure en degré d’appel.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van beroep Gent, vijfde kamer, 24 december 2019
Rol: 2018/AR/1619
In de zaak van:
F.-P. N.V., ON 0871...., met maatschappelijke zetel te ..., appellante, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANClEN. Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur Generaal-Centrumdirecteur KMO Centrum Aalst, met burelen te 9300 AALST, Dr. A. Sierensstraat 16 bus 1, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...,
wijst het hof het volgend arrest:
1 De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 28 augustus 2018 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 8 mei 2018 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 16/4345.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 3 december 2019, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad. Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2 De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellante is geïdentificeerd als btw-belastingplichtige voor de activiteit van ontwikkeling van residentiële bouwprojecten. Ze was de eigenares van een nieuwbouwpand gelegen te .... Het pand is ingericht als hotel met restaurant.
De appellante sloot op 5 augustus 2009 met O. bvba, een overeenkomst 11 toekenning om recht om beroepswerkzaamheid uit te oefenen". Bij deze overeenkomst verleende de appellante aan O. bvba het recht om in het gedeelte 'hotel' van het voormelde pand in eigen beheer en voor eigen rekening, het hotel uit te baten. De appellante sloot op 1 juli 2010 met O. bvba ook een overeenkomst "toekenning om recht om beroepswerkzaamheid uit te oefenen", houdende het recht om in het gedeelte 'restaurant' van het pand te Wetteren in eigen beheer en voor eigen rekening, het restaurant uit te baten.
Bij vonnis van 14 oktober 2013 werd het faillissement uitgesproken van O. bvba. De appellante heeft nadien het hotel en het restaurant uitgebaat.
De beide overeenkomsten voorzien een maandelijkse vaste vergoeding.
De administratie voerde bij de appellante een fiscale controle uit. De btw aangiften van het 3de en 4de kwartaal 2013 vermelden in vak 62 een bedrag van 28.899,05 euro, zijnde een tegoed in het voordeel van de appellante. De administratie stelde naar aanleiding van de controle vast dat een groot bedrag aan btw op nutsvoorzieningen in aftrek werden gebracht. Volgens de administratie hebben deze kosten betrekking op de uitbating van het hotel en restaurant die volgens de overeenkomsten gebeurt door O. bvba en door de appellante ten onrechte in aftrek zijn gebracht. Volgens de administratie waren er nog andere inbreuken vastgesteld wegens het niet in bezit zijn van regelmatige facturen. Bij gebreke aan een reactie van de appellante verstuurde de administratie op 4 maart 2016 naar de appellante een correctieopgave per e-mail. Op 28 april 2016 liet de boekhouder van de appellante weten niet akkoord te kunnen gaan met de correctieopgave. Op 26 juli 2016 werd een proces-verbaal van regularisatie betekend. Op 2 augustus 2016 verstuurde de administratie naar de appellante een dwangbevel, houdende de vordering tot betaling van het bedrag van 21.288,60 euro.
Met een verzoekschrift van 15 november 2016 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.
In het vonnis van 8 mei 2018 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent als volgt uitspraak gedaan:
Verklaart de vorderingen van eiseres ontvankelijk doch ongegrond. Stelt vast dat tot dusver geen kosten van het geding te begroten zijn.
Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
3 De vorderingen van de partijen
3.1 De vordering van de appelante
De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het ingestelde hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren. Dientengevolge het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende;
Het bestreden dwangbevel nr. 500/1673/45584 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te zeggen voor recht dat concluante de BTW-wetgeving niet heeft overtreden zodat er uit dien hoofde geen BTW, boeten, intresten en kosten verschuldigd zijn;
Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig art.1022 Ger. Wb, in hoofde van concluante begroot als volgt:
- RPV eerste aanleg: € 2.400
- RPV beroep: € 2.400
3.2 De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep ontvankelijk te verklaren, maar het af te wijzen als ongegrond;
Het bestreden vonnis en het bestreden dwangbevel ten bedrage van 21.288,60 euro, geviseerd op 15/09/2016, te bevestigen;
De appellante te veroordelen tot de kost en van de procedure, inclusief de rechtsplegingvergoeding van€ 2.400,00
4 De betwistingen en hun beoordeling
4.1 Eerste_middel: de btw-aftrek voor kosten van nutsvoorzieningen restaurant/hotel sanitaire kosten en voedingswaren.
De appellante benadrukt dat in de voormelde overeenkomsten een forfaitaire prijs was bepaald en de partijen overeen kwamen dat in die prijs alles begrepen was, inclusies de nutsvoorzieningen voor het hotel en restaurant.
Die stelling van de appellante vindt geen steun in de artikelen 8.1 en 8.2 van de overeenkomst van 1 juli 2010. Artikel 8.3 van de overeenkomsten slaan op vergoedingen waarop de opdrachtgever of de medecontractant in uitvoering van de overeenkomst aanspraak kunnen maken. De kosten voor nutsvoorzieningen kunnen daaronder niet begrepen worden. Die kosten kunnen niet worden aangemerkt als vergoeding voor de terbeschikkingstelling van de bepaalde ruimtes, maar hebben betrekking op de levering van nutsvoorzieningen aan de uitbater van het restaurant en hotel. De overeenkomsten bevatten geen bepaling over de doorrekening van de kosten voor nutsvoorzieningen.
Artikel 45, §1 W.btw voorziet over de aftrekbaarheid van btw dat deze betrekking moet hebben op goederen en diensten die bestemd zijn voor de economische activiteit van de belastingplichtige. De appellante wenst de btw in mindering te brengen van kosten die betrekking hebben op de economische activiteit van O. bvba, die namelijk op basis van de voormelde overeenkomsten de uitbating verzorgt van het hotel en het restaurant. De kosten waren niet bestemd voor de economische activiteit van de appellante.
De administratie oordeelde terecht overeenkomstig artikel 45 W.btw en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen dat aangezien het hotel en restaurant werden uitgebaat door O. bvba, de appellante de btw op de kosten voor nutsvoorzieningen (elektriciteit, water, gas, telefoon) niet in aftrek kan nemen.
Ook de kosten voor sanitair zijn contractueel ten laste van de uitbater van het hotel en het restaurant. Dit is als volgt bepaald in artikel 1.4 van de overeenkomsten:
"De medecontractant zal de ter beschikking gestelde inrichting onderhouden en alle nodige grote en kleine herstellingen uitvoeren op zijn kosten (...)."
De kosten voor brandbeveiliging, voeding en vis zijn geen goederen of diensten die bestemd waren voor de economische activiteit van de appellante. Het zijn kosten die onmiskenbaar betrekking hebben op de uitbating van het hotel en restaurant die in de gecontroleerde periode gebeurde door O. bvba. Ook wat betreft deze kosten heeft de administratie terecht aangenomen dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 45, §1 W.btw. Deze kosten zijn terecht niet aanvaard.
O. bvba heeft op 6 juli 2013 een bedrag van 53.226,46 euro doorgefactureerd aan de appellante. Dit zouden kosten zijn met betrekking tot het gebouw. De appellante legt de factuur echter nog steeds niet voor. Uit het administratief dossier blijkt dat het kosten betreffen die aangerekend zijn door leverancier Win computers en om onderhoudskosten (o.m. betreffende de lift). Die kosten vallen overeenkomstig artikel 1.4 van de overeenkomsten ten laste van de uitbater. Aangezien de appellante bovendien de factuur nog steeds niet voorlegt, kan evenmin het hof de inhoud ervan controleren. De appellante komt niet tegemoet aan de op haar rustende bewijslast dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel artikel 45, §1 W.btw. Ook de aftrek van btw op deze doorgefactureerde kosten werd terecht verworpen.
Waar de appellante zich beroept op een groepsbelang en de continuïteit van de groep, bewijst de appellante die stelling niet concreet en voorziet de wet geen uitzondering op artikel 45 W.btw wegens een groepsbelang. De appellante bewijst niet dat de tenlasteneming van deze kosten kadert binnen een kwijtschelding van schuld ten behoeve van O. bvba.
4.2 Tweede middel: het ontbreken van een regelmatige factuur.
De administratie heeft ook de aftrek van de btw verworpen met betrekking tot bepaalde facturen wegens het ontbreken van bepaalde vermeldingen op deze facturen. Uit het overzicht dat de administratie voorlegt van die facturen blijkt dat het geen verwaarloosbare maar essentiële onregelmatigheden betreffen die het onmogelijk maken om de facturen te controleren, namelijk het ontbreken van de naam van de gecontroleerde belastingplichtige; de datum en het nummer van de factuur. In andere situaties betreft het een aftrek van btw op basis van een leveringsbon, bestelbon, verzekeringskwitantie, kasticket. De appellante legt deze facturen bovendien niet voor en komt ook hier niet tegemoet aan de bewijslast die zij draagt.
5 De gerechtskosten
De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.
Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.
Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 2.400,00 euro toepasselijk.
Dispositif
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:
• het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
• het bestreden vonnis wordt bevestigd.
• Het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):
• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR
- aan de kant van de geïntimeerde:
• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.400,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 24 december 2019.
Aanwezig: ...
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.