Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Louvain du 30.01.2004
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V O N N I S van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 30.01.2004
Rol nr.: 98/1820/A
NV B., ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder het nummer …, met maatschappelijke zetel te …, …;
eiser,
ter zitting vertegenwoordigd door meester V. O. loco meester M., advocaat te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Tienen, wiens kantoor gevestigd is te 3300 Tienen, Goossensvest 3;
verweerster,
ter zitting vertegenwoordigd door meester D. B., advocaat te …, …;
De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 19 december 2003 werd behandeld en op tegenspraak in beraad werd genomen.
Gelet op de artikelen 2-9-34-36-37-40 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
Gezien de geding inleidende dagvaarding - verzet tegen dwangbevel, op 10 augustus 1998 betekend door het ambt van A. I., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van Ch. V., gerechtsdeurwaarder met standplaats te Leuven.
Gelet op de neergelegde conclusies en stukken.
Gehoord de advocaten van partijen op de openbare zitting van 19 december 2003.
I. Voorwerp van de vordering
Op 19 juni 1998 betekende verweerster aan eiseres een dwangbevel d.d. 12 juni 1998 uitgevaardigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Tienen samen met een proces-verbaal d.d. 19 januari 1998 opgesteld door de heer V., adjunctcontroleur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, verbonden aan het controlekantoor van de BTW te Aarschot.
In het dwangbevel wordt betaling gevorderd van 861.037 BEF (thans 21.344,55 euro) als BTW en 86.000 BEF (thans 2.131,88 euro) als boete, te vermeerderen met de intresten en de kosten.
In het proces-verbaal wordt vermeld dat de aftrek geweigerd wordt van 845.484 BEF (thans 20.959,00 euro), kosten vermeld op zes facturen opgemaakt door de NV C. F. tussen 01 april 1994 en 25 juli 1994 en die volgens de BTW-administratie ten onrechte in aftrek gebracht werden omdat de gemaakte kosten, waarop de BTW werd geheven, niet gemaakt werden met het oog op het stellen van handelingen bedoeld in het BTW-Wetboek.
Tevens wordt de aftrek geweigerd van 15.553 BEF (thans 385,55 euro). Het totaal van de BTW geheven op de zes facturen van NV C. F. bedroeg 845.484 BEF en niet 861.037BEF, zoals ten onrechte in de aangifte vermeld.
Eiseres vraagt dat het dwangbevel teniet zou worden gedaan en zonder waarde zou worden verklaard.
Verweerster vraagt het verzet ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.
II. De Feiten
Eiseres had met de NV B. een overeenkomst afgesloten waarbij zij aangesteld werd als manager van de NV B.. Op grond van deze overeenkomst had zij recht op een jaarlijkse vergoeding van 5.447.678 BEF, geïndexeerd.
De overeenkomst werd afgesloten op 30 januari 1989 om te eindigen op 20 december 1994.
De NV B. maakte op 21 maart 1991 een einde aan de opdracht van eiseres.
Op 12 september 1991 ging eiseres over tot dagvaarding van de NV B. en vorderde betaling van een schadevergoeding ten bedrage van 22.486.272 BEF, te vermeerderen met de BTW, de intresten vanaf 25 maart 1991 en de kosten. Volgens eiseres zou zij, gelet op een niet-concurrentiebeding dat in de overeenkomst was opgenomen, om de procedure te laten slagen, hangende de procedure geen andere activiteiten mogen ontwikkelen. Zij verwierf inkomsten via de schadevergoeding die NV B. moest betalen. NV B. zou uiteindelijk een schadevergoeding van 12.950.000 BEF betaald hebben. Uit de stukken blijkt niet of NV B. door de rechtbank veroordeeld werd tot betaling van dit bedrag, dan wel of dit bedrag vastgesteld werd in een dading tussen partijen afgesloten.
Ingevolge een controle van de boekhouding van eiseres werd door de administratie een correctieopgave opgemaakt, die op 10 juli 1995 aan de gevolmachtigde van eiseres werd toegezonden.
De administratie verwerpt hierin zes facturen die door de NV C. F. in de periode van 1 april 1994 tot 25 juli 1994 werden opgemaakt. Deze facturen werden opgemaakt voor studiekosten (3 facturen) en aanwezigheid op beurzen (3 facturen). De administratie is van oordeel dat deze kosten gemaakt werden om de schadevergoeding te bekomen, en aldus niet werden gemaakt voor de uitoefening van een economische activiteit.
De gevolmachtigde van eiseres antwoordde bij schrijven d.d. 27 juli 1995 dat deze facturen :
• enerzijds betrekking hadden op studies die uitgevoerd werden om aan te tonen dat zij geen fouten in de uitvoering van haar opdracht als manager van de NV B. had begaan en noodzakelijk waren om de procedure in betaling van een·schadevergoeding te winnen;
• anderzijds betrekking hadden op aanloopkosten die moesten gemaakt worden om zich opnieuw in de markt van de chocoladeproducenten te profileren,
III. Beoordeling
1. De belastingplichtige heeft de bewijslast inzake de aftrek van de BTW (VANDEBERGH, H., De bewijsplicht van de fiscus inzake BTW en de omkering ervan door het instellen van wettelijke vermoedens., T.F.R., 2001, 999; AFSCHRIFT, T., Bewijs in fiscaal recht, De Boeck & Larcier NV, Brussel, 2002, blz. 71).
Dit betekent dat de belastingplichtige moet aantonen dat alle voorwaarden van artikel 45 van het BTW-Wetboek vervuld zijn.
2. Krachtens artikel 45, § 1 BTW-Wetboek mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
Eiseres schrijft in haar conclusie dat hangende de procedure tegen de NV B. zij ingevolge het niet-concurrentiebeding geen andere activiteiten mocht ontwikkelen om een kans op welslagen van de procedure te behouden. Tijdens deze periode oefende eiseres geen economische activiteiten uit en verrichtte zij geen belaste handelingen.
De diensten die verstrekt werden om schardevergoeding te kunnen ontvangen van de NV B. werden dan ook niet gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Op de door NV B. betaalde schadevergoeding werd trouwens door eiseres geen BTW betaald.
De BTW geheven op deze diensten komt dan ook niet voor aftrek in aanmerking (Vergelijk BTW-Commentaar nr. 45/86).
3. De BTW geheven op de kosten van een voorbereidende activiteit komt wel voor aftrek in aanmerking. Dit wordt door de Belgische Staat trouwens niet betwist.
4. Met betrekking tot de studiekosten (drie facturen) voert eiseres aan dat deze gemaakt werden om aan te tonen dat zij geen fouten in de uitvoering van haar opdracht als manager van de NV B. had begaan en noodzakelijk waren om de procedure in betaling van een schadevergoeding te winnen. De BTW op deze kosten komt niet voor aftrek in aanmerking.
Eiseres bewijst niet dat deze kosten ook als aanloopkosten kunnen worden beschouwd. In het schrijven d.d. 27 juli 1995 van de gevolmachtigde van eiseres aan de administratie wordt enkel vermeld dat de studiekosten gemaakt werden in het kader van de procedure om een schadevergoeding te bekomen. In dit schrijven, is ook wel sprake van aanloopkosten, maar deze worden niet in verband gebracht met de studies.
5. De kosten voor de deelname aan beurzen kunnen niet beschouwd worden als kosten die gemaakt zijn in het kader van de procedure om schadevergoeding te bekomen. Van deze kosten kan redelijkerwijs worden aanvaard dat zij gemaakt werden in voorbereiding van en met het oog op het uitoefenen van een economische activiteit die bestaat uit het verrichten van belaste handelingen.
De BTW geheven op deze kosten komt wel voor aftrek in aanmerking.
De BTW geheven op de volgende drie facturen, uitgeschreven door de NV C. F. komt derhalve voor aftrek in aanmerking (bedragen nog in BEF) :
Datum factuur Omschrijving BTW - bedrag
10/07/94 beurs enquête - aanwezigheid op beurzen 87.412
25/07/94 deelname vakbeurs 62.986
25/07/94 deelname Susswarenmarkt Keulen 61.956
TOTAAL 212.354
6. De vordering is dan ook gegrond voor 212.354 BEF (thans 5.264,12 euro), de daarmee overeenstemmende boete en intresten.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtsprekende op tegenspraak en in eerste aanleg.
Verklaart de vordering ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.
Verklaart het dwangbevel d.d. 12 juni 1998 uitgevaardigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Tienen zonder waarde in zoverre het ertoe strekt betaling te bekomen van een bedrag van VIJFDUIZEND TWEEHONDERD VIERENZESTIG EURO TWAALF CENT (5.264,12 euro) voor BTW die door eiseres afgetrokken werd ingevolge drie facturen uitgeschreven door NV C. F. op respectievelijk 10/07/94, 27/07/94 en 25/07/94, de geldboete op dit bedrag evenals de op dit bedrag gevorderde intresten.
Veroordeelt eiseres tot drie vierde en verweerster tot één vierde van de kosten.
Begroot de kosten voor eiseres op 99,33 euro (dagvaarding) + 342,10 euro (rechtsplegingsvergoeding) en voor verweerster op 342,10 euro (rechtsplegingsvergoeding).
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 30 januari 2004, waar zetelden :
de heer L. W., rechter;
mevrouw G. D., e.a. adjunct-griffier.
G. D. L. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.