Droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 29 avril 1996

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-hasselt-1996-04-29-7f71

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
29 avril 1996

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

49 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 29.04.1996

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, VIJFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE AR NR. 95/771/A :

S. D. – L. P., NV, …, …, voorheen NV L. P. – D. L., …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, BTW-nummer …,

eiseres,

vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. V., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor Bree, wiens kantoor gelegen is te Bree, Grauwe Torenwal, 2,

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. Y. D., advocaat, te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Bij geregistreerd exploot van plv. gerechtsdeurwaarder D. P. te … dd. 7.4.1995 liet eiseres verweerder dagvaarden in terugbetaling van … fr, meer de gerechtelijke intresten en de kosten.

Eiseres houdt voor dat dit bedrag op 16.3.1995 ten onrechte werd ingehouden door verweerder.

Bij besluiten wordt thans … fr gevorderd daar na 16.3.1995 nog bedragen werden ingehouden.

Standpunt van eiseres

1. Art. 46 BTW-Wb. is onwettig.

2. Art. 46 BTW-Wb. is terzake niet toepasselijk omdat zij geen gemengde belastingplichtige is. In ieder geval vallen de prijzengelden niet onder de BTW.

Het verweer

1. Art. 46 BTW-Wb. is niet in strijd met art. 17 van de Zesde Richtlijn.

2. Eiseres is een gemengde belastingplichtige omdat zij handelingen stelt met recht op aftrek en zonder recht op aftrek van de BTW. De gewonnen prijzengelden dienen te worden opgenomen in de breuk voor de berekening van het verhoudingsgetal zoals voorzien in genoemd art. 46. Aanvullend wordt gesteld dat zelfs zo eiseres geen gemengde belastingplichtige zou zijn zij nog geen recht heeft op de volledige aftrek van de BTW.

Beoordeling

De gevolgtrekkingen dewelke eiseres meent te mogen afleiden uit een Arrest van het Hof van Justitie van 6.4.1995 kunnen niet worden aangenomen.

De nationale wet zowel als de zesde richtlijn maken gewag van het verlichten van twee soorten handelingen, namelijk enerzijds handelingen waarvoor rechtop aftrek bestaat en anderzijds andere handelingen. Terecht stelt eiseres dat de soorten inkomsten geen rol spelen bij het nagaan of iemand een gemengde belastingplichtige is. Anderzijds kan het standpunt van verweerder worden bijgetreden waar deze besluit dat "gemengde kosten" slechts kunnen bestaan wanneer de belastingplichtige handelingen. stelt met hetzelfde gemengd karakter.

Van deze principes werd niet afgeweken door voormelde uitspraak. Blijft evenwel te onderzoeken of verweerder ten deze een juiste toepassing deed van art. 46 BTW-Wb.

De bewering dat dit art. onwettig zou zijn is uiteraard heel wat anders en dient om hogervermelde redenen te worden verworpen.

Eiseres stelt in haar aanvullende besluiten op p. 5 "concluant heeft in feite maar één activiteit nl. paardenhandel. De wedstrijden zijn slechts een promotie van paarden, beiden blijven dus één geheel vormen. Derhalve kan er geen sprake zijn van gemengde belastingplicht want er zijn geen gescheiden activiteiten". Volgens haar dient er derhalve een nieuwe afrekening te worden gemaakt in functie van de bestemming der kosten overeenkomstig art. 45 BTW-wetboek.

Het standpunt van verweerder in derde aanvullende besluiten is. niet zo duidelijk waar voorgehouden wordt dat er geen toepassing kon gedaan worden van art. 45 omdat : "... die goederen en diensten zonder onderscheid en tegelijkertijd zowel voor belastbare als voor niet belastbare handelingen wordt gebruikt." Dit zou de reden zijn waarom een praktische toepassing werd gedaan van art. 46 § 2 BTW-Wb.

Ten gronde stellen zich voorafgaandelijk twee vragen :

1° is eiseres te beschouwen als een gemengde belastingplichtige in de zin van art. 46 § 1 BTW-Wb. en van art. 17 lid 5 van de Zesde Richtlijn?

2° was het voor verweerder onmogelijk zoals wordt voorgehouden om de toegelaten BTW-aftrek te bepalen cfr. art. 45 § 1 BTW-Wb.?

De rechtbank is van mening terzake geen standpunt te kunnen innemen op basis van de voorgelegde stukken zodat het aangewezen voorkomt om het advies te verzoeken van een deskundige waarna het mogelijk zal zijn terzake een verantwoorde beslissing te nemen.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN·:

De rechtbank,

rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de eis ontvankelijk, doch alvorens verder ten gronde te statueren stelt aan als deskundige de heer L. V. C., belastingsconsulent, …, …, met als opdracht : "Partijen en de rechtbank op te roepen conform art. 965 Ger. W. op een plaats door hem te bepalen.

Rekeninghoudend met de verklaring van partijen, de voorgelegde stukken en alle andere terzake dienende gegevens, een gemotiveerd advies te verstrekken betreffende :

1° stelde eiseres in 1991 tot en met 1994 twee soorten handelingen zoals voorzien in de nationale wet en de Zesde Richtlijn?

2° was het verweerder in de gegeven omstandigheden al dan niet materieel mogelijk om een berekening te maken van de aftrekbare BTW. cfr. art. 45 § 1 van het BTW-Wb. en dit voor genoemde periode?

Een voorlopig verslag over te maken aan partijen en hun opmerkingen te beantwoorden. Het behoorlijk beëdigd verslag (art. 979 Ger. W.) neer te leggen ter griffie dezer rechtbank binnen de drie maanden van de ontvangst van de gerechtsbrief, waarmede hem het vonnis wordt medegedeeld, inhoudende zijn aanstelling als deskundige.

De staat van kosten en ereloon onderaan het verslag te stellen."

Houdt de uitspraak over de kosten aan en verzendt de zaak naar de bijzondere rol van deze kamer.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vijfde kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 29 ARPIL 1996, alwaar zetelden :

De Heer R. S., Ondervoorzitter,

De Heer R. D., Griffier.

R. D. R. S.

Textes cités

2

Décisions similaires

8