Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 03.01.2003
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel
In zake van :
B.V.B.A. J., met maatschappelijke zetel te …, …, H.RR nr. …
Eisende partij
Vertegenwoordigd door Mter M. V. loco Mter B. A., advocaat te …, …
Tegen :
De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Heer Minister van Financiën, wiens kabinet is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van de Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat, 51-57
Verwerende partij
Vertegenwoordigd door Mter A. D., advocaat te …, …
In deze zaak, in beraad genomen op 6 december 2002, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :
I. PROCEDURE :
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel, betekend door gerechtsdeurwaarder R v. H. te … op 3 mei 2000 op verzoek van eiseres, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;
- de besluiten aanvullende en tweede aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 15 juni 2000, op 19 maart 2002 en op 20 juni 2002;
- de besluiten en aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 20 december 2001 en op 21 mei 2002.
Gehoord de advocaten van partijen ter openbare zitting van 6 december 2002, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 193 5 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
Il. FEITEN EN RETROACTEN :
De BVBA J., huidige eiseres, heeft voor de uitoefening van haar beroepswerkzaamheid van matrijzenmaker de hoedanigheid van Btwbelastingplichtige. Zij is geregistreerd onder het Btw-registratienummer BE….
Op 12 mei 1999 heeft de heer B., eerstaanwezend inspecteur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het Btw-controlekantoor te Overijse, zich na voorafgaande schriftelijke kennisgeving, begeven naar de BVBA J., teneinde er een controle uit te voeren op de juiste toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de BTW. De gecontroleerde periode betrof deze van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1998.
De heer Buy! meende als gevolg van deze controle dat voor de leasingfacturen mei beirelckin3 tot een voE'rtui3 Chrysl<>r Voya3er Grand Crew Cab, Alsmede voor de brandstof, onderhouds- en herstellingsfacturen voor dat voenuig ten onrechte een aftrek van 100 % werd toegepast.
Op 19 oktober 1999 werd door de heer B. op grond van de gedane vaststellingen een correctieopgave opgemaakt, met het verzoek de voorgestelde regularisatie voor akkoord te ondertekenen en binnen de twintig dagen terug te zenden. Bij bezwaren tegen de voorgestelde regularisatie werd verzocht deze binnen dezelfde termijn te laten kennen.
De BVBA J. reageerde evenwel niet.
De vaststellingen werden overgenomen in een proces-verbaal van 28 februari 2000, dat bij dwangbevel uitgevaardigd op 14 maart 2000 per aangetekend schrijven op 11 april 2000 ter kennis werd gebracht van de BVBA J.
Ingevolge voormeld dwangbevel was verschuldigd :
- als BTW : … euro (… BEF)
- als geldboete : … euro (… BEF)
- als interesten : p.m. vanaf 21 januari 1999.
Op 3 mei 2000 tekende de BVBA J. verzet aan tegen het dwangbevel.
Op 8 mei 2000 werd een betaling van … euro (… BEF) toegerekend op voormelde schuld (… euro (… BEF) werd toegerekend op de verlopen interesten, … euro (… BEF) op de boete en … euro (… BEF) op de rechten. Bleef nog een bedrag van … euro (… BEF) aan BTW verschuldigd).
IIl. IN RECHTE :
A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN :
Eiseres vraagt haar verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens :
- voor recht te verklaren dat het dwangbevel, uitgevaardigd lastens haar op 14 maart 2000, nietig is, minstens de bij dit dwangbevel gevestigde aanslag nietig te verklaren;
- dienvolgens voor recht te zeggen dat zij gerechtigd was om de volledige aftrek van de BTW op de kwestieuze facturen toe te passen;
- verweerder vervolgens te veroordelen tot het terugbetalen van alle bedragen die hij op grond van dit bevel tot betalen zal hebben ontvangen, te vermeerderen met de interesten a rato van 0,8 % per maand vanaf de datum van die onverschuldigde betaling;
- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en met uitsluiting van het recht op kantonnement of borgstelling.
Verweerder vraagt de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en haar in haar eis af te wijzen.
B. BEOORDELING :
1) Wat het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel betreft :
1.1. Eiseres wijst erop dat de kwalificatie als lichte vrachtwagen, dan wel als voertuig bedoeld in art. 45, § 2 W.B.T.W. blijkt uit het proces-verbaal van goedkeuring door het Bestuur van het Vervoer. In de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990, uitgevaardigd door het ministerie van Financiën, wordt steeds verwezen naar de kwalificatie van het ministerie van Verkeer om in concreto na te gaan of een voertuig voor Btw-doeleinden als lichte vrachtwagen, dan wel als een voertuig geviseerd door art 45, § 2 W.B.T.W. moet worden beschouwd.
Bijgevolg stelt eiseres dat zij zich voor de kwalificatie van het voertuig dan ook met het volste vertrouwen heeft gebaseerd op het proces-verbaal van goedkeuring, afgeleverd door het ministerie van Verkeer en Infrastructuur, Bestuur van de verkeersreglementering en van de infrastructuur, dat het kwestieuze type voertuig als een lichte vrachtwagen goedkeurde.
Na het lichten van de optie in het kader van het leasingcontract op naam van eiseres werd het voertuig eveneens als een lichte vrachtwagen ingeschreven bij de Dienst Inverkeerstelling van Voertuigen.
Rekening houdende met deze twee welbepaalde feitelijke gegevens uitgaande van administratieve overheden, meent eiseres dat zij er rechtmatig op mocht vertrouwen dat de kwalificatie van het ministerie van Verkeer de juiste was, en dat de Btwadministratie, die een dergelijke kwalificatie steeds overneemt voor Btw-doeleinden, dit ook voor het kwestieuze voertuig zou doen.
Volgens eiseres getuigt het van weinig zin voor behoorlijk bestuur dat de Btwadministratie hier voor het kwestieuze voertuig wenst af te wijken, en wordt zodoende een inbreuk gemaakt op het rechtszekerheidsbeginsel.
Uit het cassatiearrest van 27 maart 1992 (Arr Cass., 1991-92, 727: Btw-Revue, 1995, 815; Fisc. Koer, 1992, 374; N.F.M, 1993, 70; Pas., 1992, I, 680; R.C.J.B., 53) kan volgens eiseres worden afgeleid dat wanneer de administratie de belastingplichtige op het verkeerde been heeft gezet, en bij hem gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt, het recht op rechtszekerheid inhoudt dar deze verwachtingen worden gehonoreerd, zelfs indien daardoor wettelijke bepalingen terzijde moeten worden gesteld.
1.2. Verweerder merkt op dat werd vastgesteld dat, ingevolge een administratieve misslag uitgaande van de Directie voor Inschrijving van voertuigen (D.I.V.), het voertuig Chrysler Grand Voyager Crew werd ingeschreven als “lichte vrachtwagen met dubbele cabine” en dit in de periode van 9 mei 1994 tot 31 december 1995. Ingevolge een (mis)classificatie werd voor het betreffende type voertuig de beperking van het recht op aftrek, zoals bedoeld in art. 45, § 2 W.B. T.W., door eiseres niet toegepast.
Verweerder wijst erop dat de zg. “voertuigen met dubbele cabine” slechts kunnen worden ingeschreven als lichte vrachtwagen wanneer zij aan de criteria beantwoorden die gemeenschappelijk zijn inzake de BTW, de verkeersbelasting en de vereisten gesteld door het ministerie van Verkeerswezen. Die gemeenschappelijke criteria liggen vervat in de circulaire nr. 10 van 11 september 1987, zoals nadien gewijzigd door de circulaire nr. 25 van 11 december 1990.
Verweerder stelt dat één van deze voorwaarden is dat de bestuurdersruimte moet bestaan uit een stevige en afgesloten constructie, volledig gescheiden van de ruimte bestemd voor de goederen. Deze passagiersruimte mag oorspronkelijk zo gebouwd zijn (type : “pick-up”), ofwel door verbouwing afgeleid zijn van een·afgesloten bestelwagen, met uitsluiting van elke verbouwing van een personenauto of een auto voor dubbel gebruik tot een “dubbele cabine”.
In geen geval kan de hoedanigheid van voertuigen met dubbele cabine worden toegekend aan personenwagens en auto's voor dubbel gebruik.
Verweerder meent dat een voertuig Chrysler Grand Voyager Crew noch in oorsprong een type “pick up”, noch een gesloten bestelwagen is, maar een afgeleide van een personenauto of een auto voor dubbel gebruik, zodat de beperking van het recht op aftrek van de BTW, krachtens art. 45, § 2 W.B.T.W., van toepassing is.
Volgens verweerder werd het rechtszekerheidsbeginsel niet geschonden, nu reeds bij het eerste Btw-toezicht bij eiseres op 12 mei 1999 door de controleagent werd gewezen op de beperking van art. 45, § 2 W.B.T.W., en de Btw-administratie op geen enkel moment haar standpunt daaromtrent heeft gewijzigd. Verweerder meent dat de foutieve kwalificatie door de D.I.V. niet kan leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen in hoofde van eiseres dat de Btw-administratie zonder onderzoek of controle deze kwalificatie zou overnemen en dus de volledige aftrek zou aanvaarden.
1.3. De rechtbank meent dat verweerder op grond van voormelde administratieve circulaires terecht voorhoudt dat de door eiseres aangekochte wagen niet kan worden aangemerkt als een lichte vrachtwagen.
Derhalve is de rechtbank van oordeel dat eiseres ten onrechte voorhoudt dat zij recht heeft op de volledige aftrek van de BTW met betrekking tot het door haar aangekochte voertuig.
Eiseres verwijst naar de uitdrukkelijk vermelding in voormelde administratieve aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987, onder nr. 4, dat de in deze circulaire uitgewerkte criteria “geldig zijn voor de BTW, de inschrijvingstaks, de verkeersbelasting en voor het ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer (goedkeuring van de voertuigtypes en inschrijving)”.
In dat verband kan de rechtbank niet voorbijgaan aan het feit dat het door eiseres aangekochte voertuig bij de D.I.V. werd ingeschreven als lichte vrachtwagen en dat het ook door het ministerie van Verkeer als dusdanig werd beschouwd.
Voormelde administratieve circulaires regelen niet het geval waarin een voertuig op grond van de daarin uitgewerkte criteria voor de toepassing van de BTW niet als lichte vrachtwagen kan worden beschouwd, terwijl het voor de inschrijvingstaks en voor het ministerie van Verkeer wel als dusdanig zou worden beschouwd.
De aangehaalde vermelding in voormelde administratieve aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987, onder nr. 4 heeft naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet tot gevolg dat voormelde administratieve circulaires twee verschillende wijzen zouden bevatten om uit te maken of een voertuig al dan niet als lichte vrachtwagen kan worden beschouwd : in de eerste plaats de in deze circulaires opgenomen voorwaarden in de tweede plaats de categorie waaronder het voertuig is ingeschreven voor de inschrijvingstaks, de verkeersbelasting en voor het ministerie van Verkeer.
De rechtbank meent dat het niet mogelijk is een dergelijke draagwijdte aan voormelde administratieve circulaires te geven. De enige·wijze om uit te maken of een voertuig als lichte vrachtwagen kan worden beschouwd,. bestaat erin de criteria / voorwaarden van deze circulaires toe te passen.
Volkomen terecht houdt de administratie van de BTW zich aan deze criteria, zonder dat de categorie waaronder het voertuig is ingeschreven bij de D.I.V. of voor de inschrijvingstaks of de verkeersbelasting daaraan afbreuk kan doen voor wat de aftrekregeling van de BTW betreft.
Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiseres - voor wat de aftrekregeling van de BTW betreft - niet zonder meer mocht voortgaan op het feit dat het door haar aangekochte en in het verkeer gebrachte voertuig door de D.I.V. als een lichte vrachtwagen werd gekwalificeerd.
Wat het door eiseres ingeroepen rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel betreft, is de rechtbank van oordeel dat enkel indien de Btw-administratie zelf gedurende een zekere tijd de kwalificatie van lichte vrachtwagen aan het kwestieuze voertuig had gegeven. eiseres het rechtszekerheidsbeginsel zou hebben kunnen inroepen. In dat verband heeft het Hof van Cassatie immers beslist dat het recht op rechtszekerheid o.m. inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid (zie Cass, 27 maart 1992, voormeld).
In casu kan bezwaarlijk worden gesteld dat er een vaste en reeds jaren geldende gedrags- of beleidsregel van de Btw-administratie voorhanden was, die erin bestond het kwestieuze voertuig op het vlak van de BTW als lichte vrachtwagen te kwalificeren, wel integendeel.
Sedert 1987 geldt immers de administratieve circulaire nr. 10, volgens dewelke een type voertuig zoals dat van eiseres niet beantwoordt aan de voorwaarden om als een lichte vrachtwagen te worden gekwalificeerd. Er bestond derhalve geen vaste beleidsregel om de aftrek van de BTW ten belope van 100 % toe te laten voor wagens van het type van eiseres, wel integendeel.
2) Wat het rechtszekerheidsbeginsel op Europees vlak betreft :
2.1. Eiseres wijst er nog op dat het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen niet alleen van onze rechtsorde deel uitmaakt, maar ook van de rechtsorde van de E.G., en bijgevolg, zoals alle andere algemene beginselen van het gemeenschapsrecht dient te worden geëerbiedigd door elke nationale overheid belast met het gemeenschapsrecht.
Daarbij rijst, volgens haar, eveneens de vraag of de intrekking van de goedkeuring van het voertuig als lichte vrachtwagen, en de daaruit voortvloeiende retroactieve ontneming van de Btw-aftrek, al dan niet in strijd is met de bepalingen van de Zesde Btw-Richtlijn in verband met het recht op Btw-aftrek, in samenhang met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. In het bijzonder verwijst eiseres naar art .17, leden 2 en 6 van de Zesde Btw-Richtlijn.
Volgens art. 17, lid 6 van de Zesde Btw-Richtlijn bepaalt de Raad uiterlijk binnen de vier jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze Richtlijn voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de BTW bestaat, en kunnen de lidstaten, tot deze voorschriften in werking treden, elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze Richtlijn voorzag.
In dat verband wijst eiseres erop dat de aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987 werd gewijzigd door de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 waardoor. voertuigen met dubbele cabine nog slechts kunnen worden aangemerkt als “lichte vrachtwagen” wanneer ze aan een aantal zeer strikte voorwaarden voldoen. Door deze nieuwe aanschrijving werd, volgens eiseres, het in kwestie zijnde voertuig “Chrysler Voyager Grand Crew Cab” niet meer als “lichte vrachtwagen” gekwalificeerd, en leidde deze aanschrijving tot een engere definitie van het begrip “voertuigen met dubbele cabine”.
Nochtans meent eiseres dat het Hof van Justitie in haar vaste rechtspraak stelt dat uitzonderingen van het recht op aftrek restrictief moeten worden geïnterpreteerd. Eiseres stelt dat een restrictieve interpretatie meebrengt dat ook ondergeschikte wijzigingen met betrekking tot het recht op aftrek, die de doelstelling van de Richtlijn niet dichterbij brengen, niet zijn toegestaan.
Beide aanschrijvingen dateren van na de inwerkingtreding van de Zesde BtwRichtlijn, die zich verzet tegen een nationale maatregel die een verandering brengt in de bestaande rechtstoestand, hetgeen volgens eiseres in casu het geval is.
2.2. Volgens verweerder werden het vertrouwensbeginsel en de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht niet geschonden.
Hij wijst erop dat de aftrekbeperking van art. 45, § 2 W.B.T.W. dateert van voor 1 januari 1979 en dus als overgangsbepaling van kracht blijft. Derhalve dient de nationale bepaling met betrekking tot de Btw-aftrek van art. 45 § 2 W.B.T.W. niet te worden geweerd onder invloed van de bepalingen van de Zesde Btw-Richtlijn.
Verder wijst verweerder erop dat het begrip “lichte vrachtwagen” zijn grondslag vindt in art. 1, punt 5 van het KB. van 15 maart 1968. Een lichte wachtwagen betreft een voertuig met een hoogst toegelaten gewicht van niet meer dan 3.500 kg, gebouwd of definitief omgevormd voor het vervoer van goederen en essentieel voor dit doel bestemd. In de aanschrijvingen nr. 10 van 1987 en nr. 25 van 1990 worden de criteria opgenomen die een betere omschrijving beogen van laatstgenoemd begrip. In aanschrijving nr. 10 van 1987 wordt bovendien letterlijk. Verwezen naar de omschrijving uit voornoemd K.B.
Verweerder is van oordeel dat noch op grond van de bepaling uit art. 1, punt 5 van voornoemd K.B., noch op grond van de in de aanschrijving nr. 10 van 1987, zoals later gewijzigd door aanschrijving nr. 25 van 1990 opgenomen criteria, het voertuig in kwestie kan of kon worden beschouwd als een lichte vrachtwagen, zodat de rechtstoestand van het betreffende voertuig door de toepassing van de classificatiecriteria geenszins werd gewijzigd.
2.3. De rechtbank treedt ook op dit punt verweerder bij om de door hem aangehaalde redenen.
3) Wat de geldboete betreft :
In casu werd door verweerder een boete van … geheven.
Naar het oordeel van de rechtbank is de boete in onderhavig geval onevenredig met de door eiseres gepleegde overtreding van art 45, § 2 W.B.T.W., met name omdat in dit dossier andere overheidsinstellingen een misslag hebben begaan, en eiseres, die volkomen te goeder trouw was, daardoor begrijpelijkerwijze in verwarring werd gebracht.
De rechtbank meent om voormelde redenen dat eiseres geen enkele geldboete opgelegd moet krijgen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak.
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vordering van BVBA J. ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.
Verklaart de vordering van de Belgische Staat tot betaling van enige geldboete en interesten daarop aangerekend ongegrond.
Veroordeelt dienvolgens de Belgische Staat tot terugbetaling van elke som die hij uit dien hoofde heeft geïnd.
Wijst het meergevorderde af.
Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, met dien verstande dat de wederzijds gevorderde rechtsplegingsvergoedingen worden omgeslagen. Deze kosten worden begroot op … €;
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel,
op datum van : 3 januari 2003,
Waar aanwezig waren en zitting namen:
- de heer V. J., alleenrechtsprekend rechter, en
- mevrouw B., afgevaardigd adjunct-griffier.
B. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.