Droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 19 mars 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-anvers-2003-03-19-c849

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
19 mars 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

52 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 19.03.2003

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op negentien maart tweeduizend en drie in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

Inzake : AR nr. 02/4001/A

NV l., ingeschreven in het handelsregister Mechelen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester L. D. V. loco meester V. D., advocaat, kantoorhoudende te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

- Ministerie van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de heer Gewestelijk Directeur van de Gewestelijke Directie Mechelen, wiens kantoren zijn gevestigd te 2800 Mechelen, Lange Heergracht 2 (volgens inleidend verzoekschrift),

- in de persoon van de Heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit met kantoor te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 21-23 (volgens besluiten van verwerende partij).

verwerende partij,

verschijnende bij meester P. S. loco meester L. C., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9 juli 2002,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 25 september 2002,

- de wijzigende beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 18 december 2002,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 19 februari 2003.


De controledienst BTW heeft ten aanzien van eiseres een correctieopgave opgesteld.

Er gebeurde verwerping van aftrek van voorbelasting onder artikel 45, § 3 BTW-Wetboek (W.BTW), omdat de controledienst bepaalde kosten beschouwt als kosten van onthaal, waartegenover eiseres staande houdt dat het gaat om kosten van reclame-publiciteit.

Het verzet van eiseres behelst zowel de voor haar negatieve directorale beslissing die volgde op haar niet wettelijk georganiseerde bezwaar, als het naderhand op de beslissing gevolgde dwangbevel.

Eiseres blijkt tegen 27 november 2000 een evenement te hebben georganiseerd in haar bedrijf, waarbij er blijkens de uitnodigingen voor de namiddag een 'technisch veevoeder seminarie' werd aangekondigd met hoogst gespecialiseerde sprekers, en waarbij er voor 's avonds een fabrieksbezichtiging werd ingericht, waarbij 'onze nieuwe productiefaciliteiten en kantoren officieel (worden) ingehuldigd door de Minister van Landbouw ... , gevolgd door een walking dinner'.

De correctieopgave heeft de aftrek van alle voorbelasting met betrekking tot het concrete verloop ter plaatse van dat evenement, bepaaldelijk post per post verworpen.

Waar de belastingdienst verwijst naar een eigen aanschrijving over dit onderwerp (103/1970), moet de rechtbank onderzoeken of de voorliggende aftrekposten worden toegelaten dan wel worden geweerd door de wet, waarbij een aanschrijving hooguit indicatief kan zijn.

Eiseres verwijst daartoe naar een in artikel 17.6 van de Zesde EG-Richtlijn inzake BTW, als volgt :

"De uitgaven dit geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, zijn in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten”.

Een onderneming die haar bedrijfsvoering, aldus haar omzet van producten, wil bevorderen en daaruit bedrijfsresultaat nastreeft, beslist vrij op welke wijze zij de verwezenlijking van dit oogmerk nastreeft;

Verweerder is van oordeel dat het met het evenement gepaard gaande onthaal geen strikt professioneel karakter had.

Het is nochtans te dezen niet in betwisting dat de hogerop vermelde gespecialiseerde sprekers de aanwezigen hebben toegesproken ter zake een materie die de specifieke bedrijfsvoering van eiseres behelst, en het is ook niet in betwisting dat de genodigden daartoe waren geselecteerd en waren gekomen.

Het is evenmin te dezen in betwisting dat eiseres te dier gelegenheid tegelijk haar nieuwe kantoren en bedrijfsinrichting liet inhuldigen, zulks door de voor haar branche bevoegde minister.

Het was aan eiseres om in het kader van haar bedrijfsvoering te beslissen welke middelen zij daartoe aanwendde en op welke wijze zij die middelen uitwerkte, zoals te dezen het onthaal in haar onderneming, gepaard gaande met het sturen van uitnodigingen, het vervoer van zekere genodigden, het voorzien van decoratie, fotografie en bewaking, het houden van receptie en/of ‘walking dinner', enzovoort.

De fiscale wet verbindt echter gevolgen aan deze wijze van bedrijfsvoering.

Het hogerop geciteerde artikel 17.6 van de Zesde BTW-Richtlijn ontzegt het recht op aftrek van voorbelasting aan uitgaven die geen strikt professionele aard hebben.

Waar artikel 45, § 3, 4° W.BTW in uitvoering van deze bepaling van de Richtlijn de aftrek van voorbelasting inzake kosten van onthaal ontzegt en de door eiseres te dezen gemaakte kosten geen strikt professioneel karakter hebbe naar vereiste van de Richtlijn, blijkt dat verwerping van aftrek van voorbelasting met betrekking tot de in de correctieopgave bepaaldelijk en met duidelijke omschrijving opgenomen uitgaven terecht te zijn geschied als kosten van onthaal.

Nergens bepaalt de wet dat kosten van onthaal niet tegelijk een bedrijfsbevorderend karakter mogen hebben, wat ze te dezen klaarblijkelijk trouwens ook wel hadden, wat echter niet belet dat ze geen strikt professioneel karakter hadden, ook al werden ze verricht naar aanleiding van - en waren ze aldus geënt op - een evenement dat zelf ontegensprekelijk de bevordering van omzet nastreefde, en dat is ingevuld door het houden van voordrachten door gespecialiseerde sprekers naast tegelijk ook de voorstelling van de nieuwe bedrijfsaccomodatie.

Het onthaal, dat bestond in het creëren van de hogerop vermelde omstandigheden die aan de aanwezigen vermaak en ontspanning boden en/of die het weliswaar voor eiseres op zich professionele verblijf van de genodigden veraangenaamden, ontbeerde bijgevolg zelf het door de wet vereiste strikte professionele karakter.

De omschrijving die het Hof van Justitie in een arrest van 17 november 1993 heeft gegeven aan het begrip publiciteit houdt geen verband met de te dezen voorliggende betwisting, waarin de vraag voorligt naar de concrete toepassing van het begrip 'kosten van onthaal'.

Het verzoek van eiseres tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie met betrekking tot de termijn van vier jaar in de eerste zin van het eerste lid van het opgemelde artikel 17.6 van de Zesde BTW-Richtlijn inzake BTW berust naar oordeel van de rechtbank op een verkeerde lezing van die eerste zin, nu de tweede zin van hetzelfde eerste lid bepaalt dat de uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, 'in elk geval' van het recht op aftrek zijn uitgesloten.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, deze aan elke zijde in conclusie begroot, en door de rechtbank aan de zijde van verweerder vereffend op 167,33 EUR bij wijze van geactualiseerde recbtsplegingsvergoeding.

N. D. L. B.

Textes cités

1
CTVA art. 451 occurrence

Décisions similaires

8