Droit à déduction de l’impôt, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 5 février 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-preuve-mesure-tribunal-bruxelles-2008-02-05-61b4

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
5 février 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

78 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 05.02.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 35ste Kamer

AR 2003/10441/A

- BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De NV A. T., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. Chr. K. loco Mr. P. L., advocaat te …, … (ref. : ),

tegen :

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de FOD Financiën, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. J. B. loco Mr. J. H., advocaat te …, … (ref. : 4233),

In deze zaak, in beraad genomen op 15 januari 2008, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

- het geding inleidend exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder W., in vervanging van gerechtsdeurwaarder M. met standplaats te …, d.d. 24 juli 2003,

- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 27 november 2007,

- de conclusie en aanvullende conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie respectievelijk op 28 oktober 2003 en op 8 juni 2005,

- de conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op 21 maart 2005,

- het bundel met stavingstukken van verweerster, neergelegd ter griffie op 19 december 2007,

- het bundel met stavingstukken van eiseres, neergelegd ter zitting d.d. 15 januari 2008.

De raadslieden van partijen werden in openbare zitting gehoord, waarna de zaak in beraad genomen werd.


1. FEITEN

Eiseres baat een kleinhandel uit in geluids- en lichtinstallaties, alarm- en beveiligingstoestellen en diverse elektrische toestellen. Voor haar activiteiten is zij als belastingplichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE ….

In haar BTW-aangifte voor het vierde kwartaal 2002 heeft eiseres onder vak 83 (investeringen) onder meer de aankoopprijs opgenomen voor een trekker met aanhangwagen van het merk Renault ten bedrage van € 123.752,19. De BTW op dit bedrag werd opgenomen in het vak 59 van de aangifte (aftrekbare BTW).

Op verzoek van de administratie werd de factuur voor de aankoop van dit vrachtvoertuig overgemaakt.

Na onderzoek kwam de administratie tot het besluit dat de factuur vals was. Bovendien zou de aard van het goed niet overeenstemmen met activiteit van de onderneming derhalve dat er geen beroepsmatig gebruik was.

Op 26 februari 2003 heeft de administratie aan eiseres een correctieopgave verzonden voor een bedrag van € 25.987,96 als belasting over de toegevoegde waarde, vermeerderd met de interesten vanaf 21 januari 2003, en € 51.970,00 (200 % afgerond tot het lagere tiental) als boete.

Bij gebrek aan akkoord van eiseres met de regularisatieopgave, werd op 27 maart 2003 een proces-verbaal opgemaakt. Een dwangbevel werd uitgevaardigd op 2 april 2003, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 4 april 2003 en ter kennis gebracht aan eiseres bij aangetekend schrijven d.d. 8 april 2003.

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 24 juli 2003 heeft eiseres verzet aangetekend tegen dit dwangbevel.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

De vordering van eiseres, zoals omschreven in het dispositief van haar conclusie, luidt als volgt : “In hoofdorde : De uitspraak omtrent het verzet op te schorten tot na de afhandeling van het strafonderzoek naar aanleiding van de klacht, neergelegd door (eiseres) wegens oplichting naar aanleiding van de aankoop van de litigieuze trekker en oplegger. In ondergeschikte orde : In geval de rechtbank zou oordelen dat een opschorting van de burgerlijke procedure niet opportuun is, het verzet tegen het dwangbevel d.d. 2 april 2003 en tegen het uitvoerend derdenbeslag d.d. 2 juli 2003 ontvankelijk en gegrond te verklaren. Bijgevolg te zeggen voor recht dat het dwangbevel d.d. 2 april 2003, uitvoerbaar verklaard op 4 april 2003, en aan (eiseres) betekend op 8 april 2003, ongegrond is en dat de erin vermelde sommen, BTW, boeten en interesten, niet verschuldigd zijn. Te zeggen voor recht dat het uitvoerend derdenbeslag d.d. 2 juli 2003 en aan (eiseres), bij aangetekend schrijven uitgaande van verwerende partij, aangezegd op 10 juli 2003, gestuit is. Verwerende partij te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. In uiterst ondergeschikte orde : In geval de rechtbank zou oordelen dat het verzet van (eiseres) ongegrond is, te zeggen voor recht dat de administratieve geldboete van € 51.970, gelijk aan 200 % van de belasting, opgelegd door verwerende partij, wordt herleid tot 10 % van de belasting, hetzij tot € 2.598,70.”

Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Eiseres heeft naar aanleiding van de resultaten van de controle door de administratie van de BTW met betrekking tot de factuur, op 13 maart 2003 klacht neergelegd in handen van de lokale politie van …. De klacht werd neergelegd lastens de opsteller van de factuur, die zich G. D. zou hebben genoemd.

Ter zitting verklaren partijen eensluidend dat de strafklacht van eiseres op 25 april 2005 werd geseponeerd.

Bijgevolg is er niet de minste reden om de burgerlijke rechtsvordering te schorsen overeenkomstig artikel 4 van de Voorbereidende Titel van het Wetboek van Strafvordering.

3.2. Overeenkomstig artikel 45, § 1 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (hierna : W.BTW) mag een belastingplichtige de belasting, geheven op de aan hem geleverde goederen, in aftrek brengen in de mate dat hij die goederen gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

Het behoort aan de belastingplichtige die gebruik wil maken van het recht op aftrek om aan te tonen dat de voorwaarden hiertoe zijn vervuld. Om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen, dient de belastingplichtige krachtens artikel 3, § 1 van het Koninklijk besluit nummer 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde in het bezit te zijn van een regelmatige factuur. Het is nochtans niet de factuur die het recht op aftrek doet ontstaan. De factuur is slechts een instrument dat de verrichting vaststelt waarop het recht op aftrek gesteund is.

Krachtens artikel 59, § 1 W.BTW kunnen de overtredingen van de bepalingen van dit wetboek worden aangetoond door middel van de processen-verbaal van de ambtenaren van de FOD Financiën. Deze processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

Blijkens het proces-verbaal van 27 maart 2003, werden volgende feiten vastgesteld :

- De factuur, die door eiseres ter staving van haar recht op aftrek werd meegedeeld, blijkt niet afkomstig te zijn van Garage V., zoals hierop nochtans is vermeld. Zulks blijk met name uit :

- de schriftelijke verklaring van de zaakvoerder van Garage V. die ontkent de vrachtwagen Renault (Scania) verkocht te hebben,

- de mondelinge verklaring van de zaakvoerder dat hij niet handelt in vrachtwagens en bovendien enkel voertuigen verkoopt van het merk Peugeot,

- het feit dat de verkoopprijs vermeld op de factuur ruimschoots het totaal van de door Garage V. gerealiseerde verkopen overtreft zoals deze in de boekhouding is opgenomen,

- de afwezigheid van het Peugeot-logo, de merknaam Peugeot en het e-mailadres, dat nochtans op alle uitgaande facturen van de Garage V. voorkomt.

- De betaling van de koopprijs kon niet worden aangetoond.

- Eiseres kon niet aantonen dat de aangekochte vrachtwagen werkelijk werd geleverd. Niet enkel werd op de factuur geen leveringsdatum vermeld evenmin als de plaats waar de levering diende plaats te vinden, doch bovendien kon eiseres nooit aanduiden waar de vrachtwagen zich bevond.

Op grond van deze vaststellingen kon de administratie terecht afleiden dat de voorgelegde factuur vals was, hetgeen klaarblijkelijk door eiseres niet wordt ontkend. Zij stelt enkel dat zij het slachtoffer zou zijn geweest van de listigheden begaan door een zekere G. D., die valselijk zou hebben verklaard op te treden namens Garage V.. Eiseres kan deze beweringen echter niet staven.

De verklaring van een niet nader genoemde garagehouder C. die de raadsman van eiseres ter zitting van 15 januari 2008 heeft voorgelezen, is volkomen ongeloofwaardig. Hoewel volgens deze verklaring de vrachtwagen gestald zou geweest zijn op het parkeerterrein van diens bedrijf en aldaar nota bene door de inspecteurs van de BTW-administratie zou zijn onderzocht, werd dit stuk nooit neergelegd noch meegedeeld aan verweerster. Het feit dat een dergelijke - op het eerste gezicht doorslaggevende verklaring - ruim vier jaar na de inleiding van het geding voor het eerst opduikt, maakt het reeds uiterst verdacht. Bovendien wordt de geloofwaardigheid ervan volkomen tenietgedaan door de vaststelling dat eiseres noch van de levering, noch van de betaling van de koopprijs enig document kan voorleggen. Evenmin wordt van deze vrachtwagen een inschrijvingsbewijs, verzekeringsbewijs, onderhouds- of stallingsfacturen voorgelegd.

Vermits de levering van de vrachtwagen klaarblijkelijk niet heeft plaatsgevonden, kon het recht op aftrek niet worden uitgeoefend.

Zulks geldt des te meer nu vaststaat dat de aankoop van een vrachtwagen volkomen vreemd is aan de belastbare professionele activiteiten van eiseres, met name de uitbating van een kleinhandel in elektrische toestellen.

De bewering van eiseres dat zij de intentie had om haar activiteiten uit te breiden met internationaal transport, is alweer volkomen ongeloofwaardig. Ruim vijf jaar na de beweerde aankoop van de vrachtwagen, blijkt eiseres nog steeds niet het minste stuk te kunnen voorleggen met betrekking tot de realisatie van haar voornemen. Nochtans werd volgens haar beweringen de vrachtwagen wel degelijk geleverd.

Vermits bijgevolg de levering niet is aangetoond, er geen regelmatige factuur kon worden voorgelegd en daarenboven de levering geen enkel verband vertoont met de uitgeoefende activiteiten, werd de verschuldigde belasting terecht gevorderd.

3.3. Eiseres is tenslotte van oordeel dat de administratieve boete gelijk aan 200 % van de verschuldigde belasting disproportioneel is.

Artikel 70, § 1 W.BTW schrijft voor dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. In toepassing van artikel 84 van hetzelfde wetboek, wordt het bedrag van de proportionele fiscale boetes bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

In uitvoering van deze laatste wetsbepaling werd een schaal van verminderde geldboetes vastgesteld bij het Koninklijk besluit nummer 41 van 30 juni 1987, met dien verstande dat, overeenkomstig het laatste lid van artikel 1 van dit besluit, de in de tabellen A tot J van de vermelde schaal niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Uit de hoger omschreven feiten kan met voldoende zekerheid worden afgeleid dat eiseres wetens en willens een valse factuur heeft geproduceerd en een geveinsde levering heeft ingeroepen teneinde onrechtmatig een aftrek van belasting te kunnen doorvoeren. Het Koninklijk besluit nummer 41 vindt derhalve geen toepassing.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld (Cass., 24 januari 2002, www.cass.be 20020124-10.)

Het bewust produceren valse stukken met het oog op de ontduiking van belasting is een bijzonder ernstige inbreuk die bestraft dient te worden met een maatregel met een voldoende ontradend karakter. De opgelegde administratieve boete is dan ook geenszins onredelijk in verhouding tot de inbreuk.

Aan eiseres werden geen andere sancties opgelegd. De opgelegde boete wijkt tenslotte niet af van de in vergelijkbare gevallen doorgaans opgelegde boetes. In het geval van ontduiking van de belasting beschikt de administratie immers niet over een rechtsgrond om de wettelijk voorgeschreven administratieve geldboete te herleiden.

De vordering is derhalve ongegrond.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot betaling van de kosten van het geding, begroot op € 3.000,00 rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van verweerster.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 5 februari 2008

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer P. H., rechter

Mevrouw I. D., griffier

I. D. P. H.

Textes cités

2
CTVA art. 451 occurrence
CTVA art. 841 occurrence

Décisions similaires

8