Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 08.10.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 07/2156/A Rep. nr. 2008/13668
de NV V., (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester D. B., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Belastingen en Invordering, sector BTW, in de persoon van de e.a. inspecteur van het 2e BTW-Ontvangkantoor KORTRIJK, met kantoren te 8500 KORTRIJK, in de persoon van de e.a. inspecteur van de BTW-Controle te Izegem, met kantoren te 8770 IZEGEM, Kasteelstraat 19,
verweerders,
voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,
I. Rechtspleging
Gelet op het verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 19 juli 2007.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. Bijzonderste gegevens der zaak
2.1. Eiseres is geregistreerd als belastingplichtige onder het BTW-identificatienummer BE … voor de economische activiteit van groothandel in tabaksfabrikaten en toebehoren.
Op 5 juni 2007 betekende verweerder aan eiseres een dwangbevel.
Het dwangbevel werd op 29 mei 2007 uitgevaardigd door M. C. in zijn hoedanigheid van waarnemend eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, rekenplichtige van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk en werd op 30 mei 2007 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. B. in zijn hoedanigheid van eerstaanwezend Inspecteur, verbonden aan het BTW-controlekantoor van Izegem.
Dit dwangbevel werd opgesteld op basis van een proces-verbaal opgesteld op 5 juli 2006 door J. B. in zijn hoedanigheid van eerstaanwezend Inspecteur a.i. bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Belastingen en Invorderingen, Administratie van Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, sector BTW, in die hoedanigheid verbonden aan het BTW-Controlekantoor van Izegem.
Op basis van dit dwangbevel, gebaseerd op het hiervoor vermelde proces-verbaal van 5 juli 2006 formuleerde verweerder aan eiseres een bevel tot betaling van : ten titel van belasting op de toegevoegde waarde : € 70.246,45 ten titel van geldboete ingevolge artikel 70, § 1 : € 7020,00; te vermeerderen met de verwijlsintresten·en procedurekosten.
Bij verzoekschrift de dato 19 juli 2007 tekende eiseres verzet aan tegen voormeld dwangbevel.
2.2. Eiseres vraagt dat haar vordering ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, dienvolgens dat het kwestieuze dwangbevel de dato 29 mei 2007 vernietigd wordt alsmede de BTW-schuld, boete, de verwijlsintresten en de kosten en dat verweerder veroordeeld wordt tot terugbetaling van alle bedragen vermeerderd met de wettelijke intresten en tot de gedingkosten begroot op de basisrechtsplegingsvergoeding ad € 3000,00 en dat, subsidiair, een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap.
2.3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres afgewezen wordt als ongegrond en eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten begroot op de basisrechtsplegingsvergoeding ad € 3.000,00.
III. Beoordeling
A. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
B. nopens de grond
1. Eiseres is groothandelaar in tabaksfabrikaten en toebehoren; In het kader van deze activiteit heeft eiseres geproduceerde tabaksfabrikaten verkocht aan de BVBA C., die op 14 maart 2005 failliet verklaard werd met voor eiseres verlies van schuldvordering op deze vennootschap tot gevolg. Naar aanleiding van dit verlies heeft eiseres het bedrag van € 70.879,28, zijnde de BTW met betrekking tot de schuldvordering van de prijs, ingeschreven in het vak 62 (herziening in het voordeel van de belastingplichtige) van de maandaangifte januari 2006. Verweerder verwerpt het recht op teruggaaf in hoofde van eiseres voor een bedrag van € 70.246,45.
2. Eiseres stelt dat het bijzondere regime geviseerd in artikel 58, § 1 W.BTW betreffende de geproduceerde tabaksfabrikaten enkel betrekking heeft op de heffing en geen enkele invloed heeft op de overige artikelen van het BTW-wetboek zoals de artikelen die betrekking hebben op de teruggaaf. Uit artikel 77 W.BTW kan geen argument geput worden om de levering van tabak uit te sluiten van het recht op teruggaaf.
3. Bij toepassing van artikel 27, zesde richtlijn heeft België met betrekking tot tabaksproducten bepaald (artikel 58 W.BTW) dat de BTW geheven wordt telkens wanneer volgens de regels terzake de accijns op deze producten moet worden voldaan. De belasting wordt berekend op de prijs vermeld op het fiscale bandje, die de verplichte verkoopprijs aan de verbruiker moet zijn, of indien geen prijs is bepaald, over de maatstaf van de accijns. De aldus geheven belasting is de belasting verschuldigd terzake van de invoer en de levering van tabaksfabrikaten. In uitvoering van deze bepaling, wordt in KB nr. 13 bepaald : dat de belasting over de toegevoegde waarde op ingevoerde, verworven, of hier te lande geproduceerde tabaksfabrikaten, tabakssurrogaten daaronder begrepen, opeisbaar is op hetzelfde tijdstip als de accijns. Het bedrag van de belasting wordt door de schuldenaar van de accijns betaald aan de ontvanger die bevoegd is voor de heffing van de accijns. Door of vanwege de Minister van Financiën kan, in individuele gevallen en onder de voorwaarden door of namens hem te bepalen voor ieder geval, voor de voldoening van de belasting een termijn worden toegestaan die niet langer mag zijn dan de termijn toegestaan voor de voldoening van de accijns. De leveringen van tabaksfabricaten worden gefactureerd tegen een prijs inclusief belasting. Bovendien moet op de factoren de verplichte verkoopprijs aan verbruiker voorkomen, alsmede de vermelding : “Tabaksfabricaten : BTW voldaan bij de bron en niet aftrekbaar". Artikel 77, 1, 7°W.BTW bepaalt : “§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die geheven werd voor een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven (...) 7° wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan."
4. In casu dienden eisers noch de BVBA C. met betrekking tot de geleverde tabaksfabricaten enige BTW door te storten aan de Schatkist of af te trekken. De BTW die samen met de accijns voldaan werd aan de bron, is begrepen in de consumptieprijs die vermeld is op het fiscale bandje. De consumptieprijs van de tabaksfabricaten is voor de eindverbruiker al aan de bron vastgesteld en de taksen zijn definitief betaald aan de Schatkist ongeacht het aantal schakels van de keten. De BTW op tabaksfabricaten kan, net zomin als de accijns worden gerecupereerd door andere partijen dan de tabaksfabricaten/importeur, die deze belastingen betaalde bij de aanschaf van de aan te brengen tabaksbandjes, waarbij de consumptieprijs werd bepaald (zie antwoord op de Parlementaire Vraag nr. 1218 van 6 april 2006 door Volksvertegenwoordiger Luc Van Besien - stuk 2 verweerder). Het verlies van de schuldvordering ingevolge faillissement van de klant is hierbij niet voorzien. Het bijzondere regime van artikel 58, § 1 W.BTW en het overeenkomstig KB nr. 13 van 29 december 1992 sluit zowel het recht op aftrek (artikel 45, § 1 W.BTW) als de verplichtingen inzake heffing van BTW en de doorstorting ervan (artikel 53, § 1, 2° en 3° W.BTW) uit. Immers artikel 2 van het KB nr. 13 bepaalt dat er geen recht op aftrek is en dat dit ook duidelijk op de factuur moet worden vermeld met de clausule : "Tabaksfabricaten : BTW voldaan bij de bron en niet aftrekbaar;" De gelijktijdige heffing (BTW en accijns) vergemakkelijkt inderdaad de controle, daar deze terzelfdertijd wordt uitgeoefend als die op de accijns maar deze "heffing aan de bron" heeft eveneens tot gevolg dat alle aftrek van BTW geheven van tabaksfabricaten uitgesloten is.
5. Volgens eiseres maakt de nationale wetgeving een verkeerde toepassing van het oude artikel 27 van de 6° richtlijn dat de lidstaten toelaat om vereenvoudigingsmaatregelen te nemen en zij verzoekt desaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap. De zesde richtlijn voorziet dat er bijzondere regelingen kunnen vastgesteld worden betreffende het BTW-stelsel. Artikel 24, lid 1, zesde richtlijn bepaalt terzake : "Lidstaten die moeilijkheden zouden ondervinden bij het toepassen van de normale belastingregeling op kleine ondernemingen in verband met de activiteit of de structuur van die ondernemingen kunnen binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zij vaststellen - maar onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging - vereenvoudigde regeling voor belasting heffing en -inning, zoals forfaitaire regelingen, toepassen zonder dat dit mag leiden tot vermindering van de belasting." Aansluitend hierop heeft de Belgische Overheid een bijzondere regeling voor het stelsel in verband met de tabaksfabricaten (artikel 58, § 1 W.BTW) toegepast. Overeenkomstig artikel 21, § 5 van de zesde BTW richtlijn bleven deze maatregelen na 1 januari 1978 behouden. In casu bestaat er overeenstemming tussen de artikelen 10 en 11 van de richtlijn 95/59/EG van de Raad betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabricaten, artikelen 10bis en 11 van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak en de BTW-Handleiding nr. 532 zodat er geen reden is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap.
6. De voorwaarden tot teruggaaf voorzien in artikel 77, § 1, 7° W.BTW zijn in casu niet vervuld.
De vordering van eiseres is niet gegrond.
C. nopens de kosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld en dient overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Gerechtelijk Wetboek de gerechtskosten te dragen. Verweerder begroot de rechtsplegingsvergoeding op het basisbedrag ad € 3.000,00. De waarde van de vordering situeert zich tussen de € 60.001 en € 100.000,00. Eiseres stelt dat het basisbedrag dient herleid te worden tot het minimumbedrag van € 1.000,00 daar het steeds de ambtenaren van verweerder zijn die conclusies opstellen in plaats van de advocaat. Van het basisbedrag kan slechts afgeweken worden op basis van de modaliteiten en criteria in de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van een advocaat voorzien. Het door eiseres aangehaalde feit dat ambtenaren de conclusies opstellen beantwoordt niet aan een der criteria bepaald bij voornoemde wet. Het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op € 3000,00 rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag acht oktober tweeduizend en acht
Aanwezig zijn :
H. A., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. A. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.