Droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 10 janvier 2000

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-cour-appel-anvers-2000-01-10-3eb6

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
10 janvier 2000

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

67 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Anvers du 10.01.2000

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

Inzake : 1997/AR/7

Zitting van 10 januari 2000

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de Rekenplichtige Ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;

appellant,

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 5 november 1996;

vertegenwoordigd door Mr. S. V. D. loco Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

tegen :

BVBA D. K., met maatschappelijke zetel te …, …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. L. D. V. loco Mr. V. D., advocaat te …, …;

Geïntimeerde tekende verzet aan tegen een dwangbevel in zake BTW d.d. 22 maart 1994 waarbij van haar … BEF BTW werd gevorderd, … BEF boete en de intresten.

Het bestreden vonnis van 5 november 1996 van de rechtbank van eerste aanleg verklaarde dit verzet grotendeels gegrond en herleidde de belastingschuld in kwestie tot … BEF + … BEF.

Appellant tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 2 januari 1997.

Hij meent dat het verzet ongegrond had moeten worden verklaard.

Geïntimeerde heeft incidenteel beroep aangetekend en betwist ook de belastingschuld van … BEF.

De betwisting heeft betrekking op de periode van 1 januari 1989 tot 31 december 1991.

Er stellen zich met betrekking tot de in deze periode verschuldigde BTW volgende betwistingen.

AFTROK BTW MET BETREKKING TOT VOERTUIGEN

Het betreft uiteindelijk nog een bedrag van … BEF dat geïntimeerde, volgens appellant ten onrechte, heeft afgetrokken.

Krachtens art. 45, § 1 BTW-Wetboek is aftrek van BTW maar mogelijk indien de belastingplichtige bewijst dat de aan hem geleverde goederen en diensten gebruikt werden voor het verrichten van belastbare handelingen. Uit paragraaf 2 van dezelfde wetsbepaling vloeit enkel voort dat met betrekking tot voertuigen voor personenvervoer de aftrek hoe dan ook maar tot maximaal 50 % van de betaalde belasting mag worden toegepast.

Te dezen betreft het voertuigen voor personenvervoer. Geïntimeerde bewijst niet dat deze voertuigen gebruikt werden om belastbare handelingen te stellen. Het enkele feit dat het voertuig werd ingeschreven op naam van de vennootschap schept geen vermoeden van bedrijfsmatig gebruik.

Dit vermoeden volgt evenmin uit de aard van de bedrijvigheid : de uitbating van een café. Appellante laat haar bewering dat het voertuig nodig was om diverse praktische en administratieve handelingen te verrichten onbewezen. Indien kan aangenomen worden dat handelingen die een vennootschap stelt in beginsel bedrijfsmatig zijn, de belastingplichtige niettemin moet aantonen, minstens aannemelijk maken, dat de vennootschap effectief handelingen heeft gesteld met het voertuig in kwestie. Het bewijs hiervan ontbreekt volkomen.

Het feit dat geïntimeerde evenmin kosten met betrekking tot dit voertuig in de directe belastingen heeft in rekening gebracht benadrukt enkel de afwezigheid van elk bewijs betreffende het beweerde bedrijfsmatig gebruik van het voertuig.

Geïntimeerde bewijst evenmin dat de zaakvoerster over een voertuig moest beschikken in het kader van de uitoefening van haar mandaat.

Zodoende is zelfs geen gedeeltelijk professioneel gebruik van het voertuig bewezen.

Het verzet van geïntimeerde met betrekking tot dit onderdeel van het dwangbevel is dan ook ongegrond.

AFTROK BTW IN VERBAND MET KLEDIJ

Geïntimeerde laat na te bewijzen dat de factuur in kwestie (uitgaande van Miss P.) betrekking heeft op bedrijfskledij en vervult de op haar rustende bewijslast niet.

De factuur vermeldt niet om welke soort kledij het in casu gaat.

In de brief van de raadsman van geïntimeerde d.d. 27 januari 1994 aan de inspecteur wordt gewag gemaakt van polo's die "als specifieke werkkledij bij de uitbating van het café” zouden gedragen worden.

Niet nader wordt toegelicht waarom polo's als een specifieke werkkledij te aanzien zijn voor de uitbating van een café.

Het is niet bewezen dat het om een bedrijfsuitgave gaat zodat de aftrek van BTW terecht verworpen werd.

AFTREK VAN BTW MET BETREKKING TOT KOSTEN VOOR SPIJZEN EN DRANKEN

Hierover blijkt geen betwisting meer te bestaan en geïntimeerde heeft desbetreffend geen incidenteel beroep aangetekend.

AFTREK BTW OP AANKOOP LEVERING DRANKEN DOOR A.

Geïntimeerde betwist niet over geen factuur te beschikken met betrekking tot deze aankoop van dranken. Zij heeft enkel een bestelbon. Zij beroept zich op overmacht om een geldige factuur te kunnen overleggen vermits de leverancier ondertussen failliet werd verklaard.

De overlegging van een geldige factuur is een essentiële vereiste om aftrek van BTW te kunnen toepassen. De belastingplichtige moet bewijzen de BTW, die hij aftrekt, ook effectief te hebben betaald en aan wie deze betaling geschiedde.

Noch het ene noch het andere zijn te dezen bewezen door de zogezegde bestelbon (opgenomen als nr. 268 in de boekhouding). Op dit stuk is geen enkele naam vermeld zodat niet uit te maken is of het inderdaad gaat om een levering van A. zoals geïntimeerde beweert. Verder werd op dit stuk vermeld dat de goederen ontvangen werden maar niet betaald bij de levering op 20 december 1991.

Niet bewezen wordt dat geïntimeerde de bewuste levering nadien betaald heeft met inbegrip van … BEF BTW.

Geen overmacht in hoofde van geïntimeerde is aangetoond om de nodige bewijzen van het recht op aftrok van BTW te bekomen.

De bewuste aftrok is dan ook terecht geweigerd geworden.

BETWISTE AFTROK BTW MET BETREKKING TOT DE GEMENGDE BELASTINGPLICHT

Uit de overgelegde stukken en de toelichtingen in conclusies meent het Hof begrepen te hebben dat geïntimeerde betwist een gemengde belastingplichtige te zijn.

Als motief wordt in het PV opgegeven dat de ontvangsten met betrekking tot speelkasten niet aan BTW onderhevig zijn, hetgeen op zich niet betwist wordt.

De uitbating van speelkasten is te onderscheiden van de bedrijfsactiviteiten van geïntimeerde als caféuitbaatster. Vermits geïntimeerde aldus inkomsten verwerft uit beroepswerkzaamheden die deels onderworpen zijn aan de BTW en deels niet moet zij als een gemengde belastingplichtige worden aanzien. De kosten die geïntimeerde heeft in rekening gebracht zijn deels toe te rekenen aan de activiteiten waarvoor zij niet aan de BTW-heffing is onderworpen.

Terecht heeft appellant deze kosten forfaitair opgedeeld in verhouding tot de gerealiseerde omzetten van beide activiteiten.

Wel is in de berekening van appellant een telfout geslopen en kan geïntimeerde geen aftrek van BTW doen voor een bedrag van … BEF i.p.v. … BEF.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond;

Wijzigt het bestreden vonnis;

Verklaart het verzet van geïntimeerde tegen het kwestieuze dwangbevel ongegrond met deze correctie dat de verschuldigde rechten … frank bedragen;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, deze tot op heden aan de zijde van appellant begroot op : … BEF (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) + … BEF (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van tien januari tweeduizend

waar aanwezig waren :

de heren E. H., Raadsheer, wnd. Voorzitter

J. E., Raadsheer

P. B., Raadsheer

mevrouw G. V., Griffier.

G. V. P. B. J. E. E. H.

Textes cités

1
CTVA art. 451 occurrence

Décisions similaires

8