Droit de déduction, Factures fictieves, Procès-verbal, Preuve · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 22 avril 2013

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit de déduction, Factures fictieves, Procès-verbal, Preuve

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-fictieves-proces-tribunal-bruxelles-2013-04-22-da3a

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
22 avril 2013

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

74 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 22.04.2013

(2012/1827/A)

Taxe sur la valeur ajoutée - Droit de déduction - Factures fictieves - Procès-verbal - Preuve

Résumé

Selon l’article 45 du Code dela TVA, il incombe au demandeur de fournir la preuve.

Le défendeur fournit la preuve péremptoire concernant le caractère imaginaire des factures, de sorte que tantla TVAque l’amende infligée (200 pct) sont redevables.

La décision est publiée uniquement dans la langue originale

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 22.04.2013

2012/1827/A

Texte intégral

Corps de la décision

In zake van:

De B.V.B.A. D., met maatschappelijke zetel te … en KBO-nummer…,

Eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. L.K. loco Mr. S.V., advocaat te…;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Ondememings- en Inkomstenfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, met kantoor te 1500 Halle, Zuster Bemardastraat 32,

Verweerder,

Vertegenwoordigd door dhr. J.A., e.a. inspecteur en dhr. E.L. , fiscaal deskundige ;

In deze zaak, in beraad genomen op 25/03/2013, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit:

Gelet op:

• het verzoekschrift op grond van art. 1385decies Ger.W., door eiseres neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 26/01/2012;

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747 Ger.W. van 09/03/2012;

• de besluiten en de aanvullende en synthesebesluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 23/04/2012 en 26/10/2012;

• de besluiten voor eiseres, neergelegd ter griffie op 09/08/2012;

• de stukken (rechtspraak en rechtsleer) voor eiseres, neergelegd ter zitting op 25/03/2012; en

• de stukken voor verweerder, neergelegd ter griffie op 23/04/2012 en gehecht aan de besluiten neergelegd ter griffie op 26/1 0/2012.

Gehoord de raadsman van eiseres en de vertegenwoordigers van verweerder ter openbare zitting van 25/03/2013, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

1. Eiseres is gekend als BTW-plichtige voor de activiteit van installatie van verwarming, klimaatregeling en ventilatie.

Door de diensten van verweerder werd een controle uitgevoerd over de periode 01/01/2008 tot 31/12/2009, dewelke resulteerde in een proces-verbaal van 08/12/2011 (stuk 1 verweerder).

Hierin werden de hierna volgende inbreuken op de BTW -wetgeving vastgesteld. In item 1.1 werd vastgesteld dat ten onrechte BTW in aftrek werd gebracht voor goederen die voor privé-gebruik waren bestemd (verschuldigde BTW: € 424,80- staat thans niet ter discussie). Onder item 1.2 werd vastgesteld dat een aantal door eiseres in aftrek gebrachte facturen vals zouden zijn (verschuldigde BTW: € 91.571,00 - staat ter discussie). Tot slot wordt in item 2 een omzetverhoging toegevoegd (verschuldigde BTW: € 1.045,82 - staat thans niet ter discussie).

Aldus werd vastgesteld dat nog verschuldigd was:

BTW: € 96.041,62

(Deels verminderde) proportionele boete: € 183.260,00

Intresten vanaf 21/01/2010.

Voor deze bedragen werd op 23/12/2011 een dwangbevel met referentie RCIV nr. … uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14/12/2011. (stuk 2 verweerder)

Dit dwangbevel werd bij aangetekende brief van 20/12/2011 aan eiseres betekend (stuk 3 verweerder).

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

2. De vordering van eiseres strekt ertoe het bestreden dwangbevel nietig te verklaren en te zeggen dat de bedragen hierin opgenomen niet verschuldigd zijn.

Eiseres vordert de terugbetaling van de reeds betaalde bedragen, meer intresten.

Zij vordert tot slot het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

3. Verweerder werpt geen gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering van eiseres. Deze is ontvankelijk.

3.2. Ten gronde

4. Eiseres betwist enkel item 1.2 van het proces-verbaal (en dus dwangbevel), met name de verworpen BTW-aftrek omdat de facturen uitgaande van de firma N.V. B. fictief zouden zijn.

Hierbij werpt eiseres op dat de bewijslast op verweerder rust. Deze verwerpt niet enkel de BTW-aftrek, maar legt op dit punt tevens een boete op van 200 %.

Dergelijke boete vereist een frauduleuze intentie, waarvan verweerder het bewijs dient te leveren.

Verweerder van zijn kant beroept zich op art. 45 W.BTW en stelt dat de bewijslast op eiseres rust.

5. Terecht werpt eiseres op dat de bewijslast van het fictief karakter van de facturen die worden verworpen onder punt 1.2 op verweerder rust. In deze beperkt verweerder zich immers niet tot het louter verwerpen van de BTW -aftrek maar wordt op dit punt ook een boete opgelegd van 200 %.

De weigering de boete te verminderen kan slechts indien er sprake is van een frauduleus inzicht (art. 70, §1 en 1bis W.BTW en K.B. nr. 41 van 30/01/1987).

Er moet evenwel aan herinnerd worden dat wat betreft de materiële vaststellingen het proces-verbaal op grond van art. 59, §1 W.BTW het bewijs levert tot bewijs van tegendeel.

Op grond van de vaststellingen in het proces-verbaal, alsmede de bijkomende stukken door verweerder neergelegd is het fictieve karakter van de facturen onder item1.2 inhet proces-verbaal afdoende bewezen.

Ten eerste werd door de gedelegeerde bestuurder van de N.V. B. verklaard dat deze eiseres niet kende als klant, en dat er evenmin een commerciële relatie is geweest met de heer V. (door eiseres tijdens de controle opgegeven als tussenpersoon - doch deze elementen worden thans niet meer aangehaald) of eiseres. Er is geen reden om aan de waarachtigheid van deze verklaring te twijfelen.

Bovendien wordt deze verklaring ondersteund door materiële vaststellingen die niet anders dan tot de conclusie kunnen leiden dan dat de facturen vals zijn. Uit het proces-verbaal, evenals uit de thans door verweerder neergelegde stukken 6 en 7, blijkt immers dat er een fundamenteel verschil in lay-out is tussen de facturen voorgelegd door eiseres en deze die opgesteld worden door de N.V. B..

Daarnaast is op de facturen die eiseres aanhaalt de naam van de firma in kwestie fout gespeld (N.V. B.), is het BTW-nummer van deze firma fout en is het bankrekeningnummer van deze firma fout.

Bovendien blijken uit het proces-verbaal nog de volgende vaststellingen. Eiseres kon geen gegevens verschaffen omtrent de heer V., omtrent de inning van de betaling van deze facturen konden geen stukken worden voorgebracht en eiseres zou niet uitgerust zijn om de vermeende aangekochte goederen te leveren en te plaatsen.

Tot slot en ten overvloede verduidelijkt verweerder in besluiten (p. 3-4) dat deze vermeende leveringen niet konden gekoppeld worden aan de werven die eiseres aanhaalde.

Verweerder levert dus afdoende het bewijs van het fictieve karakter van de facturen onder item 1.2 van het proces-verbaal, zodat zowel de BTW als de opgelegde geldboete verschuldigd zijn. Wat dit laatste betreft moet vastgesteld worden dat de geldboete ook verschuldigd is op ten onrechte in aftrek gebrachte BTW (art. 70, §1 bis W.BTW).

De vordering van eiseres is niet gegrond.

4. KOSTEN. WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGS-VERGOEDINGEN

6. Nu de vordering ongegrond is, wordt eiseres veroordeeld tot de kosten van het geding. Verweerder werd evenwel niet bijgestaan door een raadsman, zodat geen rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 3, 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond, Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet verder te begroten.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 22 april 2013.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer J.V.B.: toegevoegd rechter

Mevrouw N. L.: griffier

Textes cités

1
CTVA art. 451 occurrence

Décisions similaires

8