Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d’appel de Gand du 28.09.2021
WF 714-15-18/026183
[Défavorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à déduction – Erreur en droit – Relevé de régularisation – Nullité de la contrainte
Dispositions légales
Article 45, § 1er, du Code de la TVA
Article 870 du Code judiciaire
Articles 2044 et 2052 du Code civil
Résumé
1) Les faits et les antécédents de procédure
La partie adverse était identifiée à la TVA en tant qu'éleveur de porcs. Elle a été déclarée en faillite et un administrateur judiciaire a été nommé. Après la faillite, les porcs et les aliments pour animaux ont été vendus. Les porcs sont restés dans les porcheries et l'acheteur a payé une indemnité d'occupation à la partie adverse.
Un contrôle sur place a été effectué par l’administration. Suite aux constations faites, un relevé de régularisation a été établi. Selon l'administration, l’assujetti en faillite a déduit à tort la TVA grevant des biens et des services qui n'étaient pas destinés à son activité économique. Le relevé de régularisation a été signé pour accord par le curateur. Sur la base de ce relevé de régularisation, une contrainte a été décernée, visée et déclarée exécutoire.
Par la suite, à la demande du curateur, un curateur supplémentaire a été nommé par le tribunal de commerce. Par après, le premier curateur a été relevé de ses fonctions à sa propre demande par le même tribunal de commerce pour des raisons personnelles. Enfin une requête fiscale contradictoire a été déposée par le nouveau curateur contre la contrainte auprès du tribunal de première instance.
Le tribunal de première instance a déclaré la demande de la partie adverse non fondée. Le juge a estimé qu’il n’existait aucune preuve qu’il ait eu une erreur en droit ou en fait et que les biens et les services en cause avaient un lien direct et immédiat avec l’activité économique de l’assujetti.
La partie adverse a dès lors déposé un recours en appel.
2) L’arrêt de la cour d'appel
Dans ce litige, la cour d'appel devait se prononcer sur deux points de discussion. D'une part, il y avait la question de savoir si l'accord était nul et non avenu en raison d'une erreur en droit. D'autre part, la question s'est posée de savoir s'il existait un lien entre les frais dont la TVA les ayant grevés avait été déduite et l'activité économique.
Dans son arrêt, la Cour confirme que la déclaration d’accord signée sur un relevé de régularisation peut être invalidée s'il est démontré que cet accord a été affecté par une erreur en droit. En effet, l'appelant ne peut être tenu au paiement de la taxe que lorsqu'elle est exigible en vertu des règles légales. En l'espèce, l'accord porte sur une question de droit et non sur une question de fait.
La cour juge également que la TVA grevant les frais est déductible après la déclaration de faillite, notamment lorsque ces frais sont liés au règlement et à la liquidation de la faillite.
En outre, la cour d'appel juge le curateur a poursuivi l'activité économique du failli et qu'il existe bien un lien entre les frais dont la TVA les ayant grevés avait été déduite et l'activité économique.
La Cour d'appel juge également que le relevé de régularisation est affecté par une erreur en droit. L'accord étant nul et non avenu, il s'ensuit que la contrainte est également annulée.
L’appel de la partie adverse est dès lors déclaré recevable et fondé par la cour d’appel.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Arrest van het Hof van beroep te Gent, dd. 28.09.2021
Rol: 2020/AR/1160
In de zaak van:
HF.curator. advocaat, met kantoor te ..., in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement F.D., gevestigd te ..., ON 086...76, wonende te ..., daartoe aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk dd. 02.10.2013 appellant, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...
tegen
BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Ontvanger Team Invordering Natuurlijke Personen Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, en de Adviseur-generaal-centrumdirecteur KMO Kortrijk, met burelen te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 16 juli 2020 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 20 januari 2020 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 18/1581/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.
De zaak werd behandeld in de openbare terechtzitting van 29 juni 2021, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De heer F.D. is sinds 1 mei 2004 geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de economische activiteit van vetmesten van varkens.
Bij vonnis van 2 oktober 2013 van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk werd de heer F.D. failliet verklaard en werd de heer H.W. aangesteld als curator over het faillissement van de heer F.D..
In het kader van het faillissementsbeheer werden de resterende varkens door de toenmalige curator in oktober 2013 verkocht aan Voeders Decadt, met toepassing van de btw. Als onderdeel van deze verkoopovereenkomst werd door Voeders Decadt bedongen dat de varkens tijdelijk in de gebouwen zouden blijven staan. Voeders Decadt betaalde daarvoor een bezettingsvergoeding aan de curator. Deze bezettingsvergoeding werd betaald met btw.
Op 27 december 2013, gingen de varkensstallen waarin de heer F.D. zijn activiteit uitoefende in vlammen op.
De curator (de appellant dus) heeft de btw, geheven op de door hem ontvangen facturen met betrekking tot het faillissement, in aftrek gebracht in zijn btw-aangiftes als curator over het faillissement voor 2015 en 2016.
Op 4 januari 2016 deed de curator verzamelaangifte voor de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 met als resultaat een teruggave van 21.268,15 euro. De aangifte werd aanvankelijk door de geïntimeerde aanvaard en de teruggave werd uitgekeerd.
Op 9 januari 2017 deed de curator verzamelaangifte voor de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016, met als resultaat een teruggave van 76.028,09 euro. De geïntimeerde aanvaardde die teruggave niet en deed geen uitbetaling.
De door de curator voor die jaren 2015 en 2016 gedane aangiftes hebben voornamelijk, maar niet uitsluitend, betrekking op facturen aangaande het opruimen van de mest uit de mestputten (facturen afkomstig van de firma TWZ, een firma gespecialiseerd in het reinigen en verwerken van vloeibare en gevaarlijke afvalstoffen zoals dierlijke meststoffen twzgroup.be/waste/meststoffen).
Naast de facturen inzake het opruimen van de mest uit de mestputten door TWZ gaat het bovendien ook om volgende uitgaven (andere dan TWZ):
In december 2018 werd een btw-controle uitgevoerd door de geïntimeerde. De controle had betrekking op de aangegeven handelingen van de belastingplichtige zoals opgenomen in de verzamelaangiften voor de periode vanaf 01 januari 2014 tot en met 31 december 2016.
Die controle resulteerde in de correctieopgave van 4 december 2017 waarin de aftrekbaarheid van de kosten gemaakt in 2015en 2016 door de geïntimeerde wordt betwist. Als motivering werd genoteerd:
Er werd vastgesteld dat de heer F.D. sedert 2015 geen handelingen bedoeld in artikel 45, §1, van het Btw-Wetboek, meer heeft verricht.
Er bestaat duidelijk geen verband tussen de gemaakte kosten en de in artikel 45§1,1° van het btw-wetboek bedoelde handelingen.
Bijgevolg werd de aftrek van de btw op de gemaakte kosten ten onrechte uitgeoefend.
Op 7 december 2017 ondertekende de heer H.W., in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de heer F.D., die correctieopgave voor akkoord voor de som van 96.407,13 euro btw.
Deze correctieopgave maakte ook melding van een boete van 9.640,00 euro.
Kort daarop, bij vonnis van 20 december 2017 van de rechtbank van koophandel (nu de ondernemingsrechtbank) Gent, afdeling Kortrijk, werd de huidige curator op verzoek van de heer W. aangesteld als bijkomend curator.
Bij vonnis van diezelfde rechtbank van 31 januari 2018 werd de heer W. als curator van zijn ambt als curator over het faillissement van de heer F.D. ontheven, waardoor de huidige curator vanaf dat moment het mandaat alleen verderzet.
Op 4 april 2018 liet de geïntimeerde aan de heer F.D. een dwangbevel betekenen, uitgevaardigd op 13 maart 2018, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 15 maart 2018.
De heer F.D. wordt middels het dwangbevel verzocht om volgende sommen te voldoen, te vermeerderen met de interesten te berekenen vanaf 21 januari 2017:
Op 4 april 2018 (datum betekening dwangbevel) ontving de appellant q.q. een saldobericht waaruit blijkt dat er nog een bedrag van 23.519,04 euro verschuldigd zou zijn, meer bepaald na aanrekening op andere fiscale tegoeden.
Om oplopende interesten te vermijden heeft de appellant q.q. die som van 23.519,04 euro onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkentenis betaald.
De appellant q.q. ging met het standpunt van de geïntimeerde niet akkoord en met een verzoekschrift van 28 mei 2018 stelde hij als curator zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
In het vonnis van 20 januari 2020 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:
Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.
Het is tegen dat vonnis dat de appellant q.q. hoger beroep heeft ingesteld.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellant q.q.
De appellant q.q. vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het door appellant q.q. ingesteld hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Het bestreden vonnis d.d. 20 januari 2020 van de Rechtbank van eerste aanleg West Vlaanderen, afdeling Brugge (Rolnummer 18/1581/A) te hervormen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijk vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens;
- Akte te willen nemen van het verzet tegen het dwangbevel, door tweede geïntimeerde uitgevaardigd op 13 maart 2018 te Brugge, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 15 maart 2018 te Brugge, betekend op 4 april 2018 en gekend onder nr. 500/1901/79889;
- De nietigheid, minstens de ongegrondheid van en van nul en generlei waarde te willen verklaren het dwangbevel, door tweede geïntimeerde uitgevaardigd op 13 maart 2018 te Brugge, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 15 maart 2018 te Brugge, betekend op 4 april 2018 en gekend onder nr. 500/1901/79889;
- De nietigheid, minstens de ongegrondheid van de correctieopgave d.d. 4 december 2017 met nummer 500.1901.79889 te willen uitspreken;
- Te zeggen naar recht dat de sommen die worden gevorderd in het dwangbevel, door tweede geïntimeerde uitgevaardigd op 13 maart 2018 te Brugge, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 15 maart 2018 te Brugge, betekend op 4 april 2018 en gekend onder nr. 500/1901/79889, bevestigd in de correctieopgave d.d. 4 december 2017 met nummer 500.1901.79889 en uitgevaardigd door derde geïntimeerde, niet verschuldigd zijn;
- Te zeggen naar recht dat deze sommen minstens herleid moeten worden;
- De Belgische Staat vervolgens te veroordelen tot de teruggave van het op basis van voormeld dwangbevel ingehouden BTW-tegoed in toepassing van artikel 81, 5 ° van het Koninklijk Besluit nr.4 van 29 december 1969 betreffende de teruggave inzake BTW, te verhogen met laattijdigheidsinteresten te rekenen vanaf het tijdstip van de initiële aanvraag tot teruggaaf van voormeld BTW-tegoed;
- De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van appellant geraamd op de basisvergoeding voor vorderingen tussen 100.000,01 en 250.000,00 euro, zijnde:
- 6.000,00 euro in eerste aanleg en;
- 6.000,00 euro in hoger beroep.
De appellant q.q. heeft op 25 juni 2021 een kostennota neergelegd, waarin hij de door hem gevorderde rechtsplegingsvergoeding, gelet op de indexatie op 1 juni 2021, verhoogt naar 6.500,0 euro.
3.2. De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van appellante q.q. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
Het vonnis a quo van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 20.01.2020 te bevestigen;
Appellante q.q. te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van geïntimeerde geraamd op 6.000,00 € in hoger beroep.
Gezien geïntimeerde in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.
De geïntimeerde heeft op 17 juni 2021 een kostennota neergelegd, waarin hij de door hem gevorderde rechtsplegingsvergoeding, gelet op de indexatie op 1 juni 2021, verhoogt naar 6.500,0 euro.
4. De betwistingen en hun beoordeling
4.1. Over de vraag of de appelant. Q.q. gebonden is door de_ ondertekende correctieopgave
4.1.1. Beroep op een dwaling in rechte
Geheel terecht laat de appellant q.q. gelden dat het feit dat de (toenmalige) curator de correctieopgave ondertekend heeft waarin erkend wordt dat 96.407,13 euro btw verschuldigd is, hem niet belet te bewijzen dat dit akkoord is aangetast door een dwaling in rechte.
De appellant q.q. kan immers slechts tot betaling van de belasting gehouden zijn die volgens de wettelijke regels verschuldigd is. Indien en in de mate dat de appellant q.q. kan aantonen dat er volgens de wet wel degelijk een recht op aftrek van de voorbelasting op de betreffende facturen bestaat, is hij door de ondertekening van de correctieopgave die van een andere rechtsopvatting uitgaat niet gebonden.
4.1.2. De correctieopgave is gesteund op een stelling in rechte
Anders dan wat de geïntimeerde wil doen aannemen, betreft het geschil wel degelijk een vraag in rechte. De reden die de controleagent had om de aftrek van voorbelasting te verwerpen werd als zodanig vermeld in de correctieopgave en luidt als volgt (zie ook het feitenrelaas):
Er werd vastgesteld dat de heer F.D. sedert 2015 geen handelingen bedoeld in artikel 45, §1, van het Btw-Wetboek, meer heeft verricht.
Er bestaat duidelijk geen verband tussen de gemaakte kosten en de in artikel 45§1,1° van het btw-wetboek bedoelde handelingen.
Bijgevolg werd de aftrek van de btw op de gemaakte kosten ten onrechte uitgeoefend. Waar niet betwist is dat de heer F.D., spijts de faillietverklaring en dus ook daarna, nog de hoedanigheid behield van btw-belastingplichtige, heeft de betwisting die door de appellant q.q. gevoerd wordt op niets anders betrekking dan op de volgende vragen:
- Is het voor het recht op aftrek van de btw op de betreffende facturen relevant dat de heer F.D. geen handelingen als bedoeld in artikel 45, §1 WBTW meer gesteld heeft sinds 2015?
- Bestaat een verband tussen de gemaakte kosten en de in artikel 45§1,1° van het btw wetboek bedoelde handelingen?
Minstens de eerste vraag is een zuivere rechtsvraag en ze is cruciaal voor het in te nemen standpunt; de inhoud van de tweede vraag is gedetermineerd door het antwoord op de eerste vraag. De geïntimeerde is in de correctieopgave uitgegaan van de stelling dat het antwoord op de twee vragen positief is. Door de ondertekening van de correctieopgave heeft de toenmalige curator uitdrukking gegeven van zijn akkoord met dat standpunt, maar de huidige curator roept in dat het antwoord op de beide vragen negatief is, zodat hij, in zijn hoedanigheid van curator, recht op aftrek van voorbelasting heeft.
De curator kan wel degelijk, indien hij zijn stelling kan hard maken, bekomen dat de
correctieopgave als onjuist wordt beschouwd en dus zijn recht op aftrek vorderen.
4.2. Over de vraag of is aangetoond dat de correctieopgave in strijd is met de wet
4.2.1. btw en.kosten na faillietverklaring
Zoals de appellant q.q. stelt, belet het feit dat een btw-belastingplichtige failliet verklaard wordt, nog niet dat na de faillietverklaring kosten gemaakt worden waarvoor de btw aftrekbaar is, in het bijzonder in het kader van de afwikkeling en/of de vereffening van het faillissement.
Zelfs wanneer het om kosten gaat die niet onmiddellijk toewijsbaar zijn aan een concrete te realiseren omzet en zelfs wanneer er helemaal geen omzet meer kan gerealiseerd worden, belet dat niet dat de btw vervat in de kosten die betrekking hebben op de economische activiteit die de gefailleerde had, aftrekbaar is. Dat valt (ook) onder het neutraliteitsbeginsel. (Ook) Voor algemene kosten geldt een recht op aftrek van de voorbelasting.
Terecht laat de appellant q.q. gelden dat het verband dat hier moet worden aangetoond, dat is met de economische activiteit van het 'vetmesten van varkens'. Ook de handelingen die betrekking hebben op de afwikkeling van de stopzetting van die activiteit (en op de vereffening ervan), zijn wat dat betreft verbonden met die economische activiteit. In die zin is het ook relevant dat de curator met Voeders Decadt een overeenkomst had gemaakt om de varkens te verkopen en tegelijk de stallen ter beschikking te (blijven) stellen, met inbegrip van de nutsvoorzieningen (verwarming en nutsvoorzieningen), waarbij de prestaties aan de btw onderworpen waren. Er moet worden aangenomen dat de curator daarmee de economische activiteit van de heer F.D. voortzette (al was het in een enigszins gewijzigde vorm).
Waar de geïntimeerde nog inroept dat niet duidelijk is wat de uiteindelijke bestemming van de gesaneerde gronden zal worden, is dat voor het betreffende recht op aftrek van voorbelasting zonder relevantie.
4.2.2. concrete band tussen de activiteit van de heer F.D. en de gefactureerde .handelingen
Hoger, in het feitenrelaas, is een overzicht gegeven van de aard van de facturen die aan de curator zijn uitgereikt voor handelingen die op zijn vraag zijn verricht.
Hoewel de facturen daarover geen twijfel laten bestaan, blijft de geïntimeerde betwisten dat niet duidelijk zou zijn welke werkzaamheden precies werden verricht en met welke bedoelingen.
Alle facturen van TWZ liggen voor. Daaruit blijkt dat ze duidelijk vermelden voor welke prestaties ze zijn uitgereikt. TWZ exploiteert een bedrijf dat zich o.a. bezighoudt met 'zuivering van afvalwater uit industrie en scheepvaart'. Op elk van de facturen wordt melding gemaakt van Project 01E160110 Verpompbaar verontreinigd mestresidu na brand Op de facturen staan telkens de hoeveelheid en de prijs in ton voor de verwerking van het bulk, de datum, het transport en de uren te lezen:
verwerking bulk en afvoer reinigingsresidu
Basisprijs verwerking bulk
Bulk transport
Plaatsing/ophaling rijplaten
Huur rijplaaten
Overtime lossen
Afvoer reinigingsresidu
Cleaningswerk
Het is onmiskenbaar dat de facturen aan de curator werden uitgereikt voor het verrichten van de opruimwerken van 'verontreinigd mestresidu na brand' die hij had besteld. Er wordt niet betwist (en met stukken voldoende aangetoond) dat de gebouwen na de brand gesloopt werden en dat daarna nog de 'mestkelders' overbleven. De facturen hebben duidelijk betrekking op het leegmaken en saneren van de mest die zich nog in de mestkelders moet hebben bevonden op het moment van de brand. Gelet op de overeenkomst met Voeders Decadt en de korte tijd die op het moment van de brand nog maar verstreken was sinds het sluiten van die overeenkomst, is immers duidelijk dat de brand plaatsvond toen er nog dieren in de gebouwen werden gestald. De facturen hebben, gelet op de inhoud, betrekking op meer dan alleen het wegbrengen van mest, maar ook op de handelingen die nodig waren om de contaminatie ervan ingevolge de brand te behandelen. Dat er pas in 2015 met die opruimwerken werd gestart, wordt door de appellant q.q. verantwoord: de curator moest hoe dan ook eerst geldmiddelen ter beschikking hebben om die kosten te kunnen maken.
Aangezien de facturen van TWZ alle kaderen in de werkzaamheden van de curator om de gevolgen van het bestaan van de voormalige economische activiteit, gecombineerd met de brand, weg te werken, staat het verband tussen die facturatie en de economische activiteit vast.
De meeste andere facturen houden rechtstreeks verband met het feit dat de gebouwen waarin de heer F.D. zijn economische activiteit (en door de curator werd voortgezet) uitoefende in de loop van het faillissement zijn afgebrand. Daardoor was een expertise inzake de brand nodig om de aanspraken op vergoedingen te kunnen vastleggen, moest een slopingsvergunning worden ingediend, moest de elektriciteit buiten dienst worden gesteld, moesten de slopingswerken worden uitgevoerd, met aanstelling van een veiligheidscoördinator en een architect voor de opvolging en moesten de, na sloping, overgebleven mestkelders afgeschermd worden met werfhekken.
Gelet op het feit dat er mest moest worden afgevoerd, was de curator ook verplicht de nodige formulieren in te dienen bij de Mestbank en ging dat gepaard met de aankoop van mestverwerkingscertificaten.
De factuur voor het waterverbruik houdt onmiskenbaar verband met de betreffende economische activiteit, op zijn minst met het feit dat er water nodig is om varkens te kunnen kweken.
Uit het bovenstaande blijkt dat in de correctieopgave ten onrechte is uitgegaan van een gebrek aan verband tussen de gefactureerde prestaties en de economische activiteit van de belastingplichtige.
De appellant q.q. toont daarmee aan dat het akkoord van de toenmalige curator met de correctieopgave aangetast is door een rechtsdwaling en daarom nietig is.
Dat betekent meteen dat het dwangbevel gesteund is op een nietig akkoord, waardoor het dwangbevel evenzeer nietig is en geen rechtsgevolg mag sorteren. De geïntimeerde moet veroordeeld worden tot (terug-)betaling van alle sommen die op grond van dat dwangbevel zijn ingehouden of betaald, vermeerderd met de wettelijke moratoriuminterest.
5. De gerechtskosten
5.1. Gerechtskosten voor de eerste aanleg
De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in eerste aanleg dragen.
5.1.1. Wat het rolrecht betreft
Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.).
5.1.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding_betreft
De vordering in eerste aanleg is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (20/01/2020). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro.
Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 6.000,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.
De geïntimeerde is voor de procedure in eerste aanleg aan de appellant q.q. een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 6.000,00 euro.
5.2. Gerechtskosten voor het hoger beroep
De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.
5.2.1. Wat het rolrecht betreft
Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).
5.2.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft
De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro.
Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 6.500,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.
De geïntimeerde is voor de procedure in hoger beroep a a nde a ppella ntq.q. een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 6.500,00 euro.
Dispositif
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
• het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond;
• het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de appellant q.q. ontvankelijk verklaart;
• het hof doet opnieuw recht voor het overige en verklaart de vordering van de appellant q.q. als volgt gegrond;
- het akkoord van de (toenmalige) curator met de correctieopgave van 7 december 2017, is nietig;
- het dwangbevel ten laste van de heer F.D. op 13 maart 2018 uitgevaardigd onder nummer 500.1901.19889 en op 15 maart 2018 geviseerd en uitvoerbaar verklaard is integraal nietig en mag geen enkele uitvoering kennen;
- de geïntimeerde wordt bevolen om alle sommen die op grond van het genoemde dwangbevel zijn ingehouden of betaald (terug) te betalen aan de appellant in diens hoedanigheid van curator van het faillissement van de heer F.D., te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintresten;
• het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellant q.q.:
• bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 20,00 EUR
• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 6.000,00 EUR
• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR
• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 6.500,00 EUR
- aan de kant van de geïntimeerde: nihil
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 28 september 2021.
Aanwezig: ...
Ondertekeningen
Décision jointe par le SPF
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke, Tiende Kamer
Vonnis 20/01/2020
Rol: 18/1581/A
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:
In de zaak:
HFCURATOR, advocaat, kantoorhoudende te ..., in zijn hoedanigheid n curator over het faillissement van de heer F.D. (Ondernemingsnr. 086...76), gevestigd te ..., destijds woonachtig te ... en failliet verklaard door de Rechtbank van Koophandel Gent, afdeling Kortrijk bij vonnis van 2 oktober 2013, eisende partij, voor wie is opgetreden meester ... advocaat te ...
tegen:
FOD FINANCIEN, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door mevrouw X, Centrumdirecteur van het Centrum KMO Kortrijk, met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31, verwerende partij, voor wie is opgetreden mevrouw Y, attaché bij de FOD Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, in die hoedanigheid verbonden aan KMO Expertise 2 te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30.
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift d.d. 28 mei 2018.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 16 december 2019.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. F.D. is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE 086...76 voor de activiteit van 'vetmesten van varken'. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Bij vonnis d.d. 2 oktober 2013 van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk, werd de heer F.D. failliet verklaard en Mr. W. werd aangesteld als curator. Ingevolge het faillissement werden de varkens én voeders verkocht aan Voeders Decadt. De varkens bleven ter plaatse in de varkensstallen en Voeders Decadt betaalde een bezettingsvergoeding aan de gefailleerde. Op 27 december 2013 brak een brand uit in de varkensstallen. In de periode 2015 - 2016 werden de mestputten onder de varkensstallen gereinigd. De BTW geheven op deze werken werd in aftrek gebracht in de aangiftes voor 2015 en 2016.
In december 2017 werd door Z, adviseur e.a. inspecteur bij de algemene administratie van de fiscaliteit, verbonden aan het centrum KMO te Kortrijk, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016.
De bevindingen werden opgenomen in een correctieopgave door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft de gefailleerde ten onrechte BTW in aftrek genomen van goederen en diensten die niet bestemd· waren voor de economische activiteit van de failleerde. In de correctieopgave is opgenomen dat verschuldigd is als BTW 96.407,13 EUR. Mr. W. heeft op 7 december 2017 een schuldbekentenis ondertekend voor het bedrag van 96.407,13 EUR. Op 13 maart 2018 wordt een dwangbevel opgesteld door de ontvanger te Brugge. Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 15 maart 2018. Het dwangbevel wordt betekend aan de heer F.D. op 4 april 2018.
Bij vonnis d.d. 20 december 2017 van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk, wordt Mr. H. op verzoek van Mr. W. aangesteld als bijkomend curator over het faillissement van F.D.. Bij vonnis d.d. 31 januari 2018 van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk, wordt Mr. W. op eigen verzoek (genoodzaakt om persoonlijke redenen) ontlast als curator over het faillissement van F.D..
Op 28 mei 2018 heeft Mr. H. q. q. een fiscaal verzoekschrift neergelegd.
2. Eiser vraagt dat:
de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
het dwangbevel d.d. 13 maart 2018 wordt vernietigd, minstens ongegrond wordt verklaard;
de correctieopgave d.d. 4 december 2017 wordt vernietigd, minstens ongegrond wordt verklaard; voor recht gezegd wordt dat de sommen opgenomen in het dwangbevel d.d. 13 maart 2018 niet zijn verschuldigd, minstens dienen te worden herleid;
verweerder wordt veroordeeld tot teruggave van alle sommen die op basis van het dwangbevel werden ingehouden, te verhogen met de laattijdigheidsintresten vanaf de aanvraag tot teruggave;
verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met in begrip van de rechtsplegingsvergoding t.b.v. 6.000 EUR.
3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiser veroordeeld wordt tot de kosten van het geding met in begrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 6.000 EUR.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
Op 7 december 2017 heeft Mr. W. in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van F.D. een schuldbekentenis ondertekend. Het betreft een minnelijk akkoord zonder voorbehoud. Het akkoord is bindend, behoudens het bewijs van een dwaling in feite of in rechte, van een gebrek in de toestemming of van dwang. Een akkoord mag ook niet afgesloten worden in strijd met de wet. Volgens eiser heeft Mr. W. gedwaald in rechte en was er in zijn hoofde sprake van jongdementie.
De schuldbekentenis werd ondertekend door Mr. W. q.q. op 7 december 2017. Hij was op dat moment curator over het faillissement van F.D.. Op 20 december 2017 werd eiser aangesteld als bijkomend curator over het faillissement van F.D. en dit (volgens het vonnis) op verzoek van Mr. W.. Op 31 januari 2018 werd Mr. W. ontlast als curator op zijn verzoek wegens persoonlijke redenen (volgens het vonnis). Mr. W. was dus curator over het faillissement van F.D., met 30 januari 2018. In de betreffende vonnissen is niet vermeld om welke reden eiser eerst werd aangesteld als bijkomend curator en Mr. W. later werd ontlast als curator. Enkel in het vonnis van 31 januari 2018 is vermeld dat Mr. W. heeft verzocht om ontheven te worden van zijn mandaat als curator omdat hij wegens persoonlijke redenen genoodzaakt is. Er is niet vermeld in de vonnissen dat er sprake is van een gezondheidsreden of medische reden.
Eiser legt een brief voor van de balie West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk waarin wordt gesteld dat hij in de tweede helft van 2017 werd gecontacteerd aangaande verontrustende berichten inzake de medische toestand van Mr. W.. Deze toestand had een impact op de kwaliteit van het door hem geleverde werk. Eind 2017 werd de stafhouder gecontacteerd door de echtgenote van Mr. W. omtrent zijn medische toestand en de onomkeerbaarheid daarvan. Er diende dringend een oplossing te worden gezocht voor zijn vervanging als curator. Volgens de stafhouder betrof het de diagnose 'jongdementie'.
Het feit dat hij op 13 februari 2017 onmiddellijk en summier heeft geantwoord op vragen van de administratie, bewijst dit evenmin. Op 13 december 2017 (één week na de ondertekening van de schuldbekentenis) werd Mr. W. als curator gehoord door de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk, en toch beslist deze rechtbank op 20 december 2017 enkel om een bijkomende curator aan te stellen. Ook dit wijst er niet op dat de gezondheidstoestand van Mr. W. op 7 december 2017 zo slecht was dat hij de draagwijdte en de gevolgen van zijn antwoorden en ondertekening niet meer kende.
Volledigheidshalve stelt de rechtbank vast dat op zich niet betwist wordt dat F.D.. na het faillissement.nog BTW-beJastingpJicbtige was. De kosten (voornamelijk opruimen van mest uit de putten) hadden betrekking op de varkens die zich na het faillissement nog in de varkensstallen bevonden (doch geen eigendom 'meer waren van F.D.) _en de brand die is uitgebroken op 27 december 2013 (zijnde 3 maanden na het faillissement). Het is daarbij niet bewezen dat F.D. instond voor de reiniging van de stallen. De werken werden bovendien pas uitgevoerd in 2015 en 2016 terwijl er volgens eiser ingevolge de mest en de brand sprake was van geurhinder en vervuilende stoffen.
De eis is zodoende ongegrond.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen. Gezien verweerder niet werd bijgestaan door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend. Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op TWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND TWINTIG waar zitting hadden: ...
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.