Droit de déduction, Amende proportionnelle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 24/693/A 28 janvier 2026

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit de déduction, Amende proportionnelle

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-amende-proportionnelle-tva-tribunal-gand-2026-01-28-59c4

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Numéro de rôle
24/693/A
Date
28 janvier 2026

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

111 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Gand du 28.01.2026 (24/693/A)

WF 709-15-24/000512

Finaliti 55138348/01 en 55138348/02

[ Jugement favorable ]

Taxe sur la valeur ajoutée – Droit de déduction – Amende proportionnelle

Dispositions légales

Art. 45, §1 CTVA, art. 1, §2 AR n° 3

Résumé du jugement

1. Faits

La demanderesse est immatriculée à la TVA. Son activité consiste principalement à développer des compléments alimentaires et à les vendre à des particuliers et à des intermédiaires du secteur médical. La demanderesse a fait l'objet d'un contrôle de la TVA pour les années 2020 et 2021, qui a donné lieu à l'établissement de deux procès-verbaux de régularisation pour infraction au régime de déduction, dont elle a été informée le 1er décembre 2023. Les 28 décembre 2023 et 23 janvier 2024, elle a reçu la notification des avis de perception et de recouvrement. Le 1er mars 2024, la requérante a saisi le tribunal.

2. La décision

En vertu de l'article 45, § 1 du Code de la TVA, tout assujetti peut déduire de la taxe dont il est redevable au titre des livraisons et des prestations qu'il effectue, la TVA perçue sur les biens et services qui lui sont fournis, dans la mesure où il utilise ces biens et services pour effectuer des opérations taxées.

L'article 1er, § 2, de l'arrêté royal n° 3 dispose qu'aucune déduction de la TVA n'est possible pour la TVA afférente aux biens et services destinés à des fins privées ou à des fins autres que celles relatives à l'activité économique. Lorsqu'un bien ou un service est utilisé en partie à de telles fins, le droit à déduction est exclu proportionnellement à cette utilisation. La déduction de la TVA relative aux véhicules de société à usage mixte est expliquée dans la circulaire 36/2015 du 23 novembre 2015 (E.T.119.650), qui prévoit trois méthodes : la méthode de la comptabilisation journalière des trajets, une formule semi-forfaitaire et un forfait général de 35 % d'utilisation professionnelle.

En ce qui concerne la déduction de la TVA relative aux frais de voiture, le tribunal suit le point de vue de l'administration selon lequel, à compter du 17 février 2020, aucune déduction de TVA n'était plus possible, car le véhicule a été immatriculé au nom d'A.D. à partir de cette date. Cela ressort clairement de l'historique du véhicule, et la demanderesse ne le conteste pas. De cette date jusqu'au 31 décembre 2021 inclus, la déduction de la TVA a donc été rejetée à juste titre dans son intégralité, étant donné que les frais de voiture n'étaient plus engagés pour effectuer des opérations économiques pour le compte de la demanderesse.

En ce qui concerne la déduction de la TVA relative aux autres frais (jardin et entretien du jardin), le tribunal estime que les constatations faites par l'administration constituent une motivation solide et justifient de manière suffisante le rejet de la déduction de la TVA. Le tribunal constate que la demanderesse ne s'acquitte pas de la charge de la preuve qui lui incombe, à savoir qu'elle ne démontre pas que les frais sont utilisés pour la réalisation d'opérations taxables, notamment la vente de produits. Le tribunal a constaté que la demanderesse avait bel et bien enfreint la législation en matière de TVA, de sorte que les amendes ont été infligées conformément à la loi et doivent être maintenues. Il n'y a aucune raison de supprimer, de réduire ou d'accorder un sursis pour ces amendes.

Texte intégral:

Corps de la décision

Ce jugement n'est disponible que dans la langue originale.

Vonnis rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent - dd. 28.01.2026 - 24/693/A

A.R. 24/693/A

IN DE ZAAK VAN:

cie1, met ondernemingsnummer ... en maatschappelijke zetel te ...,

eisende partij, vertegenwoordigd door meester Sener Michael loco meester Niesten Karen loco meester Lefebvre Alexis, advocaat met kantoor te 3001 Heverlee, Philipssite 5;

TEGEN:

BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, KBO: 0308.357.159, met kantoren te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 33/971, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit:

KMO CENTRUM AALST — TEAM CONTROLE 1, met kantoren te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6 bus 752,

verwerende partij, voor wie verschijnt V.D., attaché bij een fiscaal bestuur;

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:

1. PROCEDURE

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 31 december 2025 partijen in hun middelen en argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. RELEVANTE FEITEN EN PROCEDURELE VOORGAANDEN

2.1.

Eiseres is geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het btw-nummer ... voor de activiteiten van niet-gespecialiseerde groothandel in niet-diepgevroren voedingsmiddelen, dranken en genotsmiddelen, en overige detailhandel in voedingsmiddelen in gespecialiseerde winkels. Concreet spitst eiseres zich toe op de ontwikkeling van voedingssupplementen samengesteld uit kruiden, planten en zeepproducten en de verkoop ervan, zowel rechtstreeks aan particulieren, als aan tussenpersonen in de medische sector.

Sinds 2001 verdeelt eiseres voor publicitaire doeleinden geregeld producten als handelsmonster onder potentiële klanten en personen actief in de gezondheidssector (artsen, osteopaten, paramedici, therapeuten, ...), die deze producten vervolgens adviseren bij hun patiënten en cliënteel. Het publiciteitsdoel van eiseres bestaat erin dat de gezondheidswerkers hun patiënten omtrent het bestaan van deze producten informeren en vervolgens de handelsmonsters uitdelen om deze gedurende een proefkuur uit te testen en de producten vervolgens aan te kopen bij eiseres.

Om de voedingssupplementen bekend te maken bij een ruimer publiek, neemt eiseres eveneens regelmatig deel aan nationale en internationale handelsbeurzen.

2.2.

Op 9 mei 2023 onderging eiseres een btw-controle over de periode van 1 januari 2020 tot

en met 31 december 2021 (= de jaren 2020 en 2021).

Deze controle leidde tot de opmaak van een correctie-opgave, ter kennis gebracht aan eiseres per brief van 13 oktober 2023, waarbij de administratie meende een aantal inbreuken op de btw-wetgeving en reglementering te kunnen vaststellen.

Eiseres reageerde daarop tijdig per mail van 13 november 2023, waarin zij stelde dat ze niet akkoord ging met de vermeende vaststellingen in de correctie-opgave.

Vervolgens werd eiseres op 1 december 2023 per aangetekende brieven in kennis gesteld van de processen-verbaal van regularisatie inzake BTW voor het jaar 2020 (stuk 1 van verweerder) en het jaar 2021 (stuk 2 van verweerder), waarin de vermeende vaststellingen uit de correctie-opgave integraal overgenomen.

Op 28 december 2023 en 23 januari 2024 werd eiseres in kennis gesteld van de innings- en invorderingsberichten waarin de administratie navordert:

Voor de periode 01/01/2020 - 31/12/2020 (artikelnummer 500.2826.83941)

 btw in hoofdsom 8.050,07 EUR

boeten 800,00 EUR

nalatigheidsinteresten op btw: vanaf 21 januari 2021

Voor de periode 01/01/2021- 31/12/2021 (artikelnummer 500.2828.20953)

 btw in hoofdsom 9.024,27 EUR

 boeten 900,00 EUR

nalatigheidsinteresten op btw: vanaf 21 januari 2022

2.3.

Op 1 maart 2024 maakte eiseres de zaak aanhangig bij deze rechtbank.

3. VORDERINGEN VAN PARTIJEN

3.1.

Eiseres vordert in haar laatste conclusie:

"De vordering van concludente houdende verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;

Dienvolgens, te horen zeggen voor recht dat de BTW-naheffing met artikelnummers … en …, uitgereikt krachtens de processen-verbaal betekend op 1 december 2023, ongegrond is, en dat de betwiste BTW-sommen, boeten en interesten niet verschuldigd zijn door concludente;

De Administratie te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding conform artikel 1022 Ger. W. en Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van concludente begroot op het basisbedrag van 1.680,- EUR.

(..)

Kosten:

- Bijdrage tweedelijnsbijstand: 24,00 EUR;

Rechtsplegingsvergoeding: 1.680,00 EUR;"

3.2.

Verweerder vordert in zijn laatste conclusie:

"Het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

De vordering van eiseres af te wijzen;

Eiseres te veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in de

processen-verbaal en de invorderingen, gekend onder artikelnummers

… en ….

Eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding."

4. DE BETWISTINGEN EN HUN BEOORDELING

4.1. Over de btw-aftrek inzake de autokosten

4.1.1.

Op grond van artikel 45, §1 WBTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is ter zake van de door hem verrichte leveringen en diensten, de voorbelasting geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van de in de wet opgesomde handelingen.

Artikel 1, §2 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 bepaalt dat in geen geval voor aftrek in aanmerking komt, de btw geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit. Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.

Om de btw-aftrek inzake gemengd gebruikte bedrijfswagens te bepalen, steunen beide partijen op de circulaire 36/2015 van 23 november 2015 (E.T.119.650). De circulaire voorziet in drie methodes. Bij "methode 1" dient de belastingplichtige een dagelijkse rittenadministratie bij te houden (randnrs. 106-109 van de circulaire). Om de belastingplichtige die geen rittenadministratie wenst bij te houden toch toe te laten het beroepsgebruik vast te stellen op een manier die verband houdt met het werkelijk gebruik van ieder individueel autovoertuig, aanvaardt de btw-administratie als "methode 2", ter vereenvoudiging, de toepassing van een semi-forfaitaire formule (randnrs. 110-119 van de circulaire). Voor sommige belastingplichtigen kan het toepassen van "methode 1" en zelfs van "methode 2" een belangrijke administratieve last tot gevolg hebben. De administratie aanvaardt in dat geval als "methode 3" dat de belastingplichtige het beroepsgebruik middels een algemeen forfait vaststelt op "%Beroep = 35%" (randnrs. 120-122 van de circulaire).

4.1.2.

De btw-administratie heeft de afgetrokken btw op autokosten inzake onderhoud, herstelling en brandstoffen integraal verworpen vanaf 17 februari 2020. Vanaf deze datum immers werd de enige wagen in de vennootschap (de LEXUS RX CROSSOVER met nummerplaat ...) ingeschreven op naam van A.D.. Vanaf die datum werden de autokosten volgens de administratie dan ook niet meer gemaakt om economische handelingen uit te voeren in hoofde van cie1. Voor de periode v66rdien (van 1 januari 2020 tot 17 februari 2020) heeft de administratie de btw-aftrek wel nog aanvaard ten belope van 35% (bij gebrek aan nadere motivatie van de belastingplichtige inzake 'methode 1 of 2') (zie het proces-verbaal van regularisatie dd. 1 december 2023 — p. 4/11 van stuk 1 van verweerder).

Eiseres merkt op dat de administratie tijdens de voorgaande btw-controles van de afgelopen jaren (nI. de controles in 2014, 2017 en 2019) geen enkele opmerking heeft gemaakt omtrent het beroepsmatig gebruik van de wagens en de aftrekbaarheid van de btw op kosten. Verder stelt eiseres dat de belastingplichtige als bewijs van het beroepsmatig gebruik inzake de btw, naast methode 1 (de rittenadministratie) eveneens methode 2 (de semi-forfaitaire formule) dan wel methode 3 (het forfait van 35%) kan toepassen. Hieruit vloeit volgens eiseres voort dat het beroepsmatig gebruik van vervoersmiddelen niet integraal kan worden betwist en dat een minimale btw-aftrek van 35% gegarandeerd is, onverminderd het feit dat eiseres meent dat de aftrek van 50% in haar geval volledig gerechtvaardigd is.

4.1.3.

De rechtbank treedt verweerder bij dat deze problematiek wel degelijk reeds aan bod is gekomen tijdens voorgaande btw-controles. Naar aanleiding van de btw-controle voor de twee voorgaande jaren (2018 en 2019) werd bij vonnis van deze rechtbank en kamer van 18 september 2024 (22/2887/A) geoordeeld dat een btw-aftrek van 50% niet aanvaard kon worden omdat eiseres geen rittenadministratie kon voorleggen ('methode 1'). Een forfaitaire aftrek van 35% ('methode 3') werd wel toegestaan. Voor zover de rechtbank kan nagaan, werd tegen dat vonnis geen hoger beroep aangetekend.

Ook voor de thans betwiste jaren 2020 en 2021 legt eiseres geen rittenadministratie voor. Voor de periode van 1 januari 2020 tot 17 februari 2020 werd de btw-aftrek dan ook terecht beperkt tot 35%. Vanaf 17 februari 2020 was er geen enkele btw-aftrek meer mogelijk omdat de Lexus RX Crossover (met nummerplaat ...) vanaf die datum ingeschreven werd op naam van A.D.. Dit kan duidelijk worden opgemaakt uit de historiek van de Lexus (stuk 5 van verweerder), en eiseres betwist dit niet. Vanaf die datum tot en met 31 december 2021 werd de btw-aftrek dan ook terecht integraal verworpen.

4.1.4.

Het eerste middel van eiseres is ongegrond.

4.2. Over de btw-aftrek inzake de overige opgelijste kosten (waaronder tuin en tuinonderhoud)

4.2.1.

Vervolgens betwist eiseres de verwerping van de btw-aftrek inzake de facturen opgelijst op p. 8-15/18 van haar conclusie. Eiseres kan zich geenszins akkoord verklaren met de zienswijze van de administratie. Volgens eiseres kadert de btw op de goederen, die de administratie meent te moeten verwerpen, binnen haar commerciële activiteiten, nI. het ontwikkelen en produceren van producten voor dierlijke en menselijke consumptie. Hierin spelen de serres en kweektuinen dan ook een grote rol, aldus eiseres. Deze dragen volgens haar bij tot het verwerven en/of behouden van een inkomen, zodat eiseres meent dat de btw op deze kosten voor 100% moet kunnen worden afgetrokken. De administratie stelt onterecht dat de opleidingszaal wordt gebruikt als stockageruimte en dat er geen toonzaal is vastgesteld; dat deel van het gebouw is immers nog onder constructie en de administratie heeft kunnen vaststellen dat de ruimte ook gebruikt werd voor stockgoederen, aldus eiseres. Ten slotte werpt eiseres op dat er verder geen motivering wordt gegeven voor de lange lijst van aankoopfacturen waarvoor de btw wordt verworpen. Eiseres meent dat het geenszins duidelijk is waarom de btw op deze kosten wordt nageheven. Zij besluit dat de btw op de facturen opgelijst in haar conclusie, rechtmatig werd afgetrokken zodat van enige regularisatie geen sprake kan zijn.

4.2.2.

Verweerder werpt met reden op dat het (in de eerste plaats) aan de belastingplichtige toekomt (dit is eiseres) om aan te tonen dat de kwestieuze kosten (zoals opgelijst in de conclusie van eiseres) gebruikt worden voor het verrichten van belaste handelingen, met name het verkopen van producten (vgl. artikel 45, §1 WBTW).

Zoals hogerop reeds werd aangehaald (zie randnummer 4.1.1) bepaalt artikel 1, §2 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 dat in geen geval voor aftrek in aanmerking komt, de btw geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit. Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.

Anders dan eiseres meent, werd er wel degelijk een duidelijke motivering gegeven voor verwerping van de btw-aftrek inzake de opgelijste facturen. Deze motivering is niet enkel terug te vinden in het proces-verbaal van vaststellingen dd. 14 september 2023 (stuk 4 van verweerder), maar blijkt ook duidelijk uit de correctieopgave van 13 oktober 2023 ('bijlage 2') die samen met de processen-verbaal van regularisatie dd. 1 december 2023 ('bijlage 1') aan eiseres ter kennis werd gebracht per aangetekende brief van 1 december 2023 (stukken 1 en 2 van verweerder). De vaststellingen die aldaar terug te vinden zijn op p. 7-9/16 van de correctieopgave vormen een degelijke motivering en verantwoorden afdoende de verwerping van de desbetreffende btw-aftrek. Op basis daarvan is het wel duidelijk waarom de btw op deze kosten wordt nageheven.

De rechtbank kan slechts vaststellen dat eiseres faalt in de op haar rustende bewijslast.

4.2.3.

Het tweede middel van eiseres is ongegrond.

4.3. Inzake de opgelegde geldboeten

Voorts betwist eiseres de opgelegde geldboeten in het bijzonder omdat zij op basis van haar argumentatie gelijk zou moeten krijgen, maar ook omdat de betwiste inbreuken het gevolg zijn van een interpretatie en toepassing van de btw-wetgeving, waarbij eiseres absoluut te goeder trouw zou hebben gehandeld. Zij vraagt de opgelegde boetes dan ook kwijt te schelden.

De rechtbank heeft hogerop vastgesteld (zie randnummers 4.1 en 4.2) dat er in hoofde van eiseres wel degelijk sprake is van overtredingen van de btw-wetgeving zodat de boeten wettelijk werden opgelegd en te handhaven zijn.

Er is geen reden om deze geldboeten kwijt te schelden, te verminderen of te bekleden met de gunst van een uitstel.

4.4. Over de nalatigheidsinteresten

De wettelijke nalatigheidsinteresten zijn door eiseres verschuldigd op grond van artikel 91, §1 WBTW, te berekenen op de btw waarop de btw-administratie terecht aanspraak maakt in het licht van het voorgaande.

5. DE GERECHTSKOSTEN

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen. De Belgische Staat werd niet vertegenwoordigd door een advocaat en maakt daarom geen aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding.

Aangezien er ook geen andere gerechtskosten verschuldigd zijn, is het in dit geval overbodig om de gedingkosten vast te stellen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK, RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK,

Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, maar wijst deze af als ongegrond;

Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.

Aldus gewezen in openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op woensdag achtentwintig januari tweeduizend zesentwintig, waar aanwezig waren:

mevrouw H. VAN OUTRYVE, rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door: mevrouw E. HULSTAERT, griffier.

E. HULSTAERT H. VAN OUTRYVE

Textes cités

3
AR no 3 art. 15 occurrences
CTVA art. 455 occurrences
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8