Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 21.11.2007
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op éénentwintig november tweeduizend en zeven in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., enig rechter,
N. D., griffier.
In zake : A.R. Nr. 06/2118/A
R. R. G., geboren te Leuven op 16 juli 1949, wonende te …, ….
eisende partij
- persoonlijk verschijnend.
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de Heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te 2800 Mechelen, Zwartzustervest 24 bus 32.
verwerende partij
- verschijnende bij meester P. S., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 29 maart 2006,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 24 oktober 2007.
Eiser is BTW-belastingplichtige onder nummer (BE-) ….
Hij deelt mede dat hij klein chirurgisch instrumentarium verkoopt aan OCMW-ziekenhuizen en dat hij op eigen verzoek maandaangever is voor de BTW.
Op 29 maart 2006 heeft hij, middels verzoekschrift op tegenspraak ter griffie, rechtsvordering ingeleid (met twaalf aangehechte genummerde stukken, zonder echter een inventaris, wat een klare kijk op het gedetailleerde feitenverloop bemoeilijkt).
Verweerder heeft ter zitting een dossier van overtuigingsstukken neergelegd (9 stukken, deze met inventaris), blijkt daarbij karig met stukken (wat alzo eveneens een klare kijk bemoeilijkt op het gedetailleerde feitenverloop).
Hoewel geformuleerd als verzoek tot kwijtschelding, blijkt uit de uitleg ter zitting dat eiser :
- in hoofdorde verzoekt om onwettig verklaring van een hem opgelegde boete
- daarop ondergeschikt verzoekt om dan toch minstens kwijtschelding van die boete
- en dit alles vordert bij wijze van teruggave.
Toelaatbaarheid van de rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.
Eiser heeft uiteengezet dat hij door zijn hoger vermelde klanten normaal pas wordt betaald op 120 dagen na toezending van facturen, wat hem noopt tot voorfinanciering der BTW.
Op zeker ogenblik, naar zijn zeggen door een plotse piek, heeft hij lopende BTW niet betaald binnen drie maand, wat eerst leidde tot twee waarschuwingen van 10 juli en 16 augustus 2005 (stukken 1 en 3 eiser), en dan tot opening van een bijzondere rekening door de BTW-diensten over 30 april 2005 tot 31 juli 2005, gemeld door brief van 20 september 2005 (stuk 6 eiser).
De BTW-vordering beliep daarin … Euro aan rechten, voorts … Euro aan intrest en tenslotte … Euro bij wijze van krachtens KB nr. 41 tot 10 % herleide geldboete.
Eiser heeft aan de Dienst Voorafbetalingen van de Directe Belastingen gevraagd een deel van zijn in het begin van het jaar voor het hele jaar verrichte voorafbetaling aan te wenden en door te storten naar de BTW-belastingdienst.
Eerst ging het om … Euro, vraag naderhand verhoogd tot … Euro.
De Dienst Voorafbetalingen heeft op 7 september 2005 … Euro overgemaakt aan het 'ontvangkantoor der belastingen' te Brussel (stuk 5 eiser).
Te zien aan het rekeningnummer gaat het om het door eiser opgegeven BTW-ontvangkantoor.
De brief met mededeling der bijzondere rekening door de BTW-belastingdienst dateert, zoals uiteengezet, van 20 september opvolgend.
De bijzondere rekening houdt geen rekening met de betaling van 7 september tevoren.
De Dienst Voorafbetalingen heeft op 26 september 2005 bijkomend … Euro naar de door eiser opgegeven rekening overgemaakt (stuk 7 eiser).
De BTW-schuld blijkt in hoofdsom en aankleven uiteindelijk te zijn voldaan, weliswaar deels pas na uitvaardiging van dwangbevel en na betekening ervan door een gerechtsdeurwaarder.
Wettigheid van de opgelegde boete.
De verschuldigde rechten volgen uit aangifte door eiser, en behelzen wettelijk verschuldigde rechten inzake BTW.
Terecht is daarover dan ook naderhand, na aanmaningen, een bijzondere rekening opgemaakt en meegedeeld.
Door het loutere feit van niet betaling is krachtens art. 70, § 1 Wetboek BTW op de rechten een boete gelijk aan 200 % verschuldigd geworden.
Deze boete is evenwel gemoduleerd geworden krachtens het onderscheid van KB nr. 41 inzake BTW, zulks tot 10 % (zijnde tot 1/20), zoals reeds hogerop uiteengezet.
De goede trouw van eiser staat hier geenszins ter sprake.
Evenwel volstaat goede trouw wettelijk niet om de overblijvende 10 % onwettig te verklaren.
De toegepaste herleide boete blijkt in evenredigheid te staan met niet tijdige betaling van de rechten, ontijdigheid die een door de fiscale wet bepaalde overtreding vormt.
De gestrengheid van de fiscale wet is te dezen grotendeels opgevangen door vermelde alsnog toegepaste herleiding tot 1/20 (van 200 % naar 10 %), conform een vooraf bepaalde wettelijke, onderbouwde, en vooraf gepubliceerde norm (het vermelde KB nr. 41).
Het is de rechtbank niet toegelaten over te gaan tot verdere herleiding vanuit overwegingen die worden ingegeven door loutere billijkheid (zie bv. Hof van Cassatie 21 januari 2005, in Rechtskundig Weekblad 2005-06, 1015).
Enkel kan de rechtbank oordelen of de hier toegepaste boete inderdaad evenredig is met de feitelijke gegevens die aan de basis liggen van de betwisting (zie hierover Arbitragehof, nu Grondwettelijk Hof, 12 juni 2002, Tijdschrift voor Fiscaal Recht 2004/13).
Deze beoordelingsmarge werd gunstig beoordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn arrest van 4 maart 2004 (Tijdschrift voor Fiscaal Recht 2004/60, meer bepaald Overweging 29).
Gelet op te dezen de herleiding van 200 % naar 10 % overeenkomstig het vermelde KB nr. 41 inzake BTW, is hier evenredigheid van de boete met de voorliggende feiten bereikt.
Ook al heeft eiser zijn goede wil tot uiting gebracht door zijn in het eerste kwartaal verrichte eenmalige jaarbetaling ter voorafbetaling op de inkomstenbelasting aan te wenden tot alsdan delging van verschuldigde BTW, dan nog blijft gelden dat hij door levering van goederen en door het overeenkomstig daarmee uitschrijven van facturen, BTW verschuldigd was.
Deze BTW diende hij krachtens de wet tijdig te voldoen.
Dat de BTW verschuldigd werd door een piekmoment neemt niet weg dat hij ten overvloede wist dat zijn vermelde klanten pas op langere termijn zouden betalen, wat tot waakzaamheid had moeten aanzetten met het oog op zulke eventualiteit.
De verantwoordelijkheid en/of aansprakelijkheid tot betaling van belasting (hier BTW) kon alzo niet worden doorgeschoven naar de klanten.
De boete blijkt hier daarom wettelijk te zijn opgelegd, én in evenredigheid te zijn toegepast.
Zuiver ten overvloede blijkt eiser van de Directeur alsnog vrijstelling van intrest bekomen te hebben (gelet op de dan toch gedane overhevelingen vanuit de voorafbetalingen, ingekomen op rekening-courant in plaats van op bijzondere rekening).
In dezelfde zin heeft de Directeur ook de kosten van betekening van het dwangbevel ten laste van de Schatkist genomen, aldus kwijtgescholden voor eiser.
Verzoek tot kwijtschelding van de boete.
De Directeur heeft, op verzoek tot kwijtschelding, de tot 10 % herleide boete behouden.
Hij heeft dit behoud gemotiveerd in zijn beslissing van 15 maart 2006 (stuk neergelegd door beide partijen).
De rechtbank stelt vast dat de Directeur daarbij de hem wettelijk opgelegde motiveringsplicht voldoende en ook afdoende heeft ingevuld.
Dit nagaan van de wettigheid zelf van de beslissing over te dezen verzoek tot kwijtschelding, is het enige dat in dit kader binnen de rechtsmacht van de rechtbank ligt.
De rechtbank heeft bij dit alles geen rechtsmacht om in de plaats van de Directeur een nieuwe, eigen beslissing te nemen, zelfs al zou ze tot vernietiging van zijn beslissing overgaan wegens vastgestelde onwettigheid ervan.
De gerechtskosten.
Nu eiser in het ongelijk wordt gesteld, verplicht art.1017 Gerechtelijk Wetboek de rechtbank hem in de kosten te verwijzen.
De kostenbegroting door verweerder in diens conclusie stemt overeen met de wet.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Verklaart de vordering toelaatbaar, maar ongegrond,
Veroordeelt eiser tot de kosten, deze enkel aan de zijde van verweerder begroot in conclusie, en door de rechtbank in hoofde van deze laatste vereffend op … Euro bij wijze van rechtsplegingvergoeding.
N. D. L. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.